INTERVIEW Bestuurskundige Mark Bovens: ‘Sinds 1881 waren er niet meer zoveel academici in de Kamer’

Hoe beschouwt hoogleraar Mark Bovens de almaar voortgaande ontwikkeling van de hoogopgeleide volksvertegenwoordigers? Tien jaar geleden agendeerde hij met collega Anchrit Wille al de kwestie van de ‘diploma-democratie’. ‘Sinds 1881 was het aantal hoogopgeleiden in de Kamer niet zo hoog.’

Mark Bovens

‘Het kan niet veel hoger meer’, reageert bestuurskundige Mark Bovens (Universiteit Utrecht, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) als we hem de bevindingen over de diploma’s van de aanstaande Kamerleden voorleggen. In 2017 had ook al ongeveer 90 procent van de Kamerleden een academische bul of een hbo-diploma, bij de aanstaande Kamer zou dat uitkomen op 92 procent. Vooral het aandeel van 80 procent academici in de toekomstige Kamer valt hem op. Bovens: ‘Sinds 1881, in de hoogtijdagen van het censuskiesrecht, is het percentage academici in de Tweede Kamer niet meer zo hoog geweest.’

Bovens voegt eraan toe dat deze trend niet alleen voor de Tweede Kamer geldt, maar ook voor de lokale politiek. ‘In 1993 had nog maar de helft van alle raadsleden een wetenschappelijk of een hbo-diploma, in 2018 was dit al 78 procent.’ Voor wethouders geldt een vergelijkbare trend. ‘Vroeger was een wethouder nog weleens een boer of een middenstander; dat is nauwelijks nog het geval, het zijn allemaal academici.’

Bezwaren tegen misrepresentatie

Nu zou je kunnen denken: laat de slimste koppen het land maar besturen. Maar er zijn volgens Bovens twee grote problemen met deze misrepresentatie. ‘Het eerste bezwaar is symbolisch. Ongeveer 70 procent van de kiezers is lager- of middelbaar opgeleid, terwijl in de Kamer dat niet veel meer dan 7 procent is. Je zegt dus eigenlijk dat 70 procent van de bevolking niet goed genoeg is om volksvertegenwoordiger te zijn, dat ze tweederangsburgers zijn. Stel je voor dat maar 7 procent van de Kamerleden vrouw zou zijn, dan zouden we zeggen: dat kan écht niet.’

Het tweede probleem is dat, meer nog dan gender, opleiding niet politiek neutraal is. Academici hebben heel andere voorkeuren, zorgen en belangen dan praktisch geschoolden. Veel meer dan veertig jaar geleden zorgt een opleiding er bovendien voor dat mensen in gescheiden werelden leven. Bovens: ‘Zaten de vrachtwagenchauffeur en het Kamerlid ten tijde van de verzuiling nog in dezelfde kerk en gingen hun kinderen nog naar dezelfde school, nu komen ze elkaar nauwelijks nog tegen. Dat heeft grote gevolgen voor de politieke agenda.’

Hij wijst naar het onderzoek van Wouter Schakel van de Universiteit van Leiden, die laat zien dat besluiten van de Tweede Kamer veel meer overeenkomen met wat hogeropgeleide kiezers willen. Dit speelt met name bij onderwerpen als integratie, migratie en vraagstukken rond identiteit, maar ook bij economische onderwerpen. Illustratief is volgens Bovens de verhoging van de brandstofprijzen door de regering-Macron die het verzet van de gele hesjes opriep. Uit oogpunt van klimaatbeleid misschien goed te rechtvaardigen, ‘maar men had volstrekt geen oog voor de grote groepen praktijkmensen die erdoor in financiële problemen kwamen’.

Diplomademocratie blijft lastig te agenderen

Bovens heeft de afgelopen jaren ervaren dat het erg lastig is om de kwestie van de diploma-democratie te agenderen, vooral onder academici. ‘Mensen die gestudeerd hebben, denken dan toch: sta ik nu opeens aan de verkeerde kant van de geschiedenis? Er is natuurlijk niks mis met hoogopgeleid zijn, maar de meritocratie treedt buiten haar oevers. Hogeropgeleiden trekken niet alleen in de politiek, maar ook elders in de samenleving steeds meer aan het langste eind.’

Bovens ziet grofweg twee opties die de ontwikkeling van de diploma-democratie enigszins kunnen compenseren. ‘Je kan ten eerste hopen dat ons systeem van evenredige vertegenwoordiging zichzelf repareert door de opkomst van gematigde nationalistische partijen. Denk bijvoorbeeld aan Leefbaar Rotterdam of de groep De Mos. Zij zijn zaakwaarnemers die een stem geven aan de zorgen van middelbaar opgeleiden.’

Een andere weg is dat volksvertegenwoordigers meer uit hun leefwereld komen. ‘Denk aan Rutte, die een ochtend in de week lesgeeft op een school in de Schilderswijk.’

 

 

Foto: uniinsbruck (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1504 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik heb alleen het gevoel dat Mark Rutte niet daadwerkelijk uit zijn leefwereld komt, tijdens het lesgeven aan een MBO. Dat zou zich moeten vertalen in beter beleid voor het middelbaar beroepsonderwijs, en meer begrip voor andere groepen in de samenleving – maar dat laatste vindt Rutte juist niet nodig (zie het stuk over en van de sociologen). Kortom: Mark blijft in zijn bbble, of trkt zich er na het lesgeven snel in terug…

  2. Cultureel maatschappelijk is de Tweede Kamer geen afspiegeling van de bewoners van Nederland.
    Politieke partijen hebben daarom weinig met het volk van doen. Zij selecteren kandidaten veelal met een academische achtergrond die niet de taal van het volk spreken.
    De huidige Tweede Kamer heeft dan ook het meest weg van een aristocratie die alleen het volk nodig heeft als er moet worden gestemd. ‘Populistische’ partijen worden dan ook verafschuwd.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *