<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Sociale Vraagstukken</title>
	<atom:link href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site</link>
	<description>Wetenschappers en denkers in debat over maatschappelijke kwesties</description>
	<lastBuildDate>Thu, 17 May 2012 09:45:04 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.3.2</generator>
		<item>
		<title>Gekozen burgemeester – daar is niet zoveel voor of tegen</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/16/gekozen-burgemeester-daar-is-niet-zoveel-voor-of-tegen/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/16/gekozen-burgemeester-daar-is-niet-zoveel-voor-of-tegen/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 16 May 2012 05:00:29 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Frank Hendriks</dc:creator>
				<category><![CDATA[Meespraak burgers]]></category>
		<category><![CDATA[Politiek]]></category>
		<category><![CDATA[bestuurskunde]]></category>
		<category><![CDATA[Casper Geurtz]]></category>
		<category><![CDATA[D'66]]></category>
		<category><![CDATA[democratie]]></category>
		<category><![CDATA[Europa]]></category>
		<category><![CDATA[Frank Hendriks]]></category>
		<category><![CDATA[gekozen burgemeester]]></category>
		<category><![CDATA[Montesqiueu]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7812</guid>
		<description><![CDATA[De gekozen burgemeester is terug! En &#8216;Europa&#8217; is weer een argument om deze hervorming te bepleiten. Volgens D66-Kamerlid Gerard Schouw zou Nederland inmiddels het enige land in Europa zijn waar de gekozen burgemeester nog níet is ingevoerd. Maar is het waar dat Nederland in Europa democratisch zo uit de pas loopt? En als dit zo [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>De gekozen burgemeester is terug! En &#8216;Europa&#8217; is weer een argument om deze hervorming te bepleiten. Volgens D66-Kamerlid <a href="http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2824/Politiek/article/detail/3242787/2012/04/19/D66-wil-weer-gekozen-burgemeester.dhtml">Gerard Schouw</a> zou Nederland inmiddels het enige land in Europa zijn waar de gekozen burgemeester nog níet is ingevoerd. Maar is het waar dat Nederland in Europa democratisch zo uit de pas loopt? </strong></p>
<p><span id="more-7812"></span></p>
<p>En als dit zo is, zelfs als dit maar enigermate zo is, moet dit dan als doorslaggevend argument worden gezien om de gekozen burgemeester ook in Nederland in te voeren? Hoe belangrijk is &#8216;keeping up with the Joneses&#8217; in Europa? Zijn er misschien andere goede redenen om het pad in de richting van de gekozen burgemeester te bewandelen? Wat zou er eigenlijk op tegen zijn? Zulke vragen moeten worden gesteld bij alle pogingen tot democratische vernieuwing, ook in Europees en vergelijkend perspectief.</p>
<p>Dat Nederland in de wijde omtrek het enige land zou zijn zonder gekozen burgemeester is een hardnekkige &#8216;urban legend&#8217;. Om de lachers op de hand te krijgen wordt vaak nog iets toegevoegd in de trant van &#8216;op Georgië na&#8230;&#8217; In het &#8216;Oxford Handbook of Local and Regional Democracy in Europe&#8217; hebben we het laten uitzoeken door auteurs uit alle 27 landen van de EU, plus Zwitserland en Noorwegen, en echt, er zijn meer landen zonder gekozen burgemeester.</p>
<h3>We komen nu al dichtbij de landen met een gekozen burgemeester</h3>
<p>In dezelfde categorie als Nederland &#8211; een benoemde burgemeester, formeel niet door de gemeenteraad gekozen, niet door de bevolking gekozen &#8211; bevinden zich ook democratisch fatsoenlijke landen als Zweden, Finland, België en Luxemburg. In het Verenigd Koninkrijk kan de bevolking sinds 2000 per referendum een gekozen burgemeester afdwingen, maar slechts twaalf gemeenten hebben dat tot op heden gedaan. Dat Londen een rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester heeft is natuurlijk wel indrukwekkend.</p>
<p>De waarheid gebiedt te zeggen dat de categorie waarin Nederland zit met zijn benoemde burgemeester wel de kleinste is van de drie die we hebben onderscheiden. De groep landen met een door de raad gekozen burgemeester is groter. Formeel hoort Nederland daar niet bij, maar feitelijk komen we daar wel heel dicht bij in de buurt, met onze door de raad voorgeselecteerde burgemeester. Veel landen doen ongeveer hetzelfde, maar dan zonder formeel sluitzegel van de kroon.</p>
<p>D66 zou ons het liefst zien aansluiten bij de derde groep landen, met een rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester. Dat zou pas echt een verandering inhouden. In deze groep bevinden zich nieuwe democratieën &#8211; Slovenië, Slowakije, Polen, Hongarije, Roemenië, Bulgarije -, gemankeerde democratieën als Cyprus en Griekenland, maar ook relatief vitale democratieën als Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk en Italië.</p>
<p>Bij veel van de genoemde landen kun je je afvragen of je daar per sé bij moet horen, maar bij Zwitserland en Duitsland ligt dat toch wat anders. Beide zijn redelijk innovatief en bovendien in sterke mate consensus-democratisch, net als Nederland. Het argument dat een gekozen burgemeester in een consensusdemocratie niet past wordt door deze landen gelogenstraft.</p>
<p>Vooral Duitsland is daarbij interessant, zo blijkt uit Tilburgs promotieonderzoek van Casper Geurtz. De zuidduitse deelstaten, die al langer een gekozen burgemeester hadden, hebben daar navolging gekregen van de noorderlijker deelstaten, die net zomin als hun zuiderlijker buren voor onoverkomelijke politieke problemen zijn komen te staan. Zelfs de gevreesde problematiek van de &#8216;cohabitation&#8217; &#8211; een lokale coalitie met een andere kleurstelling dan die van de gekozen burgemeester &#8211; blijkt reuze mee te vallen.</p>
<h3>Voordelen van gekozen burgemeester liggen niet voor het oprapen</h3>
<p>We hoeven de gekozen burgemeester niet enorm te vrezen, zo suggereert de ervaring in relatief sterk op Nederland gelijkende Duitse deelstaten als Noordrijn-Westfalen. Degenen die rampspoed voorspellen overdrijven schromelijk. Tegelijkertijd zien we dat de veronderstelde voordelen nu ook weer niet voor het oprapen liggen. Na een eerste en incidentele opleving zakt de verkiezingsopkomst doorgaans weer terug naar normaal.</p>
<p>Dat het vertrouwen in de (lokale) politiek door de gekozen burgemeester is toegenomen, is vooralsnog niet hard te maken met beschikbaar onderzoek. Voorstanders van de gekozen burgemeester zullen zeggen dat we gewoon nog niet alles weten. Maar wat we wel weten is dat de Nederlandse burgemeester juist één van de meest gerespecteerde publieke gezagsdragers is. Zou verkiezing daar iets aan toe- of afdoen?</p>
<h3>Gekozen burgemeester &#8211; er is ook niet zo veel op tegen</h3>
<p>Ach, die gekozen burgemeester! Er is niet zo veel op tegen. Maar er is ook niet zo veel dat er voor pleit. Zijn de beperkte baten de niet geringe kosten dan wel waard? Ik zou zeggen: alleen als de gekozen burgemeester niet als einddoel van lokale democratische vernieuwing wordt gezien &#8211; dat zou nogal eens kunnen tegenvallen -, maar als vehikel voor een veel breder proces van vernieuwing, waarbij de burgemeester slechts één van institutie is die meer leven in de lokale brouwerij moet brengen.</p>
<h4><em>Prof. Frank Hendriks (1966) is hoogleraar vergelijkende bestuurskunde en vakgroepsvoorzitter bij de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur, Universiteit van Tilburg. Deze bijdrage verscheen eerder op de website van het Montesquieu Instituut <a href="http://www.montesquieu-instituut.nl/"><span style="text-decoration: underline;">http://www.montesquieu-instituut.nl/</span></a></em></h4>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/16/gekozen-burgemeester-daar-is-niet-zoveel-voor-of-tegen/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Etnisch onderscheid: onontbeerlijk voor beleidsmakers</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/15/etnisch-onderscheid-onontbeerlijk-voor-beleidsmakers/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/15/etnisch-onderscheid-onontbeerlijk-voor-beleidsmakers/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 15 May 2012 08:02:12 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Arjen Verweij</dc:creator>
				<category><![CDATA[Etnisch registreren]]></category>
		<category><![CDATA[allochtoon]]></category>
		<category><![CDATA[Antillianen]]></category>
		<category><![CDATA[Arjen Verweij]]></category>
		<category><![CDATA[autochtoon]]></category>
		<category><![CDATA[banlieus]]></category>
		<category><![CDATA[ethnische categorisering]]></category>
		<category><![CDATA[Frankrijk]]></category>
		<category><![CDATA[ghetto's]]></category>
		<category><![CDATA[herkomstgegevens]]></category>
		<category><![CDATA[Jelle van der Meer]]></category>
		<category><![CDATA[jeugdwerkloosheid]]></category>
		<category><![CDATA[Marcel Ham]]></category>
		<category><![CDATA[Marokkanen]]></category>
		<category><![CDATA[nationaliteit]]></category>
		<category><![CDATA[Parijs]]></category>
		<category><![CDATA[RMO]]></category>
		<category><![CDATA[stigmatisering]]></category>
		<category><![CDATA[Surinamers]]></category>
		<category><![CDATA[Turken]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7804</guid>
		<description><![CDATA[De RMO adviseerde onlangs demissionair minister Leers om categorisering naar etniciteit af te schaffen. Arjen Verweij pleit voor het tegenovergestelde: om achterstanden te bestrijden en  onrechtmatigheden te kunnen vaststellen is en blijft etnische categorisering onontbeerlijk. In de buitenwijken van Parijs, de zogeheten banlieues wonen &#8211; althans volgens de officiële Franse statistieken &#8211; geen etnische minderheden [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a title="Etnisch onderscheid: onontbeerlijk voor beleidsmakers" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/15/etnisch-onderscheid-onontbeerlijk-voor-beleidsmakers/"><img class="alignleft size-full wp-image-7806" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Banlieu2.jpg" alt="" width="260" height="178" /></a>De RMO adviseerde onlangs demissionair minister Leers om categorisering naar etniciteit <a href="http://www.adviesorgaan-rmo.n/">af te schaffen</a>. Arjen Verweij pleit voor het tegenovergestelde: om achterstanden te bestrijden en  onrechtmatigheden te kunnen vaststellen is en blijft etnische categorisering onontbeerlijk.</strong></p>
<p><span id="more-7804"></span></p>
<p>In de buitenwijken van Parijs, de zogeheten banlieues wonen &#8211; althans volgens de officiële Franse statistieken &#8211; geen etnische minderheden of allochtonen. Frankrijk kent geen hoge werkloosheid of criminaliteit onder specifieke etnische groepen. Er bestaat ook geen discriminatie bij toetreding tot de arbeidsmarkt. Ten minste, op papier. Want Frankrijk registreert geen herkomstgroepen. In Frankrijk wonen slechts Fransen et <em>les étrangers. </em>Op basis van <em>nationaliteit</em> is het niet mogelijk om allochtone groepen te identificeren: die groepen hebben namelijk gewoon een Frans paspoort. Frankrijk is dus &#8211; op papier &#8211; het gedroomde land voor de RMO.</p>
<p>De werkelijkheid is natuurlijk volstrekt anders: de banlieues zijn échte<em> </em>ghetto’s, no-go-areas die we in Nederland niet hebben. De werkloosheid is er extreem hoog, evenals de criminaliteit. Er is sprake van een bedroevende leefbaarheid, zowel als het gaat om de kwaliteit van de woningen als om de kwaliteit van de woonomgeving. Er vindt red-lining plaats, dat wil zeggen dat mensen geen baan of lening krijgen als ze uit zo’n gebied afkomstig zijn. De bevolking bestaat er eerst en vooral uit niet-westerse allochtonen. En dat is ook precies het beeld dat er breed bestaat: de banlieues zijn ‘zwarte’ wijken met grote maatschappelijke problemen.</p>
<p>Dit Franse voorbeeld bewijst in mijn ogen dat stigmatisering op straat plaatsvindt, daar heb je geen statistiek voor nodig. Maar feiten en statistieken heb je wel nodig om misstanden aan de kaak te stellen, vooroordelen te weerleggen, beleid te ontwikkelen, bij te stellen en te evalueren.</p>
<h3>Geknoei met nationaliteit</h3>
<p>Etnische herkomstgegevens zoals we die nu in Nederland kennen (gebaseerd op geboorteland en geboorteland van de ouders) waren in de jaren tachtig nog niet gangbaar. Arbeidsvoorziening verzamelde bijvoorbeeld uitsluitend informatie over de nationaliteit van werkzoekenden en presenteerde vervolgens gegevens over aantallen ingeschreven en bemiddelde werkzoekenden van Surinaamse en Antilliaanse komaf, groepen die je op basis van nationaliteit niet kon (en kan) identificeren. Alle Antillianen hadden destijds immers per definitie de Nederlandse nationaliteit, terwijl dat  voor zo’n 95 procent van de Surinaamse bevolkingsgroep gold.</p>
<p>Men legde dus onder de variabele nationaliteit andere informatie vast die blijkbaar noodzakelijk was voor de uitvoering. De medewerkers van Arbeidsvoorziening vulden toentertijd de administratieve systemen met andere gegevens dan die er formeel gevraagd werden, namelijk nationaliteit. Sterker gezegd: er werd geknoeid en het was onduidelijk wat de inhoud van de variabele nu daadwerkelijk was. In ieder geval verschilde die inhoud per intaker of bemiddelaar. Gegevens waren kortom onbetrouwbaar en onnauwkeurig. Men verzamelde zogenoemde ‘gevoelige gegevens’ &#8211; want dat zijn herkomstgegevens volgens de wet &#8211; op onzorgvuldige wijze en legde die vast in persoonsregistraties.</p>
<p>Om hieraan een eind te maken is in het begin van de jaren negentig een standaard ontwikkeld om herkomst vast te stellen. Met inachtneming van de grenzen die het juridische kader bood koos men ervoor om geboortelandgegevens van de persoon in kwestie en van diens beide ouders te gebruiken als indicatoren voor de vaststelling van etnische herkomst. Dit soort gevoelige persoonsgegevens mochten slechts worden verzameld en vastgelegd wanneer dat voor de beleidsuitvoering nodig was.</p>
<h3>Negeren &#8211; maatschappelijke tweedeling en sociale instabiliteit</h3>
<p>Recentelijk las ik een notitie over jeugdwerkloosheid waarin een betrekkelijk geruststellend beeld van de hoogte van de jeugdwerkloosheid werd geschetst. De jeugdwerkloosheid bevindt zich namelijk weer op het langetermijn evenwicht van twee keer de gemiddelde werkloosheid. Dit wekt de suggestie dat er dus niets aan de hand is. De realiteit is anders: niet-westerse jongeren zijn twee tot drie maal vaker werkloos dan autochtone jongeren (Surinamers 2,7 keer meer; Turken 2,9 keer meer; Marokkanen 3,1 keer meer en Antillianen 3,5 keer meer). Als je dat combineert met het inzicht dat niet-westerse groepen ruimtelijk geconcentreerd wonen in de grote steden en daarbinnen in bepaalde (concentratie-)wijken, dan wordt duidelijk dat de maatschappelijke werkelijkheid helemaal niet zo geruststellend is. Werkloosheid concentreert zich sterk bij bepaalde bevolkingsgroepen en in bepaalde gebieden.</p>
<p>Als je dat niet ziet, of wilt zien, dan lost dat de problemen niet op. Sterker, het vergroot de problemen: op den duur levert het negeren van dit soort ontwikkelingen in de samenleving bedreigingen op in termen van maatschappelijke tweedeling, samenhang en wellicht zelfs sociale instabiliteit.</p>
<p>Ik ben daarom van mening dat etnische categorisering nodig is en nodig blijft: om achterstanden te bestrijden en om onrechtmatigheden (discriminatie) te kunnen vaststellen. Dit staat los van welk gevoerde beleid dan ook. Ongeacht of je je doelstellingen via specifieke of via generieke instrumenten wilt bereiken.</p>
<p>Bij specifiek beleid is het helder dat je dit soort stuurinformatie nodig hebt. Je streeft je beleidsdoel &#8211; integratie &#8211; na via beleid dat zich specifiek op de doelgroep van het beleid richt. Die doelgroep moet je dus zichtbaar kunnen maken. Maar ook een generieke aanpak &#8211; <em>mainstreaming</em> &#8211; vraagt informatie om vast te stellen of iedereen, ongeacht geslacht, leeftijdscategorie of etnische herkomst wel profijt heeft van het gevoerde beleid en of iedereen wel in voldoende mate wordt bereikt. Bovendien veranderen niet de doelen van het beleid, maar alleen de manier waarop die doelen worden nagestreefd. Om vast te kunnen stellen of je je beleidsdoel (integratie, participatie) realiseert, is nog steeds adequate beleidsinformatie nodig. Daarom dient men achtergrondgegevens als geslacht, leeftijd én geboorteland te verzamelen. Dat is de plicht van de overheid als zij serieus beleid voert en zich wil laten afrekenen op haar resultaten.</p>
<h3>Mensen zelf laten kiezen waar ze bij horen werkt niet</h3>
<p>Om bruikbaar te kunnen zijn dient die informatie ook van goede kwaliteit te zijn, neutraal en objectief dus. Mensen zelf laten kiezen waar ze bij willen horen (zoals bijvoorbeeld <a href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/04/03/zet-die-etnische-bril-toch-af/">Ham en van der Meer</a> bepleiten) lijkt misschien sympathiek, maar het werkt niet. Niet als een evenredige maatschappelijke positie het beleidsdoel is en zelfidentificatie (het antwoord op de vraag tot welke categorie iemand zich rekent) tot selectiviteit leidt.</p>
<p>Als je mijn moeder, die binnenkort tachtig wordt, vraagt tot welke leeftijdscategorie ze zichzelf rekent, zal ze vol overtuiging en buitengewoon blijmoedig antwoorden ‘tot de jeugdigen’, en dat meent ze ook. Best schattig, maar als basis voor beleid is die informatie niet de meest geschikte, om het maar eens eufemistisch uit te drukken. Dan is geboortejaar toch betekenisvoller.</p>
<p>Iets soortgelijks geldt bij herkomst: als beter geïntegreerde allochtonen zich eerder als autochtoon identificeren en als een evenredige participatie het beleidsdoel is, zal je per definitie je doel nooit halen. Concreet betekent dit dat als hoger opgeleide allochtonen zich als autochtoon en lager opgeleiden (en drop- outs) zich als allochtoon identificeren de onderwijsachterstand van allochtonen per definitie blijft voortbestaan (de ‘succesvollen’ tellen immers mee als autochtoon). Met dat soort informatie is niemand gebaat: het beleid niet, maar de groepen die het betreft zelf zeker ook niet. Onderzoek in het begin van de jaren negentig toonde aan dat dit soort mechanismen zich daadwerkelijk voordeden.<a title="" href="#_edn1">[i]</a></p>
<h3>Etnische categorisering maakt achterstanden zichtbaar</h3>
<p>Mijn standpunt is helder: om scherp te kunnen zien heb je een goede bril nodig. Als je die etnische bril weggooit, levert dat slechts een mistig beeld op en daar ontwikkel je geen adequaat beleid mee. En ook de maatschappelijke werkelijkheid is er niet mee gediend: achterstanden en problemen blijven onzichtbaar</p>
<p>Etnische identificatie en categorisering zijn geen doel op zich maar een middel om de samenleving via statistieken inzichtelijk te maken en als basis te gebruiken voor ontwikkeling, bijstelling en evaluatie van beleid.</p>
<p>Eén en ander laat onverlet dat herkomst geen allesbepalende factor is of meer is, maar slechts één van de relevante kenmerken. In een superdiverse samenleving, waarin Marokkaanse havo-meiden meer overeenkomst hebben en voelen met autochtone havo-meiden dan met hun Marokkaanse grootmoeders, verliezen eendimensionale indelingen zoals etnische herkomst, geslacht en leeftijd hun betekenis. Ze blijven echter als achtergrondkenmerken onmisbaar.</p>
<p>Als we de etnische identificatie en classificatie &#8211; de etnische bril &#8211; zouden afschaffen, zijn feitelijke achterstanden van etnische groepen niet langer zichtbaar, is achterstelling niet meer vast te stellen en wordt onderzoek naar de maatschappelijke positie, de ontwikkeling in de tijd daarin en naar bijvoorbeeld voorkeuren onmogelijk. En daar is niemand mee gebaat: het beleid niet, wetenschap en kennis niet, de Nederlandse samenleving als geheel niet en zeker ook de afzonderlijke etnische groepen zelf niet. Jeugdwerkloosheid los je ook niet op door leeftijd niet langer te registreren.</p>
<h4><em>Arjen Verweij publiceerde over etnische identificatie en classificatie ( onder andere Rob Bijl &amp; Arjen Verweij, 2012 ,<a href="http://www.scp.nl/english/content.jsp?objectid=28297" target="_blank"> Measuring and monitoring immigrant integration in Europa</a>, Den Haag: SCP). Hij is momenteel adviseur onderzoek en kennis bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit artikel is gebaseerd op het co-referaat dat hij uitsprak tijdens een discussiebijeenkomst over de publicatie ‘De etnische Bril’ van Marcel Ham en Jelle van der Meer.</em></h4>
<p><em> </em></p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
<div>
<div>
<p><a title="" href="#_ednref1"><em><strong>[i]</strong></em></a><em> </em><em>Zie bijvoorbeeld: A.O. Verweij en Th. Roelandt, 1991, Identificatie van allochtonen, een haalbaarheidsanalyse, Rotterdam en A.O. Verweij, 1997, Vaststelling van etnische herkomst in Nederland, Rotterdam.</em></p>
</div>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/15/etnisch-onderscheid-onontbeerlijk-voor-beleidsmakers/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Sociaal werkers moeten niet therapeutiseren</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/13/toekomst-van-het-sociaal-werk/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/13/toekomst-van-het-sociaal-werk/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 13 May 2012 05:00:34 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Hans van Ewijk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Social Work]]></category>
		<category><![CDATA[Antonovsky]]></category>
		<category><![CDATA[gerichtheid op de ander]]></category>
		<category><![CDATA[Hans van Ewijk]]></category>
		<category><![CDATA[Marx]]></category>
		<category><![CDATA[Sense of Coherence]]></category>
		<category><![CDATA[sociaal werk]]></category>
		<category><![CDATA[sociale professionals]]></category>
		<category><![CDATA[socialiseren]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7763</guid>
		<description><![CDATA[De moderne samenleving stelt andere eisen aan burgers én dus ook aan de rol van sociaal werk. Sociaal werkers moeten niet therapeutiseren, medicaliseren of onderwijzen, maar socialiseren. Een pleidooi van Hans van Ewijk voor een pragmatische aanpak van sociaal werk, met een sense of coherence. Afkomst en persoonlijke kenmerken bepaalden lang onze maatschappelijke rol en [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a title="Sociaal werkers moeten niet therapeutiseren" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/13/toekomst-van-het-sociaal-werk/"><img class="alignleft size-full wp-image-7764" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/loveemergency2.jpg" alt="" width="240" height="188" /></a>De moderne samenleving stelt andere eisen aan burgers én dus ook aan de rol van sociaal werk. Sociaal werkers moeten niet therapeutiseren, medicaliseren of onderwijzen, maar socialiseren. Een pleidooi van Hans van Ewijk voor een pragmatische aanpak van sociaal werk, met een <em>sense of coherence</em>.</strong></p>
<p><span id="more-7763"></span></p>
<p>Afkomst en persoonlijke kenmerken bepaalden lang onze maatschappelijke rol en positie. Wij leven echter niet meer in een plaatsgevende, maar in een plaatszoekende samenleving. We krijgen geen plaats toebedeeld, maar moeten onszelf positioneren. We moeten onszelf kunnen verkopen. Niet alleen op de arbeidsmarkt, zoals Marx betoogde, maar ook in het sociale domein moeten we vechten voor een eigen plek, onze eigen weg kiezen en ons leven zin geven. Dat zet het leven onder druk.</p>
<p>Met deze verschuiving is ook de focus en het terrein van het sociaal werk en onderzoek gewijzigd. We denken niet langer in termen van achterstanden en stoornissen, van ‘toestanden’, maar in termen van sociaal gedrag en sociale verhoudingen (van Ewijk, 2010).</p>
<h3>Sociaal werk gaat over socialiseren</h3>
<p>‘Sociaal werk’ wordt meestal gebruikt om het geheel van verschillende sociale beroepen en functies aan te duiden. Wat al die specialisaties gemeen hebben, blijft echter vaag. In definities en omschrijvingen wordt de kracht van het vak in waarden (zoals bevrijding) uitgedrukt en is sociaal werk vooral dienstverlenend van aard. Het wordt tijd dat we sociaal werk van een stevige wetenschappelijk basis voorzien en duidelijk positioneren en profileren.</p>
<p>Mijn voorstel luidt om‘het bevorderen van sociaal functioneren’ te benoemen als de kern van het sociaal werk. Want sociaal werkers therapeutiseren niet, medicaliseren niet, onderwijzen niet, maar socialiseren. We willen vermijden om mensen naar hun toestand – achterstand, beperking of stoornis – in te delen en zo het menselijk geheel uiteen te rafelen in specialismes, methodieken en eenzijdige diagnoses. De kern van het werk ligt juist in de complexiteit van de samenleving, het probleem van deze tijd. Het gaat erom mensen, met onze kennis en persoonlijkheid, te helpen om met die dagelijkse complexiteit om te gaan, om hun leven leefbaar en dragelijk te maken. Wij kijken haast van dag tot dag naar wat nú de urgentie is, wat nu de mogelijkheden zijn en wie nu degenen zijn die iets kunnen doen.</p>
<p>Daarmee staat het perspectief van sociaal werk haaks op dat van behandelaars, die zoeken naar eenduidige diagnoses om van daaruit tot effectieve oplossingen te komen en bewezen methodieken.</p>
<h3>Het gevoel van samenhang</h3>
<p>Bij sociaal werk gaat het niet om behandelen, maar om begeleiden. Het draait om de kwaliteit van leven. Die heeft te maken met, in termen van Antonovsky, een S<em>ense of Coherence</em>. Dit gevoel van een samenhang in jezelf en in de wereld om je heen, heeft te maken met het begrijpen van – en het grip hebben op &#8211; de eigen situatie. Het gaat dus ook om zelfwerkzaamheid, het vermogen om constructief aan je wereld en jezelf te werken, om een plek en drive te vinden. Ook heeft de <em>Sense of Coherence</em> te maken met zingeving. Mét een geloofssysteem is het makkelijker functioneren: geloof geeft houvast en verbindt mensen.</p>
<p>Sociaal werk ontkomt niet aan de vraag hoe we bij kunnen dragen aan dat gevoel van samenhang, die zelfwerkzaamheid en zingeving. Daar, en in de interactie met de directe omgeving, ligt het aangrijpingspunt van ons werk. Daar ligt ook het actuele probleem van de welvaartssamenleving.</p>
<p>Ons werk was van huis uit heel pragmatisch en dichtbij de mensen. We hielpen met materiële en immateriële problemen, met opvoedings- en levensproblemen. Later raakten we in de ban van de politiek, van emancipatie en bevrijding. Ook hebben we de oren laten hangen naar specialisering en therapeutisering. Ik denk en hoop dat we weer naar de oorsprong teruggaan, naar pragmatische hulp maar geworteld in een S<em>ense of Coherence</em>. Een beetje filosofie en aardse theologie terug in ons werk.</p>
<h3>Goed sociaal werk</h3>
<p>Onderzoek ten behoeve van sociaal werk zou moeten bijdragen aan <em>goed</em> sociaal werk: technisch goed, moreel goed en esthetisch goed. Deze drie zijn nooit helemaal te scheiden. Instrumenteel technisch handelen betreft altijd het verdelen van schaarse tijd over meerdere gevallen: hoe je die tijd verdeelt, is een morele afweging. Als je moet besluiten over het wel of niet opnemen van iemand, is dat niet alleen een lastig moreel besluit maar ook een kwestie van risico-inschatting. En de vraag naar goede smaak, de juiste omgangsvormen, een fijnzinnig invoelen en aanvoelen is voor een deel vakmanschap, maar heeft ook te maken met gevoel voor het schone, het mooie.</p>
<h3> Open gericht op de ander</h3>
<p>De basishouding van de sociaal werker is het &#8211; zo intens en open mogelijk &#8211; gericht zijn op de ander. We vinden de meeste expliciete en impliciete kennis bij de burger zelf. Dat uitgangspunt moet ook de richting van sociaal onderzoek bepalen. Hoe kunnen sociaal werkers mensen steunen om zinvol en zelfwerkzaam om te gaan met complexiteit, zonder dat professionals als passanten ervaren worden?</p>
<p>Burgers hebben vaak het gevoel dat hun problemen bepaald en besproken worden in de burelen van de overheid en instituties. Ze worden overladen met goedbedoelde projecten en intenties, met steeds weer die boodschap dat zij, de burgers, niet deugen, te dik zijn, te weinig doen om werk te vinden, geen onderlinge zorg leveren, geen aandacht hebben voor de omgeving, discrimineren, te hard rijden, geen tijd voor hun kinderen nemen, te depressief zijn of te autistisch en bijna als gotspe dat ze te afhankelijk zijn. Een mooie uitspraak van een Marokkaanse jongen: ‘Iedereen kijkt naar ons, maar niemand kijkt ons aan’. In één zin het samenlevingsprobleem in essentie gepakt.</p>
<h3>Toekomst van het sociaal werk</h3>
<p>Het wordt tijd dat sociaal werk zich zelfstandig positioneert en profileert en zich op gelijkwaardig niveau verbindt met andere professionals. Dit vraagt zowel om een wetenschappelijke verankering van het vak. En als in de strijd op het nieuwe speelveld op lokaal niveau waar nieuwe wetgeving in de jeugdzorg, awbz, werk en inkomen en onderwijs vragen om integrale werkwijzen en brede basisprofessionals.</p>
<p>In het nieuwe lokale speelveld komt het er op aan hoe het sociaal werk zich positioneert, profileert en met wie het zich verbindt. Sociaal werk is er om mensen te ondersteunen om hun leven dragelijk te houden, door zoveel mogelijk gebruik te maken van de kennis, verlangens en mogelijkheden van de betrokkene en zijn directe omgeving. Goed sociaal werk draagt bij aan leefbaarheid en voorkomt de noodzaak van gespecialiseerde en therapeutische hulp.</p>
<p>De kern van sociaal werk ligt eerder in sociaal functioneren dan in therapeutiseren en emanciperen;  eerder in begeleiden dan in behandelen, eerder in leefbaarheid dan heelbaarheid, in verbindingen eerder dan verrichtingen, in ongelijke behandeling eerder dan gelijke behandeling. Dit past in het streven om van tweede lijn naar frontlinie te gaan en van professional naar burger.</p>
<h4><em>Hans van Ewijk was tot maart 2012 Lector Sociaal beleid, Innovatie en Beroepsontwikkeling aan de Hogeschool Utrecht. Hij is als bijzonder hoogleraar verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek waar hij zich richt zich op de grondslagen van het maatschappelijk werk. Sinds 2006 is hij gasthoogleraar bij de Tartu Universiteit in Estland. </em></h4>
<p>&nbsp;</p>
<h4><em>Dit artikel is een bewerking van de afscheidsrede van Hans van Ewijk als Lector aan de Hogeschool Utrecht. Bij zijn afscheid verscheen het gelijknamige boek <a href="http://www.boomlemma.nl/mens-en-maatschappij/catalogus/samenleven-is-geen-privezaak-1#" target="_blank">&#8216;Samenleven is geen privézaak. Sociaal werk en actief burgerschap&#8217;</a>.</em></h4>
<p>&nbsp;</p>
<h3>Bronnen:</h3>
<p>Ewijk, H. van, 2010. Maatschappelijk werk in een sociaal gevoelige tijd. Amsterdam: SWP/ HumanisticsUniverity Press.</p>
<p>Hsao, 2008. Vele takken, één stam. Kader voor de hogere sociaal-agogische opleidingen.Amsterdam: SWP.</p>
<p>International Federation of SocialWorkers, 2012. <a href="http://www.ifsw.org">http://www.ifsw.org</a></p>
<p>Payne, M., 2005. Modern SocialWorkTheory, 3rd  edition, Houndsmill, Bassingstoke, New_York: PalgraveMacmillan.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/13/toekomst-van-het-sociaal-werk/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Voeg opleidingen sociaal werk wèl samen</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/11/voeg-opleidingen-sociaal-werk-wel-samen/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/11/voeg-opleidingen-sociaal-werk-wel-samen/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 11 May 2012 05:00:36 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Lilian Linders</dc:creator>
				<category><![CDATA[Onderwijs]]></category>
		<category><![CDATA[Ard Sprinkhuizen]]></category>
		<category><![CDATA[brede basisopleiding]]></category>
		<category><![CDATA[CMV]]></category>
		<category><![CDATA[Ellen Hommel]]></category>
		<category><![CDATA[FHSS]]></category>
		<category><![CDATA[Fontys Hogeschool]]></category>
		<category><![CDATA[Hogeschool Amsterdam]]></category>
		<category><![CDATA[Jeroen Gradener]]></category>
		<category><![CDATA[Joyce van der Putten]]></category>
		<category><![CDATA[Lilian Linders]]></category>
		<category><![CDATA[Margot Scholte]]></category>
		<category><![CDATA[MOVISIE]]></category>
		<category><![CDATA[MWD]]></category>
		<category><![CDATA[samenvoegen opleidingen]]></category>
		<category><![CDATA[sociaal werk]]></category>
		<category><![CDATA[Social Work]]></category>
		<category><![CDATA[SPH]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7738</guid>
		<description><![CDATA[In hun kritiek op het pleidooi van lector Margot Scholte en associate-lector Ard Sprinkhuizen (Hogeschool InHolland) voor een brede basisopleiding Social Work maken Jeroen Gradener en Ellen Hommel zich schuldig aan versimpeling. Hun flinterdunne argumenten getuigen van weinig inhoudelijke visie. Gradener en Hommel, beiden verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam,  kanten zich in hun artikel tegen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a title="Voeg opleidingen sociaal werk wèl samen" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/11/voeg-opleidingen-sociaal-werk-wel-samen/"><img class="alignleft size-full wp-image-7739" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Fontyslogo.jpg" alt="" width="240" height="169" /></a>In hun kritiek op het pleidooi van lector Margot Scholte en associate-lector Ard Sprinkhuizen (Hogeschool InHolland) voor een brede basisopleiding Social Work maken <a title="Voeg opleidingen Sociaal Werk niet samen" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/03/23/samenvoeging-opleidingen-sociaal-werk-is-onhaalbare-kaart/">Jeroen Gradener en Ellen Hommel</a> zich schuldig aan versimpeling. Hun flinterdunne argumenten getuigen van weinig inhoudelijke visie.</strong></p>
<p><span id="more-7738"></span></p>
<p>Gradener en Hommel, beiden verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam,  kanten zich in hun artikel tegen het pleidooi voor één brede basisopleiding <em>Social Work.</em> Volgens de auteurs komt het voorstel van &#8216;mensen die op enige afstand staan van opleiding en beroepspraktijk&#8217; en verengt het sociaal werk tot een ouderwets soort maatschappelijk werk een klassiek opbouwwerk. Dat zou een onterechte versimpeling zijn van de complexe beroepspraktijk. Daarnaast zijn Gradener en Hommel het oneens met de stelling dat de huidige professionals te specialistisch opgeleid zouden zijn als gevolg van de neiging van de opleidingen om hun &#8216;oren te laten hangen naar de wensenlijstjes van het werkveld.&#8217; Het empirisch bewijs daarvoor ontbreekt volgens hen.</p>
<h3>Aantal kwetsbaren in buurt en wijk neemt almaar toe</h3>
<p>Onze belangrijkste kritiek op het artikel van Gradener en Hommel is dat zij voorbij gaan aan de enorme veranderingen in de samenleving. En juist die veranderingen hebben eraan bijdragen dat het werkterrein van de opleidingen Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH), Culturele en Maatschappelijke Vorming (CMV) en Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD) naar elkaar zijn toegegroeid.</p>
<p>Anders gezegd: door de vermaatschappelijking van de zorg komen steeds meer kwetsbare mensen uit instellingen in de buurt of de wijk terecht. Ging het aanvankelijk vooral om psychiatrische patiënten, later betrof het ook mensen met verstandelijke en lichamelijke beperkingen. Naar verwachting zal het aantal kwetsbaren in de buurt of wijk straks nog verder toenemen door het gedeeltelijk wegvallen van de ondersteunende begeleiding en de komende wijzigingen in de jeugdzorg en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</p>
<p>Deze ontwikkelingen leiden tot het geleidelijk verdwijnen van het specifieke domein van de sociale professional: zijn werkterrein, zowel die van de maatschappelijk werker als de opbouwwerker en de sociaal-pedagogische hulpverlener, verschuift naar de wijk. Zelfs waar cliënten residentieel worden behandeld, is het stimuleren van zelfredzaamheid en het betrekken van de omgeving een deel van het behandelprotocol geworden. Bij de sectoren waar dat niet of weinig gebeurt (bijvoorbeeld bij de verzorging van mensen met ernstige verstandelijke beperkingen) moeten we ons afvragen of we daar onze sociaal-agogische HBO-professional nog voor opleiden.</p>
<h3>Wel een opdracht om sociale kwetsbaarheid terug te dringen</h3>
<p>Gradener en Hommel zeggen dat de Scholte en Sprinkhuizen een denkfout maken omdat ‘ze het sociaal werk verengen tot een ouderwets soort maatschappelijk werk en een klassiek opbouwwerk’. Daarmee zouden ze ‘de schijn wekken dat sociaal werk als belangrijkste opdracht heeft sociale kwetsbaarheid terug te dringen’.</p>
<p>Wij vinden het naïef om te denken dat sociaal werk <em>niet </em>als opdracht heeft sociale kwetsbaarheid terug te dringen. Gezien de bezuinigingen op de verzorgingsstaat is het ons inziens ondenkbaar dat professionals zich beperken tot het ondersteunen en activeren van bewoners. De ondernemende en verbindende competenties van de klassieke opbouwwerker zijn hard nodig bij het organiseren van informele sociale steun aan de kwetsbare buurt of wijkbewoner. De SPH’er en MWD’er kunnen in dat opzicht nog heel wat leren van de klassieke opbouwwerker. Dit is trouwens een extra argument om SPH, MWD en CMV met elkaar te integreren.</p>
<h3>Samenvoegen van opleidingen ligt voor de hand</h3>
<p>Gradener en Hommel hebben gelijk als ze stellen dat HBO’s <em>beginnende </em>professionals opleiden. Bedoelen ze daar soms mee te zeggen dat we niet te hoge eisen deze beroepsgroep mogen stellen?</p>
<p>De praktijk brengt complexe situaties en dilemma’s met zich mee en vraagt om professionals die hun hersenen, creativiteit, beoordelingsvermogen, verantwoordelijkheidsgevoel en levenservaring inzetten. Dat kunnen we nauwelijks simpel en oppervlakkig noemen toch? Om te ‘groeien’ in deze complexe wereld, kunnen we onze studenten wel instrueren om ‘ervan te leren’, zodat ze niet klakkeloos kennis en vaardigheden overnemen maar leren om hun eigen leerproces vorm te geven.</p>
<p>Onze opleiding Fontys Hogeschool Sociale Studies (FHSS) start vanaf het schooljaar 2012-2013 met de brede bachelor of Social Work. Daarbij zijn CMV, MWD en SPH  samengevoegd tot één opleiding. Het curriculum is ontwikkeld in samenspraak met het werkveld en geniet een breed draagvlak bij de docenten. Uit gesprekken met het werkveld blijkt dat de sector bij het aannemen van afgestudeerde professionals vooral kijkt naar de kenmerken van een student, waarbij persoonlijkheid, lerend vermogend en kennisniveau een grotere rol spelen dan de gekozen studierichting.</p>
<h3>Samenvoegen opleidingen voor de hand</h3>
<p>Onze ervaring is dat het samenvoegen van onderwijsprogramma’s tamelijk voor de hand liggend is. We hebben de curricula van de specifieke opleidingen naast elkaar gelegd en konden na zorgvuldige analyse vaststellen dat CMV, SPH en MWD voor 80 procent uit dezelfde vakken bestaan. Waar de gelijkluidende vakken vooral van elkaar verschillen is in de toepassing in de praktijk.</p>
<p>Het nogal gemakkelijke argument van Gradener en Hommel dat zo’n samenvoeging van opleidingen nauwelijks duurzaam te vertalen blijkt naar een breed opleidingsprofiel omdat die er ‘anders wel was geweest’ houdt hiermee geen stand. Ofschoon de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die duurzaamheid natuurlijk nog wel bewezen moet worden.</p>
<p>Anders dan Gradener en Hommel stellen is er wel degelijk een aantoonbare behoefte aan breed inzetbare mensen. En als er wel behoefte is aan specialisering, dan vraagt het werkveld juist een scherpere profilering dan de huidige drie opleidingen bieden. Daarom bieden wij vanuit een generieke basis studenten de mogelijkheid om te kiezen voor een viertal uitstroomprofielen: de GGZ agoog, de Maatschappelijk Werker, de Licht Verstandelijk Gehandicaptenwerker en de Jeugdzorgwerker.</p>
<p>Resumerend: het pleidooi van Scholte en Sprinkhuizen voor een generieke opleiding Sociaal Werk blijft recht overeind en de flinterdunne tegenargumenten van Gradener en Hommel getuigen meer van ‘hakken in het zand’ dan van een inhoudelijke visie.</p>
<h4><em>Lilian Linders is associate lector bij Fontys Hogeschool Sociale Studies in Eindhoven en voorzitter van de onderwijscommissie. In die laatste hoedanigheid is zij verantwoordelijk voor de onderwijsontwikkeling.</em></h4>
<h4><em>Joyce van der Putten is onderwijswetenschapper en teamleider van het huidige SPH-team. Zij is nauw betrokken bij de curriculumopbouw van Sociale Studies. </em></h4>
<p>&nbsp;</p>
<h3><strong>Bronnen:</strong></h3>
<p>Landelijk opleidingsoverleg CMV. (2009). <em>Alert en Ondernemend 2.0. Opleidingsprofiel Culturele en Maatschappelijke Vorming</em>. Amsterdam: SWP.</p>
<p>Landelijk opleidingsoverleg MWD. (2009). <em>Herkenbaar en toekomstgericht 2.0. Landelijk opleidingsprofiel voor de HBO bacheloropleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening </em>Amsterdam: SWP.</p>
<p>Landelijk Opleidingsoverleg SPH. (2009). <em>De creatieve professional — met afstand het meest nabij. Opleidingsprofiel en opleidingskwalificaties Sociaal Pedagogische Hulpverlening </em>Amsterdam: SWP.</p>
<p>Vlaar, P., Van Hattum, M., Van Dam, C., &amp; Broeken, R. (2006). <em>Klaar voor de toekomst. Een nieuwe beroepenstructuur voor de branches welzijn en maatschappelijke dienstverlening, gehandicaptenzorg, jeugdzorg en kinderopvang</em>.Utrecht: NIZW.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/11/voeg-opleidingen-sociaal-werk-wel-samen/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Gemeenten kunnen kwetsbaren beter steunen</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/10/lokaal-maatwerk-voor-kwetsbare-jonge-mensen-2/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/10/lokaal-maatwerk-voor-kwetsbare-jonge-mensen-2/#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 10 May 2012 09:18:47 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Rogier den Uyl</dc:creator>
				<category><![CDATA[Gezondheidszorg]]></category>
		<category><![CDATA[Participatie: hoe doe je dat?]]></category>
		<category><![CDATA[arbeidsmarkt]]></category>
		<category><![CDATA[AWBZ]]></category>
		<category><![CDATA[bestuurders]]></category>
		<category><![CDATA[bezuiniging]]></category>
		<category><![CDATA[buurtwerk]]></category>
		<category><![CDATA[decentralisatie]]></category>
		<category><![CDATA[G32]]></category>
		<category><![CDATA[gemeenten]]></category>
		<category><![CDATA[jeugdzorg]]></category>
		<category><![CDATA[KING]]></category>
		<category><![CDATA[korting]]></category>
		<category><![CDATA[licht verstandelijke handicap]]></category>
		<category><![CDATA[lokaal maatwerk]]></category>
		<category><![CDATA[LVG]]></category>
		<category><![CDATA[Pdsp]]></category>
		<category><![CDATA[professionals]]></category>
		<category><![CDATA[Rogier den Uyl]]></category>
		<category><![CDATA[sociale werkvoorziening]]></category>
		<category><![CDATA[Tof Thissen]]></category>
		<category><![CDATA[VNG]]></category>
		<category><![CDATA[Wajong]]></category>
		<category><![CDATA[Wet Werken Naar Vermogen]]></category>
		<category><![CDATA[WWNV]]></category>
		<category><![CDATA[Zorg en Welzijn]]></category>
		<category><![CDATA[zorgaanbieders]]></category>
		<category><![CDATA[zwakbegaafd]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7723</guid>
		<description><![CDATA[Gemeenten staan aan de vooravond van drie decentralisaties, daar verandert de val van het kabinet niets aan. Dat is een kans op een minder versnipperde en bureaucratische aanpak –en het kan ook nog eens goedkoper, betogen Rogier den Uyl en Tof Thissen aan de hand van de casus ‘Edgar’. Edgar (21) heeft een verstandelijke handicap. [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a title="Lokaal maatwerk voor kwetsbare (jonge) mensen" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/10/lokaal-maatwerk-voor-kwetsbare-jonge-mensen-2/"><img class="alignleft size-full wp-image-7724" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Soepkip.jpg" alt="" width="240" height="159" /></a>Gemeenten staan aan de vooravond van drie decentralisaties, daar verandert de val van het kabinet niets aan. Dat is een kans op een minder versnipperde en bureaucratische aanpak –en het kan ook nog eens goedkoper, betogen Rogier den Uyl en Tof Thissen aan de hand van de casus ‘Edgar’.</strong></p>
<h3><span id="more-7723"></span></h3>
<p>Edgar (21) heeft een verstandelijke handicap. Hij heeft een IQ van 63 en woonde sinds zijn vierde levensjaar op zestien verschillende locaties. De lijst van ondersteuning om hem heen is lang. Van speciaal onderwijs, leerlingenvervoer tot rechtbankzittingen over ondertoezichtstelling, gezinsvoogdij, (crisis)pleegzorg en intramuraal verblijf in diverse centra voor licht verstandelijk gehandicapten. En, Edgar heeft een curator sinds hij meerderjarig is.<strong></strong></p>
<p>Edgar komt uit een zogenaamd multiproblemgezin. Zijn vader is een 45-jarige zwakbegaafde man met ernstige angsten voor lichamelijke kwalen. Hij krijgt een AWBZ-indicatie: vier uur per week individuele begeleiding en drie dagen per week groepsbegeleiding. De moeder van Edgar heeft soms epileptische aanvallen. Ze werkt bij een sw-bedrijf, maar zou graag gedetacheerd worden bij een regulier bedrijf. Het grootste verdriet van Edgars ouders is dat ze niet voor hun zoon hebben kunnen zorgen. Er was vanaf het begin sprake van verwaarlozing.<strong></strong></p>
<p>Al met al heeft Edgar niet zo’n gelukkige jeugd gehad. Ook heeft hij de samenleving veel geld gekost: zo&#8217;n  €1,6 miljoen. Daarin zijn nog niet de kosten verwerkt van de Wajong-uitkering noch de kosten voor de woonvoorziening die er sinds een jaar of vier zijn.<strong></strong></p>
<p>Maar had de ondersteuning aan Edgar niet beter, efficiënter en goedkoper gekund? Die vraag dringt zich op bij gemeenten. Ze worden namelijk verantwoordelijk voor vrijwel de volledige ondersteuning aan kwetsbare (jonge) mensen. Mensen kloppen dan niet alleen op het gebied van werk en inkomen en voor maatschappelijke ondersteuning bij gemeenten aan. Ook de jeugdzorg, de begeleiding/dagbesteding uit de AWBZ en de Wajong via de Wet werken naar vermogen (Wwnv, inclusief de hervorming van de sociale werkvoorziening) komen naar de gemeenten.<strong><br />
</strong></p>
<h3></h3>
<h3>Meer taken en verantwoordelijkheden</h3>
<h3></h3>
<p>Meer taken en meer verantwoordelijkheden voor gemeenten, maar ook minder geld. De decentralisaties betekenen weliswaar een forse vermeerdering van financiële middelen. Opgeteld gaat het om ruim 8 miljard euro per jaar aan extra geld; bijna de helft van het gemeentefonds van 17 miljard euro per jaar. Maar de decentralisaties gaan ook gepaard met stevige bezuinigingen vanuit de rijksoverheid. Zoals de efficiencykorting op het totale jeugddomein van 80 miljoen euro in 2015 oplopend tot 300 miljoen euro in 2017. <strong></strong></p>
<p>Daarnaast is er sprake van een korting op de AWBZ van circa 140 miljoen euro vanaf 2014. Deze korting komt bovenop de bezuiniging van 800 miljoen op begeleiding uit 2009. En besparingen van respectievelijk 400 miljoen op het re-integratiebudget (Wwnv), mogelijk nog altijd miljoenen op de sociale werkvoorziening. En ga zo maar door.<strong></strong></p>
<p>De drie decentralisaties zijn geen gemakkelijke opgave, zoveel is duidelijk. Maar ze vormen ook een kans. Een kans om een lokale ondersteunende aanpak te ontwikkelen die minder versnipperd en bureaucratisch is. Een aanpak die (jonge) mensen eerder, beter en sneller hulp en/of ondersteuning biedt. Zonder schotten tussen de geldstromen, zonder afstemmingsproblemen tussen verschillende overheden en hun uitvoeringsorganisaties. En zonder gefragmenteerde kijk en overdrachtsmomenten. In die aanpak bestaan er goede verbindingen tussen voor- en vroegschoolse opvang, basisonderwijs, jeugd-, buurtwerk, leerplicht, jeugdzorg en (beroeps)opleidingen en arbeidsmarkt.<strong><br />
</strong></p>
<h3>Lokaal maatwerk</h3>
<p>Lokaal maatwerk staat in die aanpak voorop. De overheid hanteert traditioneel een werkwijze om bij maatschappelijke problemen een wet te maken. Vervolgens regelt ze daar financiering voor en ontstaan er uitvoeringsorganisaties. Bij ieder gezinsdrama of schrijnende situatie bouwt de overheid een steeds verdergaande bureaucratie van schijnzekerheid – doorspekt met protocollen, uitvoeringsregels en controle- en verantwoordingsmechanismen. Probleem van deze werkwijze is dat bij de ondersteuning aan burgers met meervoudige problemen tegen allerlei ‘schotten’ wordt aangelopen. Er komen twintig hulpverleners bij één gezin.<strong></strong></p>
<p>Er is ook een andere weg mogelijk. Om te beginnen investeren in de kracht van burgers en de samenleving. Bijvoorbeeld door burgerinitiatieven zoals maatjes, buurthulp en lotgenotennetwerken te ondersteunen, evenals vrijwilligerswerk, sportverenigingen en bedrijven die bijdragen aan het leven van kwetsbare medeburgers. Daarnaast zijn er goede basisvoorzieningen zoals scholen, kinderopvang en consultatiebureaus. De ondersteunende aanpak zet bovendien sterk in op preventie: sport, bewegen en bevorderen van ontmoeting. Daarmee wordt een deel van de ondersteuningsbehoefte opgevangen. Dit is niet vrijblijvend. De gemeenten spreken mensen met een uitkering aan om wat terug te doen voor de samenleving; bedrijven spreken ze aan via social return. Laat als bedrijf zien, werklozen aan te willen nemen, als je zaken wilt doen met de gemeente.<strong></strong></p>
<p>Investeren in de burgers en samenleving is een begin. Maar er kan nog veel meer.<strong> </strong>Namelijk: ruimte bieden aan professionals om samen met de burger een oplossing op maat te vinden. Daarvoor is het nodig om te investeren in kleinschalige teams van professionals met persoonlijke contacten en netwerken in de wijk. De introductie van <em>‘social workers’</em> als een soort van sociale huisartsen. Ze kijken wat er in een gezin aan de hand is, in de opvoeding, bij de relatie, wat er aan beperkingen speelt en of er schulden zijn. <strong></strong></p>
<p>Ze doen vervolgens een appèl op de eigen kracht van een persoon, en schakelen familie, vrienden en wijkbewoners in. Waar nodig helpen ze zelf. Is het probleem te zwaar en te complex, dan regelen ze zwaardere vormen van professionele ondersteuning. De teams van <em>social workers</em> hebben het mandaat om direct te handelen, zonder indicatie. Ze geven toegang tot achterliggende hulpverlening, vergelijkbaar met het model van de eerstelijnsgezondheidzorg met de huisarts in een centrale rol.<strong></strong></p>
<p>Met deze aanpak wordt de inzet van veel hulpverleners minder nodig. Maar ook de zwaardere of langdurige hulpverlening in de tweede lijn kan meer succesvol gaan werken. Dichter op het gezin als geheel, met meer oog voor wat er allemaal speelt. Meer in de wijk werken en met veel ruimte voor professionals. Successen als buurtzorg of de opvoedpoli zijn daar goede voorbeelden van. Bijkomend effect is dat deze instellingen 10 tot 30 procent goedkoper werken. <strong><br />
</strong></p>
<h3>Sturen op de verandering</h3>
<p>Maar waar begin je als gemeente bij het ontwikkelen van zo’n lokale ondersteunende aanpak? Daar is geen blauwdruk voor; iedere gemeente verschilt immers. Belangrijk uitgangspunt zijn twee vragen: ‘Kennen we de mensen, en weten we wat ze nodig hebben als ze in een kwetsbare positie verkeren?’ En ‘Hebben we de lef en kracht om verandering in te zetten?’ Want veranderen doet pijn en het kan betekenen afscheid nemen van instellingen en mensen.<strong></strong></p>
<p>We pleiten voor een verandering in samenwerking. Aangaan van nieuwe relaties zijn belangrijke aspecten van een succesvolle realisatie van de decentralisaties. Relaties met de mensen om wie het gaat, relaties met de professionals in de instellingen die het werk doen en relaties met de bestuurders van de zorgaanbieders.<strong></strong></p>
<p>Gemeenten zullen vanuit samenwerkingsverbanden in de regio’s aan het Rijk en andere partijen moeten aangeven welk tempo haalbaar is. De opgave van de decentralisaties is groot. Het is wenselijk om meer greep te krijgen op de uitvoering, omdat naast kwaliteit en effectiviteit van ondersteuning ook meer gestuurd moet worden op kosten. Meer samenwerking tussen gemeenten is daarom nodig voor bijvoorbeeld het ontwikkelen van een gedeelde visie op hoofdlijnen. Maar ook voor meer instrumentele zaken zoals een nieuw toegangsysteem op de domeinen jeugd en zorg, ondersteunende ict en indicatorensets voor monitoring. Gemeenten zetten deze ontwikkelingen samen in gang, met steun van de VNG, KING en netwerken zoals de G32-bestuurlijk en het platform directeuren sociale pijler (Pdsp) van de grote steden.<strong></strong></p>
<p>Kortom, veel zal door gemeenten in samenwerkingsverband ontwikkeld worden. Daarbij past een andere relatie tussen gemeenten en Rijk, met een meer dienende en volgende rol van het Rijk. Gemeenten kunnen zo een aanpak ontwikkelen die kwetsbare burgers beter ondersteunt, ook als er minder geld beschikbaar is. Zodat mensen als Edgar en zijn familie op een betere en meer betaalbare wijze worden geholpen.<strong><br />
</strong><em></em></p>
<h4><em>Rogier den Uyl is directeur van de Radargroep, bureau voor sociale vraagstukken. Tof Thissen is directeur van KING (Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten) en senator voor Groen Links.</em></h4>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/10/lokaal-maatwerk-voor-kwetsbare-jonge-mensen-2/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Minima die elkaar helpen, dat is mooi werk</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/09/minima-die-elkaar-helpen-dat-is-mooi-werk-2/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/09/minima-die-elkaar-helpen-dat-is-mooi-werk-2/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 09 May 2012 10:47:24 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Marian van der Klein</dc:creator>
				<category><![CDATA[Activering en reïntegratie]]></category>
		<category><![CDATA[Civil society]]></category>
		<category><![CDATA[arbeidsparticipatie]]></category>
		<category><![CDATA[armoedeteams]]></category>
		<category><![CDATA[bijstand]]></category>
		<category><![CDATA[bijstandsgerechtigden]]></category>
		<category><![CDATA[Diane Bulsink]]></category>
		<category><![CDATA[Fabian Dekker]]></category>
		<category><![CDATA[langdurig werklozen]]></category>
		<category><![CDATA[Marian van der Klein]]></category>
		<category><![CDATA[Marie-Christine van Dongen]]></category>
		<category><![CDATA[Mooi werk met minima]]></category>
		<category><![CDATA[reintegratie]]></category>
		<category><![CDATA[Roosendaal]]></category>
		<category><![CDATA[STA-teams]]></category>
		<category><![CDATA[Verweij-Jonker Instituut]]></category>
		<category><![CDATA[voorzieningen]]></category>
		<category><![CDATA[Zorg en Welzijn]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7711</guid>
		<description><![CDATA[Gemeentelijke voorzieningen voor de minima bleven vaak onbenut. Ook pogingen van lokale overheden om langdurig werklozen te activeren leidden vaak tot niets. Teams van bijstandsgerechtigden in Roosendaal hadden meer succes, toch heeft de gemeente deze teams opgedoekt. Over de vraag hoe je als overheid de minima en langdurig werklozen kunt activeren, heeft menig beleidsmaker zijn [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<h5><a title="Minima die elkaar helpen, dat is mooi werk" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/09/minima-die-elkaar-helpen-dat-is-mooi-werk-2/"><img class="alignleft size-full wp-image-7712" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Roosendaal1.jpg" alt="" width="240" height="180" /></a>Gemeentelijke voorzieningen voor de minima bleven vaak onbenut. Ook pogingen van lokale overheden om langdurig werklozen te activeren leidden vaak tot niets. Teams van bijstandsgerechtigden in Roosendaal hadden meer succes, toch heeft de gemeente deze teams opgedoekt.</h5>
<p><span id="more-7711"></span></p>
<p>Over de vraag hoe je als overheid de minima en langdurig werklozen kunt activeren, heeft menig beleidsmaker zijn hoofd gebroken. Het gangbare idee om via de professionals te communiceren, blijkt in de praktijk niet of nauwelijks te werken omdat ze (te) weinig tijd voor hun cliënten kunnen vrijmaken.</p>
<h3>Succes van armoedeteams in Roosendaal gebaseerd op vertrouwen</h3>
<p>Met dat laatste gegeven in het achterhoofd heeft de West-Brabantse gemeente Roosendaal in 2008 Samen Tegen Armoede (STA)-teams opgericht. De teams werden geformeerd uit bijstandsgerechtigden. Na een korte training gingen zij aan het werk, tegen betaling van het minimumloon. De opzet was dat ze wijkbewoners met een uitkering of minimuminkomen zouden benaderen voor een gesprek over de bijzondere bijstand, over hobby’s en over een mogelijke bijdrage aan buurtactiviteiten.</p>
<p>Uit een evaluatie-onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut blijkt dat de STA-teams, eerst twee en uiteindelijk vijf, redelijk succesvol zijn geweest. Dat succes is voor een belangrijk deel te danken aan het vertrouwen dat zij bij de wijkbewoners hebben weten te wekken. En dat heeft weer te maken met de samenstelling van de teams &#8211; ‘ze bestaan uit ons soort mensen’- en hun werkwijze -‘ze komen niet achter-de-voordeur om te controleren maar om te informeren en te luisteren.’ Het vertrouwen van de doelgroep heeft ertoe geleid dat de STA-teams in krap twee jaar ongeveer vijfhonderd huishoudens hebben bereikt die anders niet, veel minder of minder intensief contact zouden hebben gehad met de gemeente over inkomens- en participatiebevordering.</p>
<p>De werkwijze van een STA-team is simpel: een koppeltje van twee mensen verspreidt folders in een straat waarvan bekend is dat de bewoners moeten rondkomen van een minimuminkomen. In de folder wordt gevraagd of de bewoners behoefte hebben aan een gesprek over voorzieningen waarmee ze hun schaarse inkomen zouden kunnen aanvullen. Als mensen aangeven dat ze een huisbezoek op prijs stellen, wordt een afspraak gemaakt. Tijdens het gesprek geeft het STA-team informatie en vraagt het aan betrokkene of hij wellicht meer zou willen deelnemen aan het maatschappelijke leven dan hij nu doet. Bij een positief antwoord wordt in overleg een participatieplan gemaakt voor de betrokkene, de huisgenoten of de kinderen; en er wordt een -traject uitgezet.</p>
<h3>Activeren door stevige aanpak of een licht duwtje?</h3>
<p>Voor een aantal Roosendaalse huishoudens maakte het bezoek van een STA-team het verschil. Ze werden door het team geattendeerd op de diverse regelingen voor de minima en waar nodig doorverwezen naar de juiste gemeentelijke instantie. Opvallend daarbij is dat veel huishoudens niet of slecht op de hoogte bleken van de individuele voorzieningen, de mogelijkheden van het participatiebudget (van de Wet maatschappelijke ondersteuning), bijzondere bijstand en kinderopvang.</p>
<p>Ook hebben de teams mensen begeleid naar organisaties die zich specifiek bezighouden met maatschappelijke participatie. Daarbij speelde de vraag hoe ver je mag gaan om mensen te activeren. Mag je van mensen die al lange tijd van heel weinig geld moeten rondkomen en wellicht apathisch zijn geworden, verwachten dat ze er meteen van alles aan doen om zelfredzaam te worden? Moet je mensen stevig aanpakken of moet je ze een licht duwtje geven? Gekozen is voor de laatste aanpak. Bijvoorbeeld door voorzichtig van hobby’s uit te gaan, of als die er niet waren te vragen naar wat mensen vroeger leuk vonden.</p>
<p>Uit het evaluatie-onderzoek is gebleken dat het project ondanks kinderziektes en tegenslag succesvol is geweest. In twee jaar hebben de STA-teams voor gemiddeld 25 procent van de bezochte huishoudens een activeringstraject ingezet. Dat is een goede score omdat in de doelgroep ook heel veel chronisch zieken en arbeidsongeschikten zitten. Bij alleenstaande moeders werkte de aanpak ontzettend goed.</p>
<h3>Project is stopgezet ondanks succes, Roosendaal heroverweegt</h3>
<p>Ondanks de goede resultaten besloot Roosendaal begin 2011 om het STA-project te beëindigen. Aan dat besluit lagen twee redenen ten grondslag: enerzijds moest de gemeente vanwege begrotingsperikelen bezuinigen en anderzijds was er sprake van een lage doorstroming van STA-teamleden naar reguliere arbeid.</p>
<p>Nu was de constatering van de gemeente dat weinig STA-teamleden doorstroomden op zich juist. Dat komt doordat veel STA-teamleden onvoldoende kwalificaties en vaardigheden bezitten om veel kans te maken op de (krappe) arbeidsmarkt. Punt is echter dat doorstroming van STA-teamleden niet als hoofddoel was geformuleerd. De idee was om de minima te wijzen op voorzieningen zoals de bijzondere bijstand en hen ‘te helpen weer onder de mensen te komen, een cursus te doen in het buurthuis of een alleenstaande moeder helpen om haar vrije tijd te organiseren’.</p>
<p>De portefeuillehouder voor Zorg en Welzijn in Roosendaal, Kees Jongmans, zint op mogelijkheden om de STA-teams opnieuw in te zetten voor Welzijn Nieuwe Stijl. Hij vindt de ervaringen bruikbaar voor een welzijnswerk dat ook de niet-geijkte doelgroepen wil bereiken. Het achterliggende idee bij STA is immers dat burgers elkaar activeren tot grotere zelfredzaamheid. En dat de professional meer een faciliterende dan uitvoerende rol gaat spelen bij de aanpak van de achterstandsproblematiek. Gezien deze doelen en de resultaten zijn de STA-teams een uitgelezen kans, niet alleen voor Roosendaal.</p>
<h4><em>Marian van der Klein, Diane Bulsink, Fabian Dekker en Marie-Christine van Dongen zijn de auteurs van het rapport ‘Mooi werk met minima’. De publicatie kan <a href="http://http://www.verwey-jonker.nl/doc/participatie/Mooi_werk_met_minima_3739_web.pdf" target="_blank">hier </a>gedownload worden. U kunt de publicatie ook bestellen via: </em><em><a href="http://www.verwey-jonker.nl/participatie/publicaties/arbeid/mooi_werk_met_minima/bestellen?aantal=1&amp;bestelnummer=856-3739-1&amp;prijs=7,00&amp;land=Nederland" target="_blank">www.verwey-jonker.nl</a>.</em></h4>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/09/minima-die-elkaar-helpen-dat-is-mooi-werk-2/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Profclubs moeten ook maatschappelijk scoren</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/08/profclubs-moeten-ook-maatschappelijk-scoren/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/08/profclubs-moeten-ook-maatschappelijk-scoren/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 08 May 2012 08:04:16 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Frank van Eekeren</dc:creator>
				<category><![CDATA[Sport]]></category>
		<category><![CDATA[betaald voetbal]]></category>
		<category><![CDATA[Frank van Eekeren]]></category>
		<category><![CDATA[KNVB]]></category>
		<category><![CDATA[lucratief]]></category>
		<category><![CDATA[maatschappelijk]]></category>
		<category><![CDATA[Michael van Praag]]></category>
		<category><![CDATA[MVO]]></category>
		<category><![CDATA[profclubs]]></category>
		<category><![CDATA[samenleving]]></category>
		<category><![CDATA[sociale projecten]]></category>
		<category><![CDATA[stichting]]></category>
		<category><![CDATA[window dressing]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7682</guid>
		<description><![CDATA[Sinds afgelopen zondag zit de eredivisie er weer op. Het was razend spannend, en daarmee bewees het profvoetbal zichzelf een grote dienst. Maar de clubs laten zich ook van hun best kant zien door steeds meer sociale projecten. Al is er ook sprake van window dressing. Steeds meer betaald voetbalorganisaties (BVO’s) richten zich niet alleen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a title="Profclubs moeten ook maatschappelijk scoren" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/08/profclubs-moeten-ook-maatschappelijk-scoren/"><img class="alignleft size-full wp-image-7683" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Voetballers.jpg" alt="" width="240" height="160" /></a>Sinds afgelopen zondag zit de eredivisie er weer op. Het was razend spannend, en daarmee bewees het profvoetbal zichzelf een grote dienst. Maar de clubs laten zich ook van hun best kant zien door steeds meer sociale projecten. Al is er ook sprake van window dressing.</strong></p>
<p><span id="more-7682"></span></p>
<p>Steeds meer betaald voetbalorganisaties (BVO’s) richten zich niet alleen op prestaties op het veld, maar ook op resultaten buiten het veld. Onderzoek<a title="" href="#_edn1">[i]</a> van de Universiteit Utrecht onder alle 36 Nederlandse profclubs in de afgelopen twee seizoenen laat zien dat het aantal maatschappelijke activiteiten waarbij profclubs betrokken zijn &#8211; veelal gericht op educatie, participatie en gezondheid &#8211; de laatste jaren sterk toeneemt.</p>
<p>Toch krijgen de clubs geregeld het verwijt niet oprecht te zijn in hun motieven. Het onderzoek maakt duidelijk dat veel clubs nog een aantal stappen dienen te zetten om er voor te zorgen dat maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) binnen BVO’s meer is dan ‘window dressing’ en om de maatschappelijke waarde van het voetbal optimaal te benutten.</p>
<h3>Druk van buitenaf versterkt sociale rol profclubs</h3>
<p>De opkomst van de sociale activiteiten door profclubs is niet los te zien van een aantal met elkaar samenhangende ontwikkelingen. Zoals de opkomst van MVO in het bedrijfsleven, het belang dat beleidsmakers toekennen aan sport als middel voor het aanpakken van maatschappelijke problemen, het toenemend beroep op eigen verantwoordelijkheid van burgers en private organisaties door de overheid. Ook de financiële problemen binnen het betaald voetbal spelen een rol, waardoor clubs in toenemende mate afhankelijk zijn van steun van de (lokale) overheid en zich meer bewust zijn van het belang van een positief imago.</p>
<p>Deze ontwikkelen zorgen ervoor dat de overheid, media, sponsors en kritische belastingbetalers druk uitoefenen op de clubs om hun sociale rol te vervullen. Zij benadrukken dat de clubs zich moeten willen verbinden met de samenleving, mede ook vanwege het gebruik van publieke middelen, zoals politie-inzet tijdens wedstrijden. Inmiddels vindt ook 88 procent van de fans dat hun club maatschappelijk actief dient te zijn, zo blijkt uit recent onderzoek van de KNVB<a title="" href="#_edn2">[ii]</a>.</p>
<h3>Maatschappelijke opbrengsten</h3>
<p>De clubs in de ere- en eerste divisie hebben de signalen uit de samenleving opgepikt. In het seizoen 2010-2011 voerden zij in totaal 240 projecten uit, waarmee zij ruim 100.000 mensen direct bereikten. In datzelfde seizoen investeerden de clubs 3,6 miljoen in maatschappelijke activiteiten, 16 procent meer dan in het seizoen ervoor. Iedere euro die werd ingelegd werd verdubbeld door aanvullende financiering vanuit sociale partners.</p>
<p>Het onderzoek van de Universiteit Utrecht laat zien dat de sociale projecten lucratief kunnen zijn voor de club zelf, in de vorm van een sterk verbeterd imago en indirecte financiële opbrengsten. Maar ook de samenleving profiteert van clubs die hun spelers, stadion en naam ter beschikking stellen. Vooral de participatie van anders moeilijk bereikbare doelgroepen neemt sterk toe dankzij de inzet van de clubs, waardoor maatschappelijke organisaties betere resultaten kunnen behalen.</p>
<p>Terugkijkend op de afgelopen seizoenen constateert Michael van Praag, voorzitter van de KNVB, dan ook: ‘Maatschappelijke participatie is de laatste jaren bij veel clubs een vanzelfsprekend onderdeel geworden van het beleid. Bestuurders én spelers realiseren zich dat een gezonde voetbalclub een club is met sportieve én maatschappelijke ambitie’.</p>
<h3>Window dressing is er ook</h3>
<p>Maar nadere bestudering leert dat het met de ‘vanzelfsprekendheid’ waarover Van Praag spreekt nog wel meevalt. De meeste clubs organiseren MVO vooral nog in de periferie van hun organisatie, vaak in de vorm van een aparte stichting, en koppelen hun maatschappelijke activiteiten nog nauwelijks aan hun kernfuncties. Dit leidt soms tot curieuze situaties, zoals clubs die samenwerken met instellingen voor verslavingszorg en tegelijkertijd drugsgebruik op de eigen tribune toestaan, of eredivisieclubs die zich gezamenlijk inzetten voor het programma ‘Scoren voor Gezondheid’ en gelijktijdig een collectief sponsorcontract afsluiten met fastfoodketen Burger King. Dergelijke ondoordachtheid leidt al snel tot het verwijt van ‘window dressing’.</p>
<p>Ook ‘vergeten’ diverse clubs dat zij maatschappelijk het meest van waarde zijn wanneer zij zich verbinden aan bestaande professionele en vrijwillige instellingen en gebruik maken van de daar beschikbare specifieke kennis en expertise. Soms komt dit voort uit onbekendheid met het maatschappelijke veld, soms uit overmoed (‘wij kunnen dat veel beter dan zo’n ouderwetse welzijnsorganisatie’), soms uit concurrentieoverwegingen. Dat laatste bijvoorbeeld om subsidiegelden binnen te kunnen halen of om het eigen logo een zo’n prominent mogelijke plaats te bieden.</p>
<h3>Oprechte en slimme clubs</h3>
<p>De maatschappelijke inzet van clubs is te prijzen. De BVO’s lijken in toenemende mate te beseffen dat zij een sociale rol in hun omgeving dienen te vervullen, en dat het spelen van een spannende competitie daarvoor niet voldoende is. Maar bij veel clubs is nog verbetering mogelijk, omdat de maatschappelijke activiteiten nog niet duurzaam zijn ingebed, nog nauwelijks gekoppeld zijn aan de kernfuncties en niet optimaal aansluiten bij bestaande maatschappelijke initiatieven en organisaties.</p>
<p>Daarbij hoeft het wiel niet opnieuw te worden uitgevonden. De clubs kunnen voor goede voorbeelden terecht bij de maatschappelijke koplopers in het betaalde voetbal: bij PSV om te zien hoe MVO een structureel onderdeel kan zijn van het beleid en de organisatie, en bij NAC Breda en FC Twente om te bekijken hoe samenwerking met organisaties in de directe omgeving van de club vorm gegeven kan worden.</p>
<p>Binnenkort preparen de clubs zich alweer voor een optimaal sportief resultaat in het aankomende, ongetwijfeld weer bloedstollende, seizoen. Het zal ook spannend zijn om te zien of de clubs een optimaal resultaat – voor zichzelf én de samenleving – weten te behalen met hun maatschappelijke inzet. BVO’s kunnen komend seizoen vooral scoren door zich te richten op &#8216;oprechte inbedding&#8217; en &#8216;slim partnerschap&#8217; van hun MVO-beleid.</p>
<h4>Frank van Eekeren is senior adviseur en onderzoeker aan het Departement voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht</h4>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
<div>
<div>
<p><a title="" href="#_ednref1">[i]</a> Eekeren, F. van, B. Dijk en S. Brinkhof (2012), Rendement en kritische succesfactoren van maatschappelijk verantwoord ondernemen door BVO’s. Seizoen 2010-2011. Utrecht: Universiteit Utrecht (<a href="http://www.meerdanvoetbal.nl/onderzoek">www.meerdanvoetbal.nl/onderzoek</a>)</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Eekeren, F. van en B. Dijk (2011), Rendement van maatschappelijk verantwoord ondernemen door BVO’s. Seizoen 2009-2010. Utrecht, Universiteit Utrecht</p>
<p>&nbsp;</p>
</div>
<div>
<p><a title="" href="#_ednref2">[ii]</a> KNVB Expertise (2012), Eredivisie Fanonderzoek 2011-2012. Zeist: KNVB</p>
<p>KNVB Expertise (2012), Jupiler League Fanonderzoek 2011-2012. Zeist: KNVB</p>
</div>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/08/profclubs-moeten-ook-maatschappelijk-scoren/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Aanpak coffeeshops ongeloofwaardig</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/07/coffeeshop-tast-geloofwaardigheid-om-aan/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/07/coffeeshop-tast-geloofwaardigheid-om-aan/#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 07 May 2012 10:04:08 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Nicole Maalste</dc:creator>
				<category><![CDATA[Bemoeizuchtige overheid]]></category>
		<category><![CDATA[Misdaadbestrijding]]></category>
		<category><![CDATA[Rechtspraak]]></category>
		<category><![CDATA[cannabis]]></category>
		<category><![CDATA[coffeeshops]]></category>
		<category><![CDATA[Gerrit van den Burg]]></category>
		<category><![CDATA[OM]]></category>
		<category><![CDATA[wietpas]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7640</guid>
		<description><![CDATA[Sinds 1 mei is de aanval op de coffeeshops geopend. Het OM probeert zo de aantasting van haar geloofwaardigheid tegen te gaan door de gedoogpraktijk minder zichtbaar te maken. Maar zolang de overheid de gedoogde voordeur en de niet-gedoogde achterdeur laat voortbestaan, zal het gedoogbeleid ongeloofwaardig blijven.  Op 1 mei 2012 traden in de zuidelijke [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<h5><strong><a title="Aanpak coffeeshops ongeloofwaardig" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/07/coffeeshop-tast-geloofwaardigheid-om-aan/"><img class="alignleft size-full wp-image-7642" title="Aanpak coffeeshops ongeloofwaardig" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Aanpak-coffeeshops-ongeloofwaardig.jpg" alt="" width="240" height="159" /></a></strong>Sinds 1 mei is de aanval op de coffeeshops geopend. Het OM probeert zo de aantasting van haar geloofwaardigheid tegen te gaan door de gedoogpraktijk minder zichtbaar te maken. Maar zolang de overheid de gedoogde voordeur en de niet-gedoogde achterdeur laat voortbestaan, zal het gedoogbeleid ongeloofwaardig blijven<strong>.<span id="more-7640"></span></strong></h5>
<p><strong> </strong>Op 1 mei 2012 traden in de zuidelijke provincies nieuwe maatregelen in werking, waardoor  coffeeshops verplicht zijn om een ledenbestand bij te houden. Coffeeshops mogen alleen nog toegang verlenen aan 2000 leden per jaar die in Nederland woonachtig zijn. De invoering van deze maatregelen in de rest van Nederland volgt op 1 januari 2013. De maatregelen roepen niet alleen veel weerstand bij coffeeshopbezoekers en coffeeshopexploitanten. Veel gemeenteraadsleden en wetenschappers hebben het afgelopen jaar hun vrees uitgesproken voor ongewenste gevolgen en sommige burgemeesters hebben zelfs publiekelijk aangekondigd de maatregelen niet te zullen handhaven. Wat drijft het ministerie van Justitie en Veiligheid om deze impopulaire maatregelen toch door te voeren?</p>
<p>Om antwoord te kunnen geven op deze vraag moeten we terug naar het advies van de commissie Van de Donk<a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftn1">[1]</a> uit 2009 aan de overheid, waarin staat dat de huidige coffeeshop door gebrekkige en eenzijdige handhaving op veel plaatsen een vorm heeft gekregen die nooit bedoeld was. Daarbij doelen ze op zogenoemde ‘megacoffeeshops’, zoals de inmiddels gesloten coffeeshop Checkpoint in Terneuzen. Deze ‘hypershops’ leiden volgens de commissie tot problematische situaties. De nieuwe maatregelen moeten ervoor zorgen dat het fenomeen coffeeshop wordt teruggebracht naar hoe het oorspronkelijk was bedoeld: een kleinschalige voorziening met vooral een lokale/regionale functie in gebruik en teelt.</p>
<h3>Problematisering van coffeeshops komt uit koker OM</h3>
<p>Het idee dat grote coffeeshops per definitie tot problematische situaties leiden komt uit de koker van het Openbaar Ministerie. Dat is uitgewerkt in een intern rapport van de werkgroep Van der Burg.<a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftn2">[2]</a> Tijdens het congres ‘Wat doen wij met onze coffeeshops?’, dat op 18 juni 2009 plaatsvond, stelde Gerrit van der Burg (tegenwoordig hoofdofficier van het Landelijk Parket) dat we zijn ‘afgedreven van het ideaal van ‘your friendly neighbourhood coffeeshop’, waar de locals rustig een jointje roken, naar een drive-in voor massaal inkopende drugstoeristen, gerund door de georganiseerde misdaad’. Gedogen aan de voordeur dient daarom gepaard te gaan met krachtig optreden aan de achterdeur, aldus Van der Burg: ‘De criminaliteit die met de handel en teelt van softdrugs gepaard gaat, kan niet langer gezien worden als slechts een complicatie van het gedoogbeleid.’</p>
<p>Om dit idee kracht bij te zetten is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar een aantal grote coffeeshops. Met deze procedures hoopte het OM aan te tonen dat de betreffende coffeeshops eigenlijk criminele organisaties zijn. De rechtelijke macht heeft haar afkeuring over deze werkwijze van het OM inmiddels laten blijken door het OM in twee strafrechtelijke rechtszaken niet-ontvankelijk te verklaren. Hiermee kreeg het OM een forse tik op de vingers en blijft het onduidelijk of grote coffeeshops inderdaad onlosmakelijk verbonden zijn met criminele organisaties en overlastgevende situaties.</p>
<h3>We kijken tegenwoordig heel anders tegen gedogen aan</h3>
<p>Los van de vraag of grote coffeeshops inderdaad tot meer problemen leiden, is de wens van het OM voor een terugkeer naar oude tijden nog op een andere manier te verklaren. Veel Nederlanders vinden blowen normaal en coffeeshops zijn duidelijk zichtbare commerciële etablissementen geworden die door sommige bestuurders als normale bedrijven worden gezien. Dat past niet in beeld dat het Openbaar Ministerie van gedogen heeft.</p>
<p>De wijze waarop wij tegen gedogen aankijken is anno 2012 sterk veranderd. In de jaren zeventig en tachtig was gedogen een geloofwaardig antwoord op de problemen die er op dat moment bestonden. Halverwege de jaren negentig ontstonden er echter hevige discussies over gedoogpraktijken.<a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftn3">[3]</a> Daarin werd onder andere betoogd dat gedogen een houdbaarheidsdatum heeft en dat het gedogen van een winstgevend product met een grote marktvraag riskant is.</p>
<p>Het gedoogbeleid ten aanzien van cannabis bestaat inmiddels 35 jaar. Coffeeshops zijn uitgegroeid tot commerciële bedrijven waar veel winst mee te behalen valt. Dat geldt ook voor de gerelateerde illegale praktijken aan de achterdeur van de coffeeshop. Coffeeshops maken de consument en de behoefte aan cannabis zichtbaar. En zij leggen de dubbele moraal die de overheid ten aanzien van cannabis hanteert bloot. Die zichtbaarheid heeft ertoe geleid dat het gedogen steeds meer als een geloofwaardigheidsprobleem wordt ervaren. Het laat immers zien dat er stelselmatig niet handhavend wordt opgetreden tegen iets wat volgens de wet verboden is. Het gedoogbeleid ondermijnt daarmee de geloofwaardigheid van het OM.</p>
<p>Vanwege het gedoogbeleid heeft het OM zich jarenlang terughoudend opgesteld bij de vervolging van (strafrechtelijke praktijken rondom) coffeeshops. De bevoorrading van coffeeshops en de opslag van cannabisproducten in zogenoemde stashes (voorraadplekken) is al die tijd oogluikend toegestaan. Van der Burg stelt in zijn speech dat de achterdeurproblematiek<a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftn4">[4]</a> beter beheersbaar is wanneer voortaan alleen nog coffeeshops worden gedoogd, die zich richten op de lokale of regionale afzetmarkt. Het is maar de vraag of deze veronderstelling klopt.</p>
<h3>Van OM moet gedoogpraktijk minder opvallend worden</h3>
<p>In feite probeert het OM aantasting van haar geloofwaardigheid tegen te gaan door de gedoogpraktijk minder zichtbaar te maken. Dat is de eigenlijke reden waarom coffeeshops weer kleine onopvallende etablissementen moeten worden die niet al te zeer aanwezig zijn in het straatbeeld. Met de grote coffeeshops is de gedooghouding (niet ingrijpen, niet slagvaardig zijn) van het OM te veel aan het licht gekomen. En gedogen is in strijd met de eigenlijke taak van het OM: het opsporen en vervolgen van strafrechtelijke praktijken. Niet voor niets sprak een journalist van <em>De Telegraaf</em> in dit verband over een ‘gedoogbende’. Om serieus genomen te worden, moet het OM iets doen aan de té zichtbare gedoogpraktijken. Het minder zichtbaar maken van de gedoogpraktijk zal echter geen oplossing bieden voor de lange termijn.</p>
<p>De coffeeshop verandert momenteel van een openbare horecagelegenheid die voor alle meerderjarigen toegankelijk was in een besloten club die uitsluitend toegankelijk is voor Nederlandse ingezetenen. Daarmee komt een einde aan de coffeeshop zoals wij die tot nu toe kennen. Maar de nieuwe maatregelen van de overheid richten zich uitsluitend op de voordeur en zullen dus geen oplossing bieden voor de achterdeurproblematiek. De Algemene Rekenkamer beoordeelde het gedoogbeleid van de afgelopen decennia als niet handhaafbaar, omdat er spanning bestaat tussen de verschillende onderdelen ervan. Zij constateerde dat ‘consequent optreden van de gehele strafrechtketen tegen bedrijfsmatige hennepteelt moeilijk te combineren is met het expliciet gedogen van de detailverkoop en het impliciet gedogen van de inkoop. Deze houden immers een zekere acceptatie in van het product cannabis.’<a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftn5">[5]</a> Hiermee impliceert de Rekenkamer dat het huidige beleid niet geloofwaardig is. De oorsprong van dit geloofwaardigheidsprobleem ligt in de achterdeurproblematiek. Zolang de overheid de gedoogde voordeur en de niet-gedoogde achterdeur laat voortbestaan, zal het gedoogbeleid ongeloofwaardig blijven.</p>
<h4>Nicole Maalsté (1966) is publicist en werkt als senioronderzoeker aan de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur. Zij schreef het boek ‘Polderwiet’ en bestudeert de ontwikkelingen op het gebied van cannabis, coffeeshops en hennepteelt al ruim twintig jaar.</h4>
<h4></h4>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
<div>
<p><a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftnref1">[1]</a> Commissie Van de Donk (2009). <em>Geen deuren maar daden. Nieuwe accenten in het Nederlandse drugsbeleid.</em> Den Haag: advies aan de ministers van VWS, Justitie en BZK.</p>
</div>
<div>
<p><a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftnref2">[2]</a> Het coffeeshopbeleid. Beheersbaar, kleinschalig, controleerbaar (mei 2009).</p>
</div>
<div>
<p><a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftnref3">[3]</a> Justitiële Verkenningen. (1993). Themanummer ‘Grenzen aan het softdrugsbeleid’; Tweede Kamer (1996). <em>Grenzen aan gedogen.</em> Vergaderjaar 1996-1997, 25085, nr.2.</p>
</div>
<div>
<p><a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftnref4">[4]</a> Nederland gedoogt het verkopen van cannabis in coffeeshops (voordeur), maar heeft  niets geregeld op het gebied van de productie en aanvoer van die cannabis (achterdeur).</p>
</div>
<div>
<p><a title="" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-admin/post-new.php#_ftnref5">[5]</a> Algemene Rekenkamer, 2005, nota Handhaven en Gedogen.</p>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/07/coffeeshop-tast-geloofwaardigheid-om-aan/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Reacties maakten Pim Fortuyn groot</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/06/reacties-maakten-pim-fortuyn-groot/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/06/reacties-maakten-pim-fortuyn-groot/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 06 May 2012 10:30:37 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Jasper Muis</dc:creator>
				<category><![CDATA[Politiek]]></category>
		<category><![CDATA[debat]]></category>
		<category><![CDATA[immigratie]]></category>
		<category><![CDATA[Jasper Muis]]></category>
		<category><![CDATA[LPF]]></category>
		<category><![CDATA[media]]></category>
		<category><![CDATA[media phenomenon]]></category>
		<category><![CDATA[multiculturele samenleving]]></category>
		<category><![CDATA[Pim Fortuyn]]></category>
		<category><![CDATA[populisme]]></category>
		<category><![CDATA[reacties]]></category>
		<category><![CDATA[standpunten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7616</guid>
		<description><![CDATA[Tien jaar geleden veroorzaakte de Lijst Pim Fortuyn (LPF) een politieke aardverschuiving: bij de algemene verkiezingen van 15 mei 2002 wist de LPF vanuit het niets 26 zetels in de wacht te slepen. Dat was te danken aan Fortuyns eigen optreden én aan de heftige reacties daarop. Waarom stemde een groot aantal kiezers op de [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a title="Reacties maakten Pim Fortuyn groot" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/06/reacties-maakten-pim-fortuyn-groot/"><img class="alignleft  wp-image-7617" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Fortuynindebat2klein.jpg" alt="" width="240" height="175" /></a>Tien jaar geleden veroorzaakte de Lijst Pim Fortuyn (LPF) een politieke aardverschuiving: bij de algemene verkiezingen van 15 mei 2002 wist de LPF vanuit het niets 26 zetels in de wacht te slepen. Dat was te danken aan Fortuyns eigen optreden én aan de heftige reacties daarop.</strong></p>
<p><span id="more-7616"></span></p>
<p>Waarom stemde een groot aantal kiezers op de Lijst Pim Fortuyn? Op deze vraag is inmiddels wel een antwoord geformuleerd. Er bestaat een brede wetenschappelijke consensus over waarom kiezers zich indertijd tot de LPF aangetrokken voelden. De LPF was de partij waarmee de kiezers het het meeste eens waren over kwesties die zij erg belangrijk vonden, namelijk immigratie en integratie. Het ging bovendien om standpunten die niet of nauwelijks door andere politici naar voren werden gebracht.</p>
<p>De voedingsbodem voor de Fortuyn-revolte is uitgebreid in kaart gebracht, maar de vraag naar de abrupte en verrassende totstandkoming ervan is vooralsnog grotendeels onbeantwoord gebleven. Dat komt doordat twee factoren tot voor kort onderbelicht zijn gebleven in de wetenschappelijke verklaringen voor het succes van het rechts-populisme in het algemeen: de rol van het publieke debat en de rol van adaptief gedrag.</p>
<h3>Fortuyn schoof niet met zijn standpunten</h3>
<p>Een vaak gehoorde opvatting luidt dat Fortuyn is gaan schuiven met zijn standpunten onder invloed van media-aandacht, opiniepeilingen en van zijn uitdijende electoraat. In mijn onderzoek heb ik daarvoor geen empirisch bewijs gevonden. Fortuyn kaartte gedurende de campagne weliswaar op verschillende momenten verschillende thema&#8217;s aan, maar in mijn onderzoek komt eerder naar voren dat hij immigratie- en integratieonderwerpen mínder ging benadrukken als hij daar veel media successen mee boekte. Na het interview in <em>de Volkskrant</em> dat heel veel stof deed opwaaien in februari 2002 &#8211; met als kop ‘Grens dicht voor islamiet’ &#8211; was hij bijvoorbeeld relatief stil op dit thema.</p>
<p>Ook wat betreft de toon van de boodschap kan Fortuyn niet van populistisch gedraai beschuldigd worden. Hij is nauwelijks naar links of rechts verschoven. En als hij al van standpunt veranderde &#8211; zoals bij het voorstel voor een generaal pardon &#8211; is dit in elk geval niet te begrijpen als een opportunistische aanpassing. Fortuyn speelde bijvoorbeeld ook niet in op de vermeende toegenomen onvrede over de multiculturele samenleving na de aanslagen van 9/11 &#8211; Fortuyn verkondigde zijn ‘Koude Oorlog met de islam’ namelijk al eerder.</p>
<p>Deze observatie stemt overeen met conclusies uit eerder onderzoek naar de flexibiliteit van partijleiders. De algemene tendens is dat zij overwegend ideologisch rigide zijn. In die zin kan Fortuyn worden beschouwd als een ‘normale’ partijleider. Op het moment dat hij het politieke toneel betrad, had hij een potentieel winnend partijprogramma op zak en was er geen enkele reden om dat te herzien. Zijn succes bij de algemene verkiezingen van mei 2002 was daar het overvloedige bewijs van.</p>
<p>Als Fortuyn zelf niks of nauwelijks iets in zijn boodschap veranderd heeft, blijft de vraag hoe zijn aanhang dan toch in zo&#8217;n korte tijd zo sterk kon toenemen. Kuddegedrag in het mediadebat kan hiervoor een verklaring bieden.</p>
<h3>Vooral politieke nieuwkomers zijn afhankelijk van de media</h3>
<p>Net als elk nieuw product op de markt heeft een nieuwe politieke beweging kanalen nodig om haar bekendheid onder de bevolking te vergroten. Omdat politieke nieuwkomers vaak over weinig organisatorische en financiële middelen beschikken, ligt het voor de hand dat juist zij van mediaberichtgeving afhankelijk zijn om hun standpunten bij een groter publiek onder de aandacht te brengen.</p>
<p>De kans op een succesvolle mobilisatie van stemmers en het verkrijgen van een stem in de media, zo is het argument in mijn proefschrift, wordt voor een belangrijk deel gegenereerd binnen het publieke discours. Mijn bevindingen laten zien dat het publieke debat inderdaad een belangrijke rol heeft gespeeld bij de opkomst van Fortuyn. Harde taal van andere politieke actoren dan Fortuyn over immigratie- en integratiethema’s veroorzaakte meer media-aandacht voor de politieke boodschap van Fortuyn. Als de bedoeling was om hiermee de wind uit de zeilen van Fortuyn te halen, dan kunnen we concluderen dat dit averechts werkte; het belang van deze vraagstukken nam in de ogen van journalisten alleen maar toe, waardoor hij meer mogelijkheden kreeg om zijn politieke agenda in de media voor het voetlicht te brengen.</p>
<p>Hoe prominenter journalisten Fortuyns uitspraken in de media weergaven, en hoe vaker andere actoren in het debat zijn uitspraken ondersteunden, des te sterker groeide zijn populariteit onder de kiezers. Op haar beurt heeft de electorale steun een positieve impact gehad op Fortuyns mediacarrière. Hoe gunstiger hij er voorstond in de peilingen, des te vaker kwam hij in de media aan het woord.</p>
<p>Deze twee factoren bij elkaar opgeteld, leiden tot de conclusie dat er sprake was van een opwaartse spiraal van populariteit en publiciteit. Dit zelfversterkend effect verklaart waarom Fortuyn en zijn partij in zo&#8217;n rap tempo zoveel media-aandacht en kiezers wisten te mobiliseren. In het algemeen gesproken verklaart dit mechanisme van positieve terugkoppeling hoe een ogenschijnlijk stabiele politieke status quo in korte tijd uit evenwicht kan raken. Mijn bevindingen geven ook aan dat het voor de verklaring van het verschijnsel Fortuyn niet alleen (misschien zelfs niet in de eerste plaats) belangrijk is om te kijken naar het karakter of de acties van Fortuyn zelf, maar dat vooral moet worden nagegaan op welke manier andere actoren op hem reageerden.</p>
<h4>Jasper Muis is socioloog. Hij promoveerde in maart op het proefschrift<a href="http://dare.ubvu.vu.nl/bitstream/1871/33030/1/dissertation.pdf" target="_blank"> ‘Pim Fortuyn. The Evolution of a Media Phenomenon’</a>.</h4>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/06/reacties-maakten-pim-fortuyn-groot/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Fortuyn en de wedergeboorte van de fact-free politics</title>
		<link>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/05/fortuyn-en-de-wedergeboorte-van-de-fact-free-politics/</link>
		<comments>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/05/fortuyn-en-de-wedergeboorte-van-de-fact-free-politics/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 05 May 2012 05:00:24 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Dick Houtman</dc:creator>
				<category><![CDATA[Polarisatie]]></category>
		<category><![CDATA[Politiek]]></category>
		<category><![CDATA[CROCUS]]></category>
		<category><![CDATA[crossculture.nl]]></category>
		<category><![CDATA[Dick Houtman]]></category>
		<category><![CDATA[erfenis]]></category>
		<category><![CDATA[establishment]]></category>
		<category><![CDATA[fact free politics]]></category>
		<category><![CDATA[immigratie]]></category>
		<category><![CDATA[Islam]]></category>
		<category><![CDATA[jaren zestig]]></category>
		<category><![CDATA[links]]></category>
		<category><![CDATA[Peter Achterberg]]></category>
		<category><![CDATA[Pim Fortuyn]]></category>
		<category><![CDATA[politiek]]></category>
		<category><![CDATA[racisme]]></category>
		<category><![CDATA[rechts]]></category>
		<category><![CDATA[regentencultuur]]></category>
		<category><![CDATA[Roy Kemmers]]></category>
		<category><![CDATA[tegencultuur]]></category>
		<category><![CDATA[Wilders]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.socialevraagstukken.nl/site/?p=7582</guid>
		<description><![CDATA[Tien jaar na de moord op Pim Fortuyn in 2002 blijkt de Nederlandse politieke cultuur ingrijpend veranderd. Onze analyse van die veranderingen toont niet alleen aan dat Fortuyns erfenis nog springlevend is, maar ook dat er opvallende parallellen zijn met de tegencultuur van de jaren zestig. Het meest prominente hedendaagse politieke thema dat aan Fortuyn [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><a title="Fortuyn en de wedergeboorte van de fact-free politics" href="http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/05/fortuyn-en-de-wedergeboorte-van-de-fact-free-politics/"><img class="alignleft size-full wp-image-7586" title="" src="http://www.socialevraagstukken.nl/site/wp-content/uploads/2012/05/Pim-Fortuyn2.jpg" alt="" width="240" height="180" /></a>Tien jaar na de moord op Pim Fortuyn in 2002 blijkt de Nederlandse politieke cultuur ingrijpend veranderd. Onze analyse van die veranderingen toont niet alleen aan dat Fortuyns erfenis nog springlevend is, maar ook dat er opvallende parallellen zijn met de tegencultuur van de jaren zestig.</strong></p>
<p><span id="more-7582"></span></p>
<p>Het meest prominente hedendaagse politieke thema dat aan Fortuyn moet worden toegeschreven, is ongetwijfeld de kritiek op de islam en het daarmee nauw verbonden verlangen naar immigratiebeperking. Opmerkelijk aan Fortuyns stellingname was de onderliggende argumentatie, die was opgetrokken op een omarming van homo- en vrouwenrechten. Zijn anti-immigratie standpunt kan men niet eenvoudigweg ‘klassiek’ racisme of etnocentrisme noemen, omdat het met klassiek progressief geschut de aanval opent op multiculturalisme en ruimhartig immigratiebeleid.</p>
<p>Dit is opmerkelijk, omdat de betreffende seculier-progressieve waarden tot op dat moment vrijwel uitsluitend in stelling werden gebracht om te pleiten voor acceptatie van cultureel verschil. In zijn boekje <em>Kies voor vrijheid </em>borduurt Geert Wilders (2005: 73) hierop voort door te stellen dat ‘we moeten leren intolerant te worden tegen de intoleranten. Dat is de enige manier om onze tolerantie te handhaven.’</p>
<h3>Politici verdoen hun tijd aan eindeloze vergaderingen</h3>
<p>Hoewel Fortuyns immigratiestandpunt destijds het meeste opzien baarde, vormde zijn kritiek op de gevestigde politiek-bestuurlijke orde het meest fundamentele deel van zijn politieke agenda en nalatenschap. Het gaat hier zowel om zijn afkeer van de regentencultuur van wat hij spottend ‘Ons Soort Mensen’ noemde, zijn kruistocht tegen de overheidsbureaucratie, als zijn hiermee nauw samenhangende pleidooi voor kleinschaligheid en op <em>targets </em>afrekenbare bestuurders.</p>
<p>Bij Wilders’ PVV is het niet veel anders. In plaats van krachtdadig op te treden tegen de problemen waarmee ‘hardwerkende burgers’ dagelijks kampen, zouden politici en ambtenaren hun tijd vooral verdoen aan eindeloze vergaderingen over bijzaken en een onophoudelijke stroom van uit de werkelijkheid losgezongen nota’s, notities, rapporten en toekomstscenario’s produceren.</p>
<h3>Men behoort ‘zichzelf te zijn’ in de politiek</h3>
<p>Niet eerder kende Nederland een politicus die zijn optreden dusdanig doorspekte met details uit zijn persoonlijke leven als Fortuyn. Die openheid betrof ook zijn persoonlijke gevoelsleven, waardoor zijn aura van openheid, eerlijkheid en persoonlijke authenticiteit verder werd versterkt. Zo gaf hij in een gesprek met Ivo Niehe ruiterlijk toe een ‘haatdragend mens’ te kunnen zijn, om daaraan direct toe te voegen, ‘maar Wim Kok ook’, daarmee onderstrepend ‘dat iedereen wel eens een klootzak was, maar dat hij dit in tegenstelling tot bestaande politici tenminste eerlijk toegaf’ (Van Herwaarden, 2005: 32).</p>
<p>Tegenwoordig nemen politici steeds nadrukkelijker afstand van hun formele rol binnen de Haagse politiek. Dit is inmiddels een dwingende normatieve verwachting: men <em>behoort </em>‘zichzelf te zijn’ en men <em>behoort </em>afstand te nemen van de formele rolverwachtingen die aan het beklede politieke ambt kleven. Het meest in het oog springende gevolg hiervan is het leger media-adviseurs en spindoctors dat de opdracht heeft om politici te leren hoe zij moeten spelen dat zij geen rol spelen, maar ‘gewoon zijn’ en dus niet ‘boven’ of ‘tegenover’ burgers staan, maar gewoon ‘naast’ of (liever nog) ‘achter’ hen.</p>
<h3><em>Fact-free politics</em>: geen feiten, maar idealen</h3>
<p>Fortuyns opvattingen over het bedrijven van politiek duidt men sinds enkele jaren aan als <em>fact-free politics</em>. Politiek behoorde in de ogen van Fortuyn niet te gaan ‘over het politiek en bestuurlijk háálbare, maar over het dénkbare’ (Fortuyn, 2001: 34), waarbij zijn persoonlijke adagium, ‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’, uiteraard naadloos aansloot.</p>
<p>Volgens de politieke logica van Fortuyn verzaken politici die doen alsof zij op grond van ‘feiten’ kunnen beslissen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, omdat zij verzuimen morele oordelen uit te spreken op basis van de idealen waarvoor zij zeggen op te komen. In handen van de PVV is Fortuyns <em>fact-free politics </em>inmiddels alleen maar verder uitgewerkt en geperfectioneerd. ‘[W]e moeten durven dromen en aldus mogelijk maken wat in Den Haag onmogelijk wordt geacht’, aldus Wilders (2005: 106).</p>
<h3>Fortuyn als aanjager van tegencultuur 2.0</h3>
<p>Fortuyn was een kind van de jaren zestig, destijds actief in het linkse studentenmilieu. Men kan zich erover verbazen dat iemand met zo’n politieke achtergrond inmiddels in de geschiedenisboeken is opgenomen als degene die in Nederland eigenhandig de electorale doorbraak van het rechtse populisme heeft geforceerd. Schuift men het begrippenpaar ‘links &#8211; rechts’ terzijde, dan blijft er niet veel van die verbazing meer over, want dan springen vooral de overeenkomsten tussen de politieke cultuur van de jaren zestig en die van nu in het oog.</p>
<p>De ‘linkse’ kritiek op kerk en religie van toen klinkt bijvoorbeeld luid en duidelijk door in de hedendaagse ‘rechtse’ demonisering van moslims en islam en net als toentertijd zegt men regenteske politieke en bureaucratische elites de wacht aan. Destijds sarden de provo’s met hun ludieke <em>happenings </em>de Amsterdamse autoriteiten; nu zetten Rutger Castricum en zijn collega’s met behulp van eigentijdse media landelijke politici te kakken voor de weblog Geenstijl en omroep Powned.</p>
<p>Terwijl veel van Fortuyns generatiegenoten mettertijd werden opgenomen in het politiek-bestuurlijke <em>establishment</em>, bleef hijzelf een buitenstaander. Daarmee bevond hij zich bij uitstek in de positie om de idealen van de tegencultuur van de jaren zestig in stelling te brengen tegen zijn ‘linkse’ generatiegenoten en is hij daarmee de aanjager geweest van wat wij de hedendaagse ‘tegencultuur2.0’ noemen. Inmiddels heeft de PVV zijn kritiek op een ‘zelfvoldane politieke elite die allang de weg kwijt is’ overgenomen.</p>
<p>Ook de roerige jaren zestig waren natuurlijk onmiskenbaar een tijdperk van <em>fact-free politics</em>. Met de hedendaagse <em>fact-free politics </em>is er dus weinig nieuws onder de zon en zij is net zomin inherent ‘links’ als inherent ‘rechts’. <em>Fact-free politics </em>is de logische reactie op een diep gevoelde onvrede over de samenleving en haar instituties – een onvrede die ertoe leidt dat ideeën over hoe de wereld zou moeten zijn belangrijker worden dan kennis over hoe zij feitelijk is. Dat was zowel het geval in de tegencultuur van de jaren zestig als in de nieuwe tegencultuur van nu.</p>
<h4>Dick Houtman, Peter Achterberg en Roy Kemmers zijn verbonden aan het Centre for Rotterdam Cultural Sociology (CROCUS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit is een ingekorte versie van hun artikel ‘De wedergeboorte van de fact-free politics: Pim Fortuyn en de nieuwe tegencultuur (2002-2012)&#8217;, dat verschijnt in het tweede nummer van Beleid &amp; Maatschappij. <a href="http://www.crocusculture.nl">www.crocusculture.nl</a></h4>
<p>&nbsp;</p>
<h3>Literatuur</h3>
<p>Fortuyn, P. (2001). <em>De islamisering van onze cultuur: Nederlandse identiteit als fundament (met een kritische reactie van imam Abdullah R.F. Haselhoef)</em>.<em> </em>Uithoorn: Karakter Uitgevers &amp; Rotterdam: Speakers Academy Uitgeverij.<em></em></p>
<p>Van Herwaarden, C. (2005). <em>Fortuyn: Chaos en charisma. </em>Amsterdam: Bert Bakker<em>.</em></p>
<p>Wilders, G. (2005). <em>Kies voor vrijheid: Een eerlijk antwoord. </em>Groep Wilders.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.socialevraagstukken.nl/site/2012/05/05/fortuyn-en-de-wedergeboorte-van-de-fact-free-politics/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

