Taal bepaalt of we ons erbij horen voelen

‘Waar kom je vandaan?’ Wie deze vraag te horen krijgt, wordt gezien en bestempeld als ‘anders’, afwijkend van een bepaalde norm, als buitenstaander. Lotte Thissen deed etnografisch onderzoek in Roermond naar de manier waarop taalgebruik mensen het gevoel geeft er wel of niet bij te horen.

De provincie Limburg wordt vaak geassocieerd met carnaval, katholieken, dialect en de zachte g. Mijn studie naar dagelijkse taalpraktijken van mensen in Roermond laat echter zien dat ‘de provincie’, net als de Randstad, een gebied is waar meertaligheid en culturele diversiteit bestaat. In Roermond vinden er interessante ontmoetingen tussen sprekers plaats in allerlei combinaties van wat we zien als dialect, Nederlands, een mondiale taal als Engels en migratie- en mobiliteitstalen als Arabisch en Turks.

Daarbij is er een groot verschil tussen wat mensen zeggen dat ze doen en wat zij in werkelijkheid doen; de mede-eigenaar van een supermarkt vond dat het voor hem, als Turk, blöd (dom) is om plat (dialect) te praten, maar tijdens mijn veldwerk heb ik hem dagelijks dialect horen spreken met klanten, naast allerlei andere talen.

Mijn onderzoek bevestigt daarmee de constatering dat mensen geen complete talen kennen of spreken maar dat zij eerder doen aan languaging (Jørgensen et al. 2011): een proces waarbij mensen talige vormen, bijvoorbeeld woorden of klanken uit andere talen, toevoegen aan hun repertoire afhankelijk van de communicatieve doelen en contexten waarin zij zich bevinden.

Iedereen kan zich buitenlands voelen

Om inzicht te krijgen in de manieren waarop mensen talig met elkaar omgaan in het dagelijks leven in Limburg onderzocht ik welke talige vormen zij gebruiken om elkaar aan te spreken en het gevoel te hebben er wel of niet bij te horen op een bepaalde plek.

Deze kwesties zijn belangrijk in een meertalige en cultureel diverse wereld waarin we elkaar dagelijks bevragen op basis van taal en cultuur over wie dé Nederlander of dé Limburger is en wie niet. Mensen zijn in alledaagse en op het eerste gezicht onschuldige ontmoetingen voortdurend grenzen aan het trekken tussen ‘wij’ en ‘zij’ door het gebruik van verschillende talige vormen. Hierdoor kan iedereen zich buitenlands of out of place, niet thuis, voelen, ongeacht afkomst of geboorteplek.

Negeren van iemands taalvaardigheid kan pijnlijk zijn

Er bestaat een hechte relatie tussen taalgebruik en gevoelens van erbij horen. Door middel van taalgebruik identificeren wij ons voortdurend met anderen of zetten we ons van anderen af. De vraag ‘waar kom je vandaan?’ zet iemand weg als buitenstaander die er niet bij hoort, ook al voelt deze persoon misschien juist het tegenovergestelde.

Ik pleit er daarom voor dat we ons tijdens ontmoetingen met nieuwe mensen open opstellen en vragen welke taal we met hen kunnen spreken in plaats van aan te nemen dat zij geen dialect, Nederlands of welke taal dan ook spreken. Het feit dat iemand er ‘anders’ uit ziet of buiten Limburg geboren is, wil niet zeggen dat hij of zij geen dialect spreekt. Het negeren of ter discussie stellen van iemands taalvaardigheid, en daarmee zijn of haar gevoel van belonging, kan een pijnlijke ervaring zijn (Thissen, 2015) en leiden tot gevoelens van uitsluiting.

Gevoel van erbij horen hangt samen met plek waar men zich bevindt

Mijn veldwerkervaringen in Roermond bevestigen dat gevoelens van er wel of niet bij horen sterk afhankelijk zijn van de plekken waarin we ons begeven en de gesprekken die we met anderen hebben. Zo voelde ik me zelf, als onderzoekster, in eerste instantie een buitenstaander tijdens mijn veldwerk bij de carnavalsvereniging terwijl dat, naarmate het seizoen vorderde, steeds minder werd.

In de supermarkt was mijn gevoel erbij te horen afhankelijk van de gesprekken die ik had; wanneer mensen me uitsluitend in het Arabisch of Turks aanspraken en ik hen niet kon verstaan, was ik duidelijk ‘de ander’. Erbij horen of niet is dus alles behalve een vaststaande state-of-being.

Dit betekent dat iedereen gevoelens van ‘buitenlandsheid’ kan ervaren, afhankelijk van de plek waar men zich in bevindt. Dit maakt ook termen als autochtoon en allochtoon willekeurige containerbegrippen die mensen beperken en geen inzicht geven in hun daadwerkelijke ervaringen. Twee mannen in mijn onderzoek, geboren in ‘Holland’, zouden ‘autochtoon’ zijn, maar ze blijken zich ‘allochtoon’ te voelen in hun eigen land, in Limburg – ondanks dat ze dialect verstaan, spreken en carnaval vieren.

Taal heeft sleutelrol

Kortgezegd heeft mijn onderzoek aangetoond dat mensen, ongeacht hun geboorteplek of achtergrond, voortdurend bezig zijn met talking in and out of place, met anderen of zichzelf zeggen er wel of niet bij te horen. In de beleefde gevoelens van in- en uitsluiting binnen verschillende plekken speelt taal een sleutelrol.

Meer kennis van de manieren waarop mensen zich met taal plekken toe-eigenen en gevoelens vormen van er wel en niet bij horen geeft ons meer inzicht in de sociale relaties en de ideeën en percepties van mensen in de huidige samenleving. Dit inzicht kan in mijn ogen als thermometer voor sociale cohesie en maatschappelijk welzijn dienen.

Lotte Thissen werkt als docent (interculturele) communicatie aan de faculteit International Business and Communication bij Zuyd Hogeschool te Maastricht. Zij promoveerde onlangs aan de Universiteit Maastricht op het proefschrift ‘Talking In and Out of Place: Ethnographic reflections on language, place, and (un)belonging in Limburg, the Netherlands’.

Foto: Ars Electronica (Flickr Creative Commons)