Alleen fundamentele keuzes kunnen jeugdzorg uit de brand helpen

De jeugdzorg staat zwaar onder druk. De oplossing voor een ontoereikend budget voor een almaar groeiende clientèle lijkt voor de hand te liggen: meer geld. Helaas, dat alleen zal geen soelaas bieden. Er zijn fundamentelere keuzes nodig, zodat preventie in de jeugdzorg echt inhoud krijgt.

Een kleine maand geleden kondigde de minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Hugo de Jonge een stelselwijziging in de Jeugdzorg aan. Over die aanstaande stelwijziging is veel te doen. En terecht want de belangen zijn groot.

Boven alles natuurlijk de belangen van jongeren die hulp nodig hebben en van hun ouders en opvoeders. Daarnaast is er het belang om schaars gemeenschapsgeld zo verstandig mogelijk te gebruiken met een zo groot mogelijk maatschappelijk rendement. Een van de mensen die over de aangekondigde stelselwijziging nadenkt en zijn reflecties deelt, is Jeroen Hoenderkamp. In zijn kritische kanttekeningen bij de tariefregelgeving en het werken met regio’s als bestuurlijke eenheid kan ik me goed vinden.

Niet meer dan een fooi

Echter, anders dan Hoenderkamp geloof ik niet dat we het vraagstuk van de jeugdzorg uitsluitend binnen de jeugdzorg opgelost krijgen. Ook niet als er reële tarieven worden betaald en we erin zouden slagen de administratieve lasten terug te dringen. Het roer moet fundamenteler  om.

Laat ik met een voorbeeld illustreren waarom een radicale koersverandering hard nodig is. Dit jaar ontvingen de 16 Zuid-Limburgse gemeenten gezamenlijk een bedrag van ongeveer €132 miljoen euro voor de jeugdzorg. Diezelfde gemeenten kunnen dankzij een extra uitkering uit het  potje ‘Kansrijke Start’ van VWS €215 duizend per jaar investeren in het bevorderen van een kansrijke start voor kinderen. Let wel: dat bedrag is niet beschikbaar voor elke gemeente apart, maar voor alle Zuid-Limburgse gemeenten samen.

Een dergelijke ‘fooi’staat in scherp contrast met het steeds bredere inzicht – wetenschappelijk onderkend en aangetoond – dat investeren in de kansrijke start van kinderen uiterst belangrijk is.

De verhouding van € 215 duizend tegenover € 132 miljoen is symbolisch voor waar in Nederland de schoen wringt. We blijven erin volharden om problemen aan de achterkant op te lossen. Daar gaat het overgrote deel van ons budget en energie naar toe. Omdat we eigenlijk wel weten dat preventie belangrijk is, gaat daar –  zij het met angstvallig veel schroom –  ook iets van budget en energie naar toe. Eigenlijk net genoeg om de schijn op te kunnen houden. Je zou het preventie-schijn kunnen noemen.

Meer nodig dan brave woorden

De huidige problemen in de jeugdzorg zijn niet te wijten aan een gebrek aan goede bedoelingen. Integendeel, goede bedoelingen zijn er te over. Maar zoals het aloude spreekwoord luidt: de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Er is meer nodig dan brave woorden alleen. Wat hoop biedt en positief stemt, is dat steeds meer mensen onderschrijven dat er fundamentele keuzes moeten worden gemaakt.

Zij willen de oplopende zorgkosten en groeiende medicalisering en tweedeling een halt toe roepen, en alle kinderen een kansrijke start bieden. Bijvoorbeeld door te kiezen voor een fundamenteel andere schooldag waarin het bevorderen van een gezonde leefstijl een belangrijke plek heeft, en waar kinderen vitaal, gezond en sociaal zijn. Of door de toenemende medicalisering van gedrag aan de kaak te stellen zoals Bert Wienen in zijn promotieonderzoek deed. Ook uit een recente NJI publicatie komt het beeld naar voren dat psychosociale problematiek niet lijkt toe te nemen, maar wel het aantal echtscheidingen, de prestatiedruk en problematisch socialmediagebruik. Het versterken van een goede en brede pedagogische basis en het versterken van de preventie worden ook hier als belangrijke ingrediënten voor verbetering gezien.

Om de kansengelijkheid te bevorderen, pleitte Jesse Klaver eind november voor afschaf van de kinderopvangtoeslag en drie dagen per week gratis kinderopvang. In een interview met het dagblad Trouw vroeg de GroenLinks voorman waarom dit überhaupt nog geen gratis basisvoorziening is. Ook Rinda den Besten, voorzitter van belangenorganisatie van primair onderwijs – PO-raad –  stelde die fundamentele vraag al eens.

Tijd voor fundamentele keuzes

Begin december namen de bewindslieden van OCW en Onderwijs gezamenlijk het advies ‘Mét Andere Ogen’ van de coalitie Onderwijs, Zorg en Jeugd aan. Dit advies geeft aan hoe de samenwerking tussen onderwijs, zorg en jeugdhulp op lokaal en regionaal niveau kan worden verbeterd aangekondigd.  In het voorjaar van 2020 zal de Tweede Kamer over de concrete resultaten ervan worden geïnformeerd.

Eind november was Marianne Visser – vooraanstaand lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – te gast bij Jort Kelder op Radio 1. Ook in haar verhaal klonk de roep om fundamentelere keuzes door.

Weg met de schijn van preventie

Hoenderkamp gaf in zijn artikel aan dat er geen kant-en klare oplossingen voorhanden zijn. Daarvoor zijn de problemen in de jeudgzorg te groot. Wat hij wel weet - en ik ben dat helemaal met hem eens - is dat het zo niet langer kan.

Wat in ieder geval gaat helpen is het creëren van meer ruimte voor aanbieders en gemeenten om samen te werken. Geduld, vertrouwen en een continue dialoog met doelgroep en professionals kunnen ook bijdragen aan de broodnodige verbetering. Wat de overheid vooral niet moet doen, is nog meer regels opleggen.

Hoe breng je alle ideeën over de verbetering van de jeugdzorg samen in die ene, alles omvattende oplossing? Waarschijnlijk is er niemand die het precies weet, en kunnen we alleen samen ergens op uitkomen. Een stelwijziging? Misschien. Maar dan moet deze er wel voor zorgen dat we van de bestaande ‘preventie-schijn’ afkomen.

Thomas Gelissen is zelfstandig adviseur in het sociaal domein. Momenteel zet hij zich als programmamanager Trendbreuk Zuid Limburg in om meer kinderen kansrijk, veilig en gezond op te laten groeien. In de periode 2010 – 2016 was hij wethouder Sociaal Domein in de gemeente Brunssum. 

 

Foto: Merlijn Hoek (Flickr Creative Commons)