Waarom politici soms feiten ontkennen

Beleidsmakers hebben de neiging om bij onwelkome onderzoeksuitkomsten om meer onderzoek te vragen. Onderzoekers stralen nog steeds iets uit van ‘vertrouw’ mij want ik vertegenwoordig de ‘waarheid’. Resultaat is dat nu vooral niet-deskundigen uitmaken wat de ‘waarheid’ is.

Stelt u zich eens voor: u heeft zojuist van een specialist gehoord dat uw ziekte niet te genezen valt. Hoe groot is de kans dat u voor een ‘second opinion’ gaat naar een andere specialist? Hoe groot is de kans dat u (eventueel na het tweede oordeel) gaat ‘shoppen’ in het alternatieve circuit? Nu echter het geval, dat u bij de eerste specialist te horen heeft gekregen, dat alles in orde is. Gaat u dan nog te rade bij een andere specialist? Waarschijnlijk niet. Met andere woorden, er moeten verschillende doktoren aan te pas komen om een  overtuigend bewijs te leveren als er iets mis is, maar een enkele volstaat om overtuigd van te zijn van een blijde boodschap.

Een soortgelijk gevoel overkwam mij het afgelopen jaar als beleidsonderzoeker. Samen met mijn collega Henk Blok van het Kohnstamm Instituut leverden we vorig najaar een rapport af over het thuisonderwijs in Nederland; of liever gezegd hoe het kinderen vergaat met een vrijstelling van de leerplicht vanwege richtingbezwaar, zoals dat in het officiële jargon heet. Het gaat om ongeveer driehonderd kinderen.

Geen gemakkelijk onderzoek. Maar goed, wij stelden vast dat deze kinderen – volgens de ouders die wij hebben geïnterviewd – op consciëntieuze wijze onderwijs krijgen, en ook succesvol zijn in hun vervolgonderwijs en hun algemene ontwikkeling. Wij rapporteerden ook hoe andere landen in Europa het thuisonderwijs reguleren. De minister oordeelde op basis van ons rapport dat verdere regulering van het thuisonderwijs in Nederland niet nodig was; het ging om zeer kleine aantallen en zat wel goed; en de Kamer heb ik er verder niet over gehoord.

Toen kwam nauwelijks twee maanden later het bericht dat ouders van het, te sluiten, Islamitisch College in Amsterdam van plan waren ook ontheffing van de leerplicht aan te vragen; nog geen tweehonderd kinderen. Ik noem die aantallen, omdat het nog steeds om een heel kleine groep gaat. Dertig Kamervragen volgden; de pers dook er op. De minister begon te twijfelen over haar eerder ingenomen standpunt. In de Vaste Kamercommissie werd ons rapport uitvoerig besproken. Er waren Kamerleden die het rapport prezen om zijn degelijk wetenschappelijke karakter, maar er waren ook Kamerleden die hun twijfels uiten bij de waarde van het rapport. Kortom, de ideale situatie om tot verder onderzoek te besluiten.[1]

Hoe moeten we dit verschijnsel verklaren? Houden beleidsmakers zich niet aan de feiten? Of erger, oordelen zij liever los van de feiten, zoals de notie van ‘fact free politics’ suggereert? Ik denk van niet. Er zijn twee heel goede verklaringen te vinden. De ene is meer psychologisch, de andere meer sociologisch van aard.

Minder sceptisch over wenselijke dan over onwenselijke informatie

Allereerst de psychologische; die zoekt de verklaring primair in de menselijke aard en geldt ook voor de eerste casus (onze verhouding tot medici). De centrale gedachte daarbij is dat mensen minder sceptisch zijn over wenselijke dan over onwenselijke informatie. Dat heet in de wetenschappelijke literatuur: gemotiveerd scepticisme (een term afkomstig van Ziva Kunda).

Dat wil niet zeggen dat mensen ‘negatieve’ informatie nooit zullen accepteren, maar wel dat de barrières groter zijn. Die barrières zijn des te groter naarmate de kwestie meer raakt aan dieperliggende emoties of controverses. Het komt dus niet door gebrek aan aandacht voor onwenselijke informatie, zoals aanvankelijk werd gedacht. Integendeel, het is heel goed mogelijk dat de onwenselijke informatie juist direct de aandacht trekt, zolang deze informatie de indruk wekt verworpen te kunnen worden of de beslissing op basis van die informatie omkeerbaar lijkt.

Daarom is men in het onderzoek naar dit fenomeen momenteel erg geïnteresseerd in het mechanisme achter de eerste oordeelsvorming over de geldigheid van informatie. Een aantal onderzoekers wijst in dit verband op het onderscheid tussen ‘ontkenning van de feiten’ en ‘ontkenning van de implicaties’. Vaak is het zo dat individuen vaak beginnen met het eerste, om vervolgens terug te vallen op het tweede.

In het beleidsgerichte onderzoek kan men niet volstaan met een inschatting van de effecten van een reeks van factoren op ‘het probleem’,  maar moet men ook rekening houden met de invloed van die factoren op andere variabelen. Dit is het probleem van het neveneffect. Je zou kunnen beweren dat het onethisch is van een onderzoeker als die daaraan geen aandacht besteedt. De beleidsmaker kan men ‘blij’ maken met ‘iets dat werkt’, maar de gevolgen kunnen schadelijk zijn als de bredere implicaties niet in beschouwing worden genomen. Maar juist in dat schemergebied schieten zowel opdrachtgever als onderzoeker vaak in de fout. Naar mijn idee vinden daar, mede onder invloed van de media (‘Wat ziet u nu als oplossing?’), de meeste debatten over de geldigheid van de informatie plaats.

Een sociologische verklaring: politisering van de wetenschap

Een sociologische verklaring vinden we inhet werk van Peter Weingart. Zo constateert hij dat tegelijk met de verwetenschappelijking van de politiek een politisering van de wetenschap plaatsvindt. Terwijl men aanvankelijk twijfels had over de legitimiteit van wetenschappelijke kennis in de politiek, heeft de algemene toegankelijkheid van wetenschappelijke kennis geleid tot een concurrentiestrijd tussen deskundigen in de publieke ruimte. Deze strijd intensiveert op zijn beurt de controverses in de politiek in plaats dat kennis de inhoud van het politieke proces en de besluitvorming verbetert.

Ik heb dat zelf kunnen ervaren met het onderzoek naar segregatie. Zo poneerde een Kamerlid dat wat hem betreft Jaap Dronkers mag blijven, maar mensen zoals ik mogen verdwijnen. Met andere woorden onderzoekers worden inzet van politieke strijd en daarmee, misschien geheel tegen hun zin, gepolitiseerd. En eerlijk gezegd, onderzoekers hebben daar geen goed antwoord op: doorgaan met de naïeve veronderstelling dat zij echt neutraal zijn en/of blijven geloven dat hun kennis geen legitimerende functie vervult voor welk standpunt dan ook.

Ook degenen die zich neutraal opstellen, weten drommels goed dat de door hen aangedragen kennis in verschillende stadia van het politieke proces een belangrijke factor kan spelen: bij de agendavorming, besluitvorming, uitvoering en evaluatie. Zij zijn misschien ontsnapt aan het simpele model van de technocraat, maar vergeten dat de wetenschap, vaak met behulp van de media, een belangrijke speler in het politieke systeem is geworden. Met de verwetenschappelijking van de politiek is de wetenschap deel geworden van het politieke proces en gepolitiseerd geraakt. Wetenschap en politiek kunnen niet zonder elkaar. Dat brengt met op het tweede punt dat Weingart aanroert.

Wetenschappelijke kennis is aan inflatie onderhevig

Het gebruik van wetenschappelijke kennis is aan inflatie onderhevig. Ook al heeft wetenschappelijk kennis zijn autoriteit voor een belangrijk deel verloren, toch kunnen beleidsmakers niet meer zonder onderzoek en de arrangementen die daarbij horen. Soms heb ik zelfs de indruk dat men in de politiek de vlucht naar voren zoekt. De enorme populariteit van het begrip ‘evidence-based policy-making’ is daar een goed voorbeeld van. Tegelijkertijd stellen ook onderzoekers hun beeld niet bij over de relatie tussen wetenschap en politiek. Zij stralen nog steeds iets uit van ‘vertrouw’ mij want ik vertegenwoordig de ‘waarheid’. Het resultaat is dat nu vooral niet-deskundigen uitmaken wat de ‘waarheid’ is: beleidsmakers en het brede publiek.

Sjoerd Karsten is bijzonder hoogleraar Beleid en Organisatie van het Beroepsonderwijs aan de UvA. Dit is de verkorte tekst van een lezing in het kader van het ‘Actualiteitencollege’ voor de Nederlandse Sociologische Vereniging en het Sociaal en Cultureel Planbureau, gehouden op 17 november 2011 in Den Haag.


[1]
Ik ga niet verder in op de inhoudelijke kant van de zaak. Het gaat mij hier louter om de omgang met een beleidsgericht onderzoek.

Reacties op dit artikel (3)

  1. Laten we het om te beginnen even duidelijk houden en relativeren. Het onderzoek waarover Karsten het heeft betrof 84 kinderen (http://www.kohnstamminstituut.uva.nl/rapporten/pdf/ki840.pdf; maar er zijn over slechts 9 kinderen gegevens verzameld; in hoeverre Karsten het kennelijk eerder uitgevoerde onderzoek erbij betrekt is mij onduidelijk). 84 of 9, te zeggen dat ‘nog geen’ 200 verwaarloosbaar is, als het onderzoek zo’n klein aantal betreft, is demagogie. Bovendien bleek dat het kleine aantal ouders die in het onderzoek betrokken zijn, ‘relatief hoog’ zijn opgeleid.

    Als er al conclusies te trekken zijn op basis van het onderzoek, dan hebben die zeker geen algemene geldigheid. Daarvoor is de populatie gewoon te klein en hoogst waarschijnlijk ook niet representatief voor een feitelijk nieuwe populatie. Terecht dat er kamerleden zijn die die algemene conclusie niet wilden trekken. Te meer ook omdat in het onderzoek geen voorspellende conclusies zijn getrokken.

    Het feit dat de ouders die waren betrokken bij het Islamitisch College Amsterdam zelfs in georganiseerd verband niet in staat waren adequaat onderwijs te verzorgen, geeft terecht reden tot zorg. Die zorg wordt door het rapport niet weggenomen.

  2. Beste Chris,

    Je levert de perfecte illustratie van mijn stelling: een geval van gemotiveerd scepticisme. Ik heb nergens beweerd dat het rapport algemene geldigheid pretendeert; dat staat evenmin in het rapport.
    Die tweehonderd is in mijn ogen een verwaarloosbaar aantal als je dat bijvoorbeeld vergelijkt met de anderhalf miljoen kinderen die in de VS thuisonderwijs volgen. Overigens had ik niet voor niets een voetnoot opgenomen waarin staat dat het mij niet om de inhoudelijke zaak gaat, maar om het mechanisme duidelijk te maken. Dat is gelukt.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *