Meedoen met een licht verstandelijk beperking gaat niet vanzelf

Mensen met een licht verstandelijke beperking doen op school en op het werk nog niet lekker mee, concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau. Vroegtijdige signalering en hun problemen op meerdere tegelijk aanpakken kan helpen, zegt het SCP.

Sinds 2016 is het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in Nederland van kracht. Hiermee heeft de Nederlandse overheid de verantwoordelijkheid op zich genomen om beleid te realiseren waarmee zoveel mogelijk mensen kunnen meedoen in de samenleving. Voor mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) houdt dat in dat zij bijvoorbeeld de mogelijkheid moeten krijgen naar school te gaan, zelfstandig te wonen, te werken of van het openbaar vervoer gebruik te maken. Vanwege hun beperking gaat dat vaak niet vanzelf.

Naar schatting hebben ongeveer 1,1 miljoen mensen een LVB (Woittiez et al. 2019). Hoewel zij een diverse groep vormen, hebben zij gemeenschappelijk dat ze een laag IQ (testscore tussen 50 en 85) en problemen in de aanpassingsvaardigheden hebben. Dat wil zeggen dat ze meer dan gemiddeld moeite hebben met logisch denken en activiteiten plannen, moeilijker nieuwe dingen onthouden, en abstracte zaken minder makkelijk begrijpen. Ze reageren ook vaker impulsief en overzien de gevolgen van eigen gedrag voor anderen minder goed (Douma et al. 2012). Dat kan leiden tot onhandigheid in sociale situaties of zelfs conflicten met klasgenoten, collega’s of mensen in hun sociale omgeving.

Meedoen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt is moeilijk

Van de jongeren tussen de 12 en 18 jaar met een LVB kan ruim de helft niet zonder extra ondersteuning meekomen in het onderwijs. Daarmee bedoelen we dat ze deelnemen aan onderwijsvormen waar ze extra ondersteuning krijgen: het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs, het vmbo met leerwegondersteuning of het entree-onderwijs. Het aandeel van de jongeren met een LVB dat ondersteuning in het onderwijs nodig heeft, is veel hoger dan het aandeel jongeren zonder LVB dat ondersteuning krijgt (5%).

Mensen met een LVB werken beduidend minder vaak dan degenen zonder deze beperking. Tussen 40 en 55 procent van de volwassenen met een LVB heeft een reguliere baan of is werkzaam op een sociale werkplaats. Van de mensen zonder een beperking werken zeven op de tien (zie o.a. CBS 2019; Holwerda et al. 2013; UWV 2020; Verschuren et al. 2016).

 Leren en omgaan met klasgenoten is moeilijk

Jongeren met een LVB kunnen problemen hebben op verschillende gebieden, zoals communicatie of sociale en relationele vaardigheden. Zo zijn er leerlingen die verbaal sterk zijn, maar meer tijd nodig hebben bij taken met ruimtelijk inzicht en organiseren. Er zijn ook scholieren die non-verbaal sterk zijn en goed zijn in visuele en praktische zaken. Omdat jongeren met een LVB moeite hebben met abstractie, het onthouden van nieuwe dingen en met lezen en rekenen, gaat leren hun moeilijk af. Hun onhandigheid in sociale situaties kan leiden tot frustraties en conflicten in de klas (Rosenboom 2013).

Werkgevers hebben een ‘blinde vlek’

Aangezien een LVB niet altijd direct zichtbaar is, beseffen werkgevers vaak niet dat er een groep medewerkers is die moeite heeft met het begrijpen en uitvoeren van taken. Als ze niet op tijd komen, instructies niet opvolgen of afspraken niet nakomen is dat bij mensen met een LVB geen kwestie van niet willen, maar niet kunnen. Werkgevers hebben daar te weinig oog voor. Zij zijn niet de enigen met een ‘blinde vlek’ (Financiën 2019). Ook de instanties die werklozen met een LVB aan een baan helpen herkennen hun moeilijkheden onvoldoende.

Een ander probleem waartegen mensen met een LVB aanlopen, is dat werkgevers hen vaak niet als geschikte kandidaat zien. Zij hebben geen realistisch beeld van de mogelijkheden van mensen met een LVB: ze over- of onderschatten hen. Tot slot lukt het mensen met een LVB niet goed om op de arbeidsmarkt mee te doen omdat er geen geschikte vacatures voor hen zijn of er geen draagvlak op de werkvloer is.

Wat helpt?

Leerlingen met een LVB hebben vanwege hun beperking een specifieke aanpak nodig. Het helpt hen om het taalgebruik te vereenvoudigen, kleine stapjes tegelijk te nemen bij het uitleggen en de oefenstof zo concreet mogelijk te maken. Om de juiste begeleiding te kunnen bieden, is het essentieel vroegtijdig te signaleren dat leerlingen een LVB hebben.

Daarbij komt dat een vroegtijdige aanpak waarbij ouders, scholen, zorginstellingen, gemeenten en werkgevers samenwerken om meerdere problemen tegelijk aanpakken succesvoller is dan een aanpak die zich richt op één kenmerk van de jongere of diens leefsituatie (Baat et al. 2014). Er zijn goede voorbeelden waarbij scholen, werkgevers en gemeenten afspraken maken over hoe leerlingen vanuit de entreeopleidingen op de arbeidsmarkt geplaatst kunnen worden. Keerzijde van een vroegtijdige signalering is wel dat het stigmatisering in de hand kan werken.

De blinde vlek bij werkgevers en uitkeringsinstanties kan via een voorlichtingscampagne zichtbaar worden gemaakt. Als er meer bewustzijn bij uitkeringsinstanties is, kunnen casemanagers getraind worden om een LVB te herkennen (De Haan et al 2018; Jungmann et al. 2019; Reulings 2018). Voor mensen met een LVB is de kans op het vinden van een baan het grootst in inclusieve organisaties (zie o.a. Zijlstra et al. 2016).

Die kenmerken zich door ruimte voor individuele verschillen en aandacht voor open communicatie. Een jobcoach speelt daarnaast een belangrijke rol in het vinden van een baan, maar ook in de begeleiding op de werkvloer. Zo’n jobcoach zou zich overigens niet alleen op het werk moeten richten. Mensen met een LVB hebben behoefte aan een vaste contactpersoon waar zij met hun vragen en problemen naar toe kunnen (Jungmann et al. 2019).

Meedoen is belangrijk voor iedereen

Naar vermogen meedoen is niet alleen goed voor mensen met een LVB zelf, maar voor de hele maatschappij. Een opleiding met goed gevolg afronden en werken verkleinen de kans op mogelijke andere problemen, zoals schulden, dakloosheid of crimineel gedrag (zie o.a. Kruithof et al. 2019; Van Eijkel et al. 2020).

Door te voorkomen dat problemen uit de hand lopen wordt op kosten om deze problemen te verhelpen bespaard.

De inspanningen om mensen met een LVB naar vermogen mee te laten doen, beperken zich niet tot hun eigen inspanningen, school, werkgevers, collega’s of de inzet van de overheid of hulpverlenende instanties. Daarvoor is ook de inzet van medeburgers zonder een LVB nodig. Zij zullen moeten accepteren dat niet iedereen hetzelfde is. Wat ook helpt, is mensen met een LVB bij hun eigen inclusie te betrekken en naar hen te luisteren. Zij kunnen voor problemen originele en praktische oplossingen aandragen.

Lisa Putman en Isolde Woittiez zijn onderzoekers bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de auteurs van het rapport ‘Meer meedoen. Inzicht in de onderwijs- en arbeidsmarktdeelname van mensen met een licht verstandelijke beperking’

 

Foto: Jansel Ferma from Pexels