Onderwijs dreigt sociaal vormende taak te gaan verzaken

Het pedagogisch klimaat in het onderwijs is in enkele decennia veranderd van emancipatorisch naar technisch-rationeel. De nadruk is komen te liggen op beheersing en het sociale aspect wordt verwaarloosd. Tijd voor actie.

De voornaamste taak van onderwijs is om mensen op te voeden en kennis, vaardigheden en attitudes bij te brengen. Dat opvoeden kan op verschillende manieren. In Vlaanderen is het bijvoorbeeld heel gewoon dat de kinderen op de speelplaats rijen vormen en wachten totdat de leerkracht ze mee de klassen inneemt. In Nederland daarentegen rennen de kinderen trekkend en duwend de klas in, en probeert de docent ze later ze op hun plek te krijgen. Het voorbeeld laat zien dat het Vlaamse onderwijs sterk op disciplinering en aanpassing is gericht en het Nederlandse meer op zelfstandigheid en vrijheid.

Tegenwerking collectieve emancipatie

In de jaren ’50 was de gangbare maatschappelijke en pedagogische moraal in Nederland er ook een van aanpassing: kinderen leerden hoe ze zich moesten gedragen, en autoriteiten te gehoorzamen. In het decennium daarna verschoof de pedagogische focus geleidelijk naar individuele en collectieve emancipatie en naar het verkleinen van de sociaaleconomische ongelijkheid. Deze emancipatie-initiatieven stuitten toentertijd op hevige kritiek van behoudende kringen. Zelfs nu nog, als zij terugkijken, zeggen deze critici dat de bevrijdende jaren ‘60 vooral hebben geleid tot een hyperindividualisme. Diezelfde conservatieven maken daarbij overigens geen melding van de tegenwerking die zij hebben geboden aan de collectieve emancipatie indertijd: individuele emancipatie werd geaccepteerd, maatschappelijke verandering niet. Om ons te beperken tot onderwijs: vele schoolbesturen pleegden grote obstructie bij de ontwikkeling van het projectonderwijs. Een onderwijsvorm waarbij kinderen een grotere rol hebben in hetgeen ze leren, waarin ze zelf dingen mogen onderzoeken en waar de leerstof op school en in de praktijk van alledag nauw met elkaar worden verbonden. En waarom werd het projectonderwijs door schoolbesturen tegengewerkt? Het zou allemaal te politiek worden.

Dat argument hoor je wel vaker als voorgesteld wordt om het onderwijs meer in dienst te stellen van maatschappelijke verandering. Illustratief is de kritiek op het werk van de toenmalige minister van Onderwijs, Jos van Kemenade (PvdA). In zijn voorstellen en beleidsnota’s was altijd sprake van een combinatie van individuele ontplooiing en maatschappelijke emancipatie. Vooral op dat laatste onderdeel was de kritiek hevig. Hoe anders was dat toen het onderwijs vanaf de jaren ’80 in lijn werd gebracht met het dogma van marktwerking en liberalisme. Dat beleid was zogenaamd niet politiek, maar heette een kwestie te zijn van wat de Duitse socioloog Jürgen Habermas zo fraai technisch-instrumentele rationaliteit heeft genoemd. Een rationaliteit waarbij vooral wordt gedacht in termen van middel en doel en dat steevast wordt gepresenteerd als een neutraal programma. Uiteindelijk is het echter ook gebaseerd op de, zij het niet geëxpliciteerde, waarde dat efficiëntie het belangrijkste goed is.

Leren nadenken over betekenis van waarden

Overigens is het niet zo dat het ene, emanciperende, idee in de afgelopen decennia simpelweg is ingeruild voor het andere, rationalistische, idee. Denkwijzen en praktijken uit verschillende perioden lopen door elkaar heen en werken op elkaar in. Er is een voortdurende verschuiving in de dominantie van ideeën. De betekenis van collectieve emancipatie en maatschappelijke verandering is met andere woorden niet verdwenen, maar heeft aan betekenis ingeboet tegenover de individuele ontplooiingsgedachte en de technologische-instrumentele rationaliteit. Hoe ideeën vermengd raken, is duidelijk zichtbaar in het Studiehuis, dat de verantwoordelijkheid voor het leren meer bij de leerlingen zelf legt, maar binnen van te voren vastgestelde kaders. Een individuele ontplooiing binnen een technisch-instrumentele rationaliteit.

Op verzoek van SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling, schreven we onlangs een notitie over de waarden die de Nederlandse samenleving van belang acht en hoe het onderwijs daarop kan inspelen. In die notitie zeggen we onder meer dat het debat over waarden veel belangrijker is dan welke waarden je precies benoemt. We moeten mensen uitdagen om na te denken over de precieze betekenis van waarden. Om bijvoorbeeld te leren democratie te zien als een manier van leven, als een manier om met elkaar om te gaan. Dat idee over democratie in het onderwijs inpassen, is best ingewikkeld want moeilijk in te plannen, te organiseren, uit te voeren en te toetsen.

Selectief gebruik van burgerschap

In dat verband is de geruisloze overgang van de herontdekking van waarden en normen in het begin van deze eeuw in een debat over burgerschap interessant. Een overheid die in een neoliberaal klimaat toch een maakbaar idee van burgerschap heeft, dat ze er bovendien vaak selectief bij sleept, bijvoorbeeld als er zich een incident voordoet bij de bejegening van ambtenaren of maatschappelijke dienstverleners. Mensen worden dan aangesproken op de manier waarop zij zich verhouden tot anderen, maar wel vanuit een beheersmatig idee, niet vanuit een emancipatorisch oogpunt. Trek die lijn door naar onderwijs, dan krijg je een nadruk op disciplinering, autonomie en socialisering. Die disciplinering zie je op allerlei manieren erin blijven. Ook het accent op autonomie blijft sterk, kijk maar naar de vroege selectie in het onderwijs waarbij een kind al op twaalfjarige leeftijd moet kiezen voor zes jaar vervolgonderwijs. Het is geen autonomie in de betekenis van mogelijkheden krijgen, maar van eigen verantwoordelijkheid voor al of niet beperkte mogelijkheden.

En wat te denken van de vroege selectie in het onderwijs? Die is niet goed voor de ontwikkeling van kinderen en heeft ongewenste sociale gevolgen. Immers, mensen met een langzame start, de verborgen intellectuelen, blijven daardoor onbenut. Daarnaast wordt het verbindende karakter van het onderwijs ondergraven door de vaak zo geprezen vrijheid van onderwijs waardoor kinderen en hun ouders ervoor kunnen kiezen om in de eigen groep te blijven en anderen uit te sluiten. Ik vind dat die keus ingeperkt moet worden. Kortom, het sociale mag weer meer aandacht krijgen.

Wiel Veugelers is hoogleraar Educatie aan de Universiteit voor Humanistiek.

Foto: Jannes Linders/Atelier PRO (Flickr Creative Commons)

 

Dit artikel is 1714 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. ‘In Nederland daarentegen rennen de kinderen trekkend en duwend de klas in, en probeert de docent ze later ze op hun plek te krijgen. Het voorbeeld laat zien dat het Vlaamse onderwijs sterk op disciplinering en aanpassing is gericht en het Nederlandse meer op zelfstandigheid en vrijheid.’

    In boven staande zin lijkt Veugelers er blijk van te geven het verschil tussen 1. losbandigheid alias gedrag van een apenkolonie en 2. ‘zelfstandigheid en vrijheid’ niet te kennen.’

  2. “Vrijheid zonder gehoorzaamheid is chaos; gehoorzaamheid zonder vrijheid is slavernij”.
    Dit was de spreuk van de IVO-Kindergemeenschap van Rien de Carpentier in Amsterdam in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. Wiel Veugeler geeft in zijn heldere artikel weer hoe de balans tussen het streven naar emancipatie en disciplinering aan verandering onderhevig was/is. Het commentaar dat rept over losbandigheid alias gedrag van een apenkolonie en zelfstandigheid en vrijheid slaat daarentegen de plank volledig mis;jammer!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *