Participatie anno 2011 is een wassen neus

Het huidige bestel biedt burgers weinig mogelijkheden om betrokkenheid te tonen. Ze moeten meer betrokken worden bij de problemen van wijk, buurt, stad en land. Want dan zullen ze zich graag aanmelden als bondgenoot van de overheid. En kan de Nederlandse maatschappij weer een samenleving worden.

Nederland anno 2011 is een klassenmaatschappij. Er zijn steeds duidelijker wordende patronen van uitsortering van de Nederlandse bevolking naar opleiding, inkomen, partnerkeus en etniciteit. Elke groep trouwt onder elkaar en woont bij elkaar, in gescheiden buurten. We zijn niet meer verenigd. Zichtbaarder en funester dan de sociaal-culturele en geografische verdeeldheid is de politieke verdeeldheid in twee klassen. De bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille hebben dit onlangs aangetoond in hun boek Diplomademocratie, over de spanning tussen meritocratie en democratie. De kern ervan luidt: de hoger opgeleiden hebben de lager en middelbaar opgeleide burgers verdreven uit bijna alle bestuurlijke posities; uit het parlement, maar ook - en dat is het meest funest - uit vrijwel het gehele maatschappelijke middenveld dat toch als het wonderlijm van een gezonde democratie wordt beschouwd. De lager opgeleiden nemen steeds minder deel aan de politiek en aan het verenigingsleven. Door hun geleidelijke uitsluiting in de afgelopen decennia hebben de lager opgeleiden een belangrijke bron van respect verloren. Ze vormen een onderklasse die er nauwelijks meer toe doet. Bovens en Wille vragen zich af  ‘of het toeval is dat de opkomst van de diplomademocratie is gevolgd door een opmars van populistische partijen?’ Nee dus.

De klassenmaatschappij laat zich ook aflezen uit de politieke voorkeuren bij brisante politieke thema’s. De hoger opgeleiden zijn voor Europa, voor immigratie en voor de vrije markt, de lager opgeleiden zijn tegen Europa, tegen immigratie en voor behoud van de verzorgingsstaat. En als het gaat om democratie: de lager opgeleiden zijn voor directe democratie, de hogeropgeleiden zijn faliekant tegen elke vernieuwing van het politieke bestel in deze richting. Vooral sinds 2002 (met de opkomst van Pim Fortuyn) hebben de politiek- intellectuele elites zich teruggetrokken in een bastion van politiek-bestuurlijk conservatisme uit angst dat de ‘verkeerde mensen’ het voor het zeggen zullen krijgen.

Politieke bestel fnuikt elke betrokkenheid
Opmerkelijk genoeg hebben de regering, de overheid en haar officiële adviesorganen zich na 2002 wel als de wiedeweerga gebogen over de mogelijkheden tot verbetering van de bestuurlijke inrichting van buurt, wijk, stad en land. En hebben zij de afgelopen jaren werk gemaakt van de inschakeling van burgers, ter consultatie of bij het vaststellen van beleid. Telkens was er overigens de vraag of de  gewenste burgerparticipatie louter window dressing was, het gevolg van de paniek over de ‘Opstand der Burgers’ of het gevolg van ‘voortschrijdend inzicht’ en overtuiging dat de overheid het echt niet meer alleen kan rooien in een complexe maatschappij vol moeilijke, mondige maar ook kennisrijke burgers.

In het algemeen biedt het huidige bestel de betrokken burger weinig stimulans, en fungeert inbreng als ‘window dressing.’ Lijkt hij zijn mening alleen te mogen geven opdat de regering daarna kan zeggen dat ze de burger heeft geraadpleegd. Dat werkt als een boemerang, steeds minder burgers zullen zich nog geroepen voelen om mee te denken.

Dat het anders kan, blijkt uit het boek The Wisdom of Crowds van James Surowiecki. Kern van zijn in 2004 gepubliceerde boek is dat hoe meer mensen een oordeel over iets geven, hoe groter de kans is dat het gemiddelde van hun meningen in de buurt van het juiste antwoord komt. De voorwaarden zijn dat de deelnemers divers van aard zijn, niet met elkaar in verbinding staan en onafhankelijk oordelen op basis van zijn/haar eigen locale of specifieke kennis. Op de vraag hoe een samenraapsel van individuen tot een wijze uitkomst voor een bepaald probleem kan komen, verwijst Surowiecki naar het Jurytheorama van de markies de Condorcet (1743-1794). Kort gezegd, luidt dat theorama dat de kans op een juiste beslissing van een jury toeneemt met het aantal leden, mits ieder naar beste weten zijn eigen oordeel geeft. Ieder individueel oordeel heeft een component vergissing en een component kennis en lokale ervaring. Als de vergissingen willekeurig zijn, zullen ze elkaar opheffen en houd je goede informatie over. Surowiecki borduurt met zijn ‘Wisdom of Crowds’ verder op deze kanstheorie en stelt dat bij een groot aantal voorspellingen van mensen met verschillende expertise de op  ondeskundigheid gebaseerde willekeurige component van hun voorspellingen zich laten uitmiddelen, terwijl de expertisecomponent statistisch vaker aggregeert. Onafhankelijkheid van de deelnemers is van belang maar ook de informatie die erbij wordt gegeven.

Een samenleving kun je dit niet meer noemen
Surowiecki ziet een beroep op de Wisdom of Crowds als alternatief voor door experts geleide organisatiestructuren. Is dit reëel? Een belangrijk dilemma bij door experts gestuurde systemen is het besef dat de uitdagingen waar politieke en maatschappelijke organisatiestructuren zich voor gesteld zien, zo divers zijn dat er geen experts bestaan. Hier komen die menigtes, die crowds, dus van pas.  Het Openbaar Ministerie (OM) heeft onder de vorige voorzitter Harm Brouwer de koers gezet naar consultatie van de burgers via burgerpanels en online-enquêtes onder vooral het maatschappelijk middenveld. Bij de burgerpanels, waar at random burgers voor waren uitgenodigd, was het opvallend hoe blij de deelnemers waren dat hen eindelijk eens iets werd gevraagd, en dat ze met oplossingen kwamen waar zelfs het OM van stond te kijken.

Succesvolle participatie van de burgers hangt af van de aard van het probleem, de schaalgrootte en de vorm van participatie. Die variëren van het huidige participatieproces in IJsland om te komen tot een nieuwe grondwet - waar de optimistisch bedoelde Troonrede van het Volk van Pauw & Witteman een ‘leuk’ aftreksel was - tot de gelukkige follow up op het ietwat bedorven begrip ‘sociale vernieuwing’, namelijk ‘sociaal ondernemen.’

Op alle niveaus van burgerbetrokkenheid is de ruil in dit bondgenootschap: wij nemen elkaar als burger, als mens serieus, en iedereen - van overheid, elites tot de gewone bestuursorganen - krijgt er waardering en medewerking voor terug. En ik zeg nadrukkelijk ‘als mens’. Uitgangspunt zou de uitspraak van de Griekse filosoof en agnost Protagoras (ca 490-420 v Chr.) moeten zijn: ‘de mens is de maat aller dingen.’ Niet de politiek dus, laat staan de media.

Als burgers betrokken worden bij de problemen van wijk, buurt, stad en land, dan zullen ze zich graag aanmelden, als bondgenoot van elkaar en de overheid. Een bondgenoot is iemand die zich al dan niet tijdelijk met een ander verbonden heeft om een gemeenschappelijk doel te bereiken. En dat lijkt me in de verticaal en horizontaal gesegregeerde Nederlandse maatschappij - want een samenleving kun je het echt niet meer noemen - van acuut belang.

Henri Beunders is hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en Cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit artikel is een ingekorte en bewerkte versie van zijn lezing over De Burger als Bondgenoot.

 

Reacties op dit artikel (1)

  1. Tja. Het is me wel eens opgevallen wat de constante is in het gebruik burger. Zeelieden gebruiken het voor mensen die niet gewoon varen. Woonwagenbewoners voor mensen die niet gewoon in een woonwagen zitten. En wetenschappers en politici gebruiken het …
    Ik was betrokken bij een paar zeer zorgvuldig en laagdrempelig vormgegeven processen waar bewoners zeer veel zeggenschap kregen over de toekomst van hun wijk of gemeente. Ik ken ook de projecten van anderen. Een opkomst van 5% is al heel mooi. Natuurlijk kan je naar mensen toe gaan, en ze op straat aanspreken. Dan stijgt de opkomst iets. Maar de meerderheid van de mensen zit er gewoon niet op te wachten. En dan kan je denken: geeft niet, dan doen we het maar met een minderheid. Maar dat is dan meestal een niet representatieve groep, die in heel veel opzichten weinig op ‘de rest’ lijkt. Participatie werkt als de blokkenstoof waar baby’s mee spelen: als er vierkante gaten in zitten, doen er vierkante mensen mee.
    Ik zie wel kansen voor inter- actieve projecten. Dat wil zeggen, projecten waar politiek en professionals ook nee mogen zeggen, en niet hoeven te doen wat de burger vraagt. Een echte dialoog. En wat mij betreft op essentiële punten altijd nog even langs de raad. Want de ‘indirecte’ democratie is – onder voorwaarden – vaak prima in staat te bepalen wat ‘burgers’ willen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *