RECENSIE Het transparantiespook van Paul Frissen

In zijn laatste boek Het geheim van de laatste staat: kritiek van de transparantie behandelt Paul Frissen de complexe relatie tussen de alomtegenwoordige hang naar transparantie en de mogelijkheid van heimelijk staatshandelen. Volgens Frissen is dit een probleem omdat de burger enerzijds transparantie wil, terwijl de staat juist soms heimelijk moet optreden om de vrijheid van diezelfde burger te beschermen tégen transparantiedrang. Hoe rijm je dat?

Op de eerste honderd pagina’s analyseert Frissen ‘transparantie’ als een dominante waarde van het moderne denken. Aan de hand van de geschiedenis en actuele literatuur beschrijft de bestuurskundige de modernistische ijver naar ‘zichtbaarheid en doorzichtigheid’ die met de explosie van digitale technologie alleen maar is toegenomen. De hang naar transparantie, of wat ik in mijn eigen proefschrift heb genoemd: the publicity imperative[1], was ooit de democratische hoop van verlichtingsfilosofen. Maar die heeft, zoals Frissen terecht stelt, de nationale staat er niet zwakker op gemaakt. Sterker, de staat heeft listig gebruikt gemaakt van transparantie voor eigen behoud en versterking.

Frissens centrale betoog is dat de burger tegen dit gevaar beschermd moet worden. Zijn vrijheid staat op de tocht door transparantiedrang en -dwang. Echter, en dat is een beslissende stap in Frissens boek, de beteugeling van dat gevaar moet gebaseerd worden op het geweldmonopolie en geheimhoudingsrecht van de staat (pp. 16, 139). De staat moet soms in het geheim kunnen handelen juist om het geheim van de burger te beschermen (p. 140). ‘Openheid en transparantie zijn geen vanzelfsprekende bondgenoten van de democratie en de rechtstaat’ (p. 242).

Transparantiespook

In de tweede helft van het boek zet Frissen de hang naar transparantie dus in als  argument vóór het geheim van de staat. In het beargumenteren van een geheimhoudingsrecht van de staat gaat het Frissen vooral om het transparantiespook niet in de buurt van de staat te laten komen.

De grote vraag waarmee ik bleef zitten na het lezen van Frissens boek is wat nu precies de functie van zijn betoog is voor de oplossing van het probleem van transparantie? En in het verlengde hiervan: voor wie is transparantie nu vooral een probleem, voor de staat of de burger?

Deze onduidelijkheid ligt ten grondslag aan Frissens verdediging van het eigen geheim van de staat. Het probleem van transparantie wordt namelijk vooral beschreven vanuit het perspectief van de staat, en niet meer vanuit dat van de burger, vanwege Frissens nadruk op de herwaardering van de handhavings- en beschermingstaak van de staat. Zijn uitvoerige behandeling van dit topic laat mijns inziens de belangrijkste vraag dus grotendeels onbeantwoord, namelijk hoe de staat zijn handelen dient te transformeren om het probleem van transparantie voor de burger te verminderen.

Gevaarlijk?

Maar laten we eens naar het probleem van transparantie voor staatshandelen kijken. In hoeverre bestaat dat eigenlijk? Wordt de staat te veel op zijn vingers gekeken in het handhaven van zijn macht ter bescherming van de burger? Heeft de staat hier werkelijk veel last van? Opeens moest ik aan het Oekraïne-referendum denken en aan de conservatieve krachten die dit initiatief heeft losgemaakt. Het democratiseringsspook dat zogenaamd de kop is opgestoken. Is het burgerlijke verlangen naar wat meer politieke democratie zo gevaarlijk?

Het belangrijkste punt in dit opzicht blijft dus dat het staat zélf is die via vele wettelijke maatregelen en beleidslogica’s zijn greep op de burger heeft vergroot in plaats van andersom. Transparantiedrang is vooral bij de staat te lokaliseren (naast natuurlijk bij de techno-economische grootmachten). Een kenbare en voorspelbare burger is voor de staat een groot beleidsgoed.

Met andere woorden, Frissens analyse van het staatsgeheim als doorslaggevende en primaire kwestie bij het formuleren van een kritiek op de transparantie komt wat misplaatst over. Alsof het de staat is die als eerste gered moet worden van het verblindende licht van controle en doorlichting.

Illustratief is de passage over de bedreiging van de bovenwereld (politiek) door de onderwereld. Is dat een probleem van te veel transparantie? Kijkt de burger teveel op de vingers van de staat in zijn rechtshandhaving? Nee toch? Op dat moment vroeg ik mij af waar de transparantienachtmerrie als ultiem controle-instrument van de staat gebleven was in Frissens verhaal.

Machtsrealistisch

Frissens politieke filosofie is machtsrealistisch. Hij waarschuwt weliswaar voor het gevaar van repressie als negatief uitvloeisel van de statelijke bescherming van het geheim van de burger via heimelijke operaties, maar opvallend is zijn kritiek op “moralisten” als Glenn Greenwald en Edward Snowden. Hij noemt hen “grenzeloos naïef” in hun pleidooi voor transparantie. Ik denk dat Frissen de macht van de staat hier onderschat.

Hoe transformeert de staat zichzelf tot een beheerser van zijn eigen ongebreidelde transparantiezucht? Dat is de one million dollar question. En: waar zitten de andere krachten achter de hang naar transparantie en wat te doen met hen? Denk aan ‘Apple’, ‘Facebook’, ‘Samsung’, ‘Microsoft’, Google. Dat zijn onbeantwoorde vragen in Frissens boek.

Aan het einde beschrijft Frissen de richting van zijn oplossing. Hij pleit voor een “inperking van de zorgstatelijke ambities” tot een kleine staat die vooral negatieve vrijheid hooghoudt: het recht om met rust gelaten te worden (p. 245). Een bemoeizuchtige staat die positieve vrijheid wil realiseren is niet meer van deze tijd volgens hem.

Een pleidooi voor negatieve vrijheid is een bekend element in Frissens politieke denken, maar komt op dit moment in het boek uit de lucht vallen. Want hier wreekt zich Frissens eenzijdige benadering van het transparantiespook. Een proces van ‘positieve naar negatieve vrijheid’ is namelijk moeilijk te schetsen omdat hij het probleem van transparantie eigenlijk alleen heeft voorgesteld als effect van democratisering en overmatige openheid en niet als effect van een bemoeizuchtige staat zelf.

De richting die Frissen ingeslagen is, lijkt dus niet overtuigend als verdediging van een nieuwe nachtwakerstaat, omdat hij de staat als oorzaak nauwelijks aandacht heeft gegeven. En bovendien: staat geheimhouding van staatshandelen nou werkelijk onder druk vanwege transparantiedrang? Zie het gemak waarmee François Hollande de noodtoestand handhaaft in Frankrijk of de achteloosheid van politiebezoeken bij opruiende twitteraars in Nederland. De staat permitteert zich zeer veel. Een pleidooi voor terugtreding van die staat vanwege het belang van privacy, minderheden en negatieve vrijheid (pp. 237 e.v.) klinkt mooi, maar is te makkelijk en kort door de bocht.

Meer staatstransparantie

Realistischer en interessanter is om het argument van Frissen om te draaien en te kijken of méér transparantie van staatshandelen misschien tot een verbeterde bescherming van de burger (in termen van privacy en differentie) kan leiden. De kwestie gaat mijns inziens namelijk vooral over de enorme reikwijdte van staatshandelen in plaats van zijn alomtegenwoordige zichtbaarheid. Met dat laatste valt het wel mee.

De sociaaleconomische reikwijdte en technologische doordringing van staatshandelen is het echte probleem en daartegen volstaat niet een ouderwets pleidooi voor negatieve vrijheid. Misschien zorgt betere zichtbaarheid van staatshandelen wel voor meer bescherming van de burger, omdat hij zich dan beter kan wapenen tegen transparantiedwang van de staat.

Ook met betrekking tot actuele wetgeving lijken zichtbaarheid en voorspelbaarheid geen overbodige luxe. Hoe ondernemender en zelfstandiger de netwerksamenleving, des te duidelijker het staatshandelen dient te zijn, lijkt me. Anders is er geen touw aan vast te knopen. Zie bijvoorbeeld de huidige wetswijziging van de VAR-verklaring en alle ophef daarover – een clusterfuck wordt ze door ervaringsdeskundigen genoemd, vanwege de enorme berg administratie die ermee gepaard gaat. Zo een traject heeft vooral met een groot gebrek, en niet een overschot aan transparantie gekampt.

Kortom, Frissen heeft met zijn boek een rijke en belangrijke bijdrage geleverd aan een debat dat de komende jaren gevoerd zal gaan worden. De uitdaging hierbij is een perspectief te ontwikkelen waarbij het probleem van transparantie niet alleen als een probleem voor maar óók als probleem van de staat gaat worden gezien.

Gerard Drosterij is docent filosofie op de Fontys Hogeschool en eigenaar van politiekfilosofisch adviesbureau slowpolitics. Hij schreef het proefschrift Politics as Jurisdiction (2008) over de concepten privaat en publiek in de politieke theorie. Ook was hij columnist voor Metro en BNR en redacteur in het eerste jaar van RTL Late Night.

Noten:

[1] Gerard Drosterij (2008) Politics as Jurisdiction: A New Understanding of Public and Private in Political Theory, dissertation Tilburg University, hoofdstuk 1.