Verveling als ervaring van onzekerheid en waarom activering niet helpt

Activering zou mensen zonder baan moeten helpen voldoening te geven. Maar dat helpt niet tegen de verveling die mensen voelen als gevolg van onzekerheid. Deze verveling ontstaat als wat men normaliter kan verwachten te lang uitblijft: een vaste baan, een huis en een gezin. Met de flexibilisering van de verzorgingsstaat is dat allemaal niet zo zeker meer.

De Nederlandse economie is weer op gang, lezen we. De werkgelegenheid trekt aan, en er zijn weer bijna net zo veel of weinig mensen werkloos als voor de crisis van 2008. Maar we missen een belangrijke dimensie van de huidige arbeidsmarkt: de ervaring wegwerp te zijn en aan de kant te staan. Het was de ervaring van velen die tijdens de crisis en de bezuinigingsjaren daarna hun plek op de arbeidsmarkt verloren: ontslagen, ‘moeilijk bemiddelbaar’, ‘overcompleet’ verklaard.

Voor jongere generaties betekenen de economische veranderingen die we het laatste decennium hebben gezien dat velen nooit echt een stabiele plek op die arbeidsmarkt veroverden: ze doen een klus hier en een project daar, soms met lange tussenpozen. Ze hebben een LinkedIn pagina maar te weinig inkomen om van te leven, laat staan om een gezin van te onderhouden. Ze kunnen worden ingehuurd om zonder pardon weer aan de kant te worden gezet.

Verveling als gevolg van kwetsbaarheid

De ervaring aan de kant te staan en wegwerp te zijn is een ervaring van kwetsbaarheid en onzekerheid. Het is een ervaring die vaak gepaard gaat met een diep gevoel van verveling, zo vonden wij in ons onderzoek naar verveling en marginalisering. Verveling is dan niet enkel ‘niets doen’, maar de ervaring dat wat zou moeten gebeuren, wat je verwacht had dat zou gebeuren, uitblijft.

Een baan en de erkenning die daarbij hoort, een huis, een gezin: voor veel mensen zijn dat de elementen van een ‘normaal’ leven. Het is een normaliteit waar velen naar verlangen maar die in de huidige mondiale economie onzeker is geworden en niet voor iedereen binnen handbereik.

Verveling: van privilege naar precariteit

Verveling is lang gezien als een ervaring van niet hoeven te werken. Een ervaring van zijn zonder te doen, of zijn zonder te hoeven doen. Volgens de Nederlandse filosoof Awee Prins is verveling het lijden aan voorspoed. Zij die lijden aan ziekte of armoede, geweld of verdriet, lijden niet aan verveling, zo stelt hij. Dat is in lijn met een Europese geschiedenis van denken waarin verveling in de belangstelling stond als ervaring van privilege: een elitaire ziekte (naar Rousseau) of een uitvinding van de aristocratie (naar Dostojevski, beiden geciteerd in Prins).

Het was dus een teken van voorspoed, maar toch ook een vorm van lijden: een ervaring van tijd die zich pijnlijk lang uitstrekt. Desalniettemin communiceerde de geprivilegieerde klasse die verveling ook graag. Ze besteedde haar tijd aan zaken die demonstratief niet noodzakelijk waren: het ontwikkelen van smaak, bijvoorbeeld, of het verzamelen van kunst. Conspicuous leisure, noemde Thorstein Veblen dat. Ondertussen ploeterde de arbeidersklasse door – zonder tijd om verveeld te zijn. Dat het hebben van tijd de ultieme luxe zou zijn (een adagium dat nog steeds veel te horen is onder de allerrijksten) komt uit dit denken voort. Een leven zonder noodzaak: dan pas demonstreer je dat je boven aan de hiërarchie staat!

In 2017 is verveling allang geen luxe meer. Versterkt door de crisis van 2008 staan veel mensen (af en aan) aan de kant en lijden daarom aan verveling. Dat is zo in West-Europese, post-fordistische economieën als de onze, maar ook in delen van de wereld die eerder post-socialistisch of post-koloniaal te noemen zijn. Verveling is nu veel meer een ervaring van precariteit: van kwetsbaarheid en onzekerheid. Immers, de crisis versnelde herstructurering van economieën over de hele wereld: automatisering, financialisering, afbouw van collectieve vangnetten. Dat heeft tot gevolg dat de groep die het meeste van de tijd geen werk heeft is gegroeid. Daarnaast biedt werk, voor hen die dat wel vinden, niet langer zekerheid .

Ons beeld van de normaliteit past niet bij de nieuwe onzekerheid

Ook in Nederland is na een uitzonderlijke tijd van zekerheden nu onzekerheid steeds meer de norm. Die zekerheden waren zorgvuldig opgebouwd. De verzorgingsstaat zorgde voor een vangnet voor de kwetsbaarheden die bij het leven horen maar ook kwetsbaarheden die de markt veroorzaakt. De vakbonden vochten voor een werkweek van vijf dagen, voor vakantiedagen en voor een inkomen waarvan het mogelijk was om een gezin te onderhouden.

Het evenwicht dat de staat, de markt en arbeid op die manier organiseerden, was gestoeld op zo volledig mogelijke arbeidsdeelname (van mannen, vrouwen werkten in dit model typisch onbetaald thuis). Zo veel mogelijk mannen, zo was het model, hadden volledige banen en daarmee kon de verzorgingsstaat georganiseerd en gefinancierd worden. Baanzekerheid, een huis, een gezin: ons beeld van ‘normaliteit’ komt uit deze decennia na de Tweede Wereldoorlog, decennia van relatieve stabiliteit en economische groei.

Wegvallende zekerheid van de verzorgingsstaat

De zekerheden die de verzorgingsstaat ons biedt zijn geslonken en met de crisis is dit proces versneld en uitvergroot. Als gevolg daarvan verandert het ritme van een werkzaam leven. Voor velen wisselen ‘actieve’ (betaalde arbeids-)momenten zich af met ‘inactiviteit’ (zonder betaalde arbeid). Er is volgens de Britse socioloog Lisa Adkins na de recessie voor de meeste werkenden sprake van een continuüm van productieve momenten: een paar maanden werk, dan weer werkloos, dan een korte klus, dan weer werkloos, een reïntegratieprogramma, dan weer werkloos en zo verder. Die werkloosheid of ‘inactiviteit’ is tegenwoordig ook helemaal niet meer zo passief of ‘inactief’ als we vaak geneigd zijn te denken.

Werklozen zitten allang niet meer alleen op de bank. Mensen draaien mee in een reïntegratietraject, doen als zzp’er nog wat klussen of zijn verplicht tot vrijwilligerswerk. Werkloosheid en werk hebben zijn daarmee ook steeds meer op elkaar gaan lijken: beiden zijn momenten of perioden van activiteit. Naast dat het ons helpt bij het voorzien in onze behoeften, hechten we ook veel waarde aan betaald werk voor het gevoel van erkenning dat het ons geeft. Dit maakt dat velen van ons verlangen  naar de uitbuiting waar de vakbonden nu juist zo tegen vochten: slecht betaald en onzeker werk. Dat die vaste baan en de zekerheid die daarbij hoort uitblijft, kan verveeld voelen: het voelt alsof het échte leven, het verwachte leven, buiten bereik is.

Beleidspraktijken blijven achter bij nieuwe realiteit

Verveling is daarom een heel belangrijk kenmerk van de post-crisis-economie. Andrea Muehlebach karakteriseerde het verlangen naar bepaalde vormen van activiteit en zekerheid wel als een spookachtige aanwezigheid van twintigste-eeuwse verwachtingen: het is alsof de geest van de verzorgingsstaat en de industriële economie ons achtervolgt en stuurt, terwijl de werkelijkheid inmiddels een andere is. Ook in beleid is er sprake van zo’n spookachtige aanwezigheid. Terwijl in deze economie minder garanties op een leven lang werk of wonen bestaan, houdt veel beleid individuen die geen vast werk hebben wel zelf verantwoordelijk voor hun situatie.

Die verwachtingen (dus zowel aan de kant van beleid als aan de kant van de burger) van bepaalde vormen van ‘activiteit’ en ‘normaliteit’ leidt tot allerhande programma’s voor ‘activering’. ‘Activering’ is vaak arbeidsmarktbeleid, bijvoorbeeld in EU verband, maar soms gaat het ook over vrijwilligerswerk of over ouderschapscursussen. Steeds maakt het individuen (burgers, moeders, bijstandsgerechtigden) verantwoordelijk voor wat we ‘inactiviteit’ vinden. We proberen te sleutelen aan hun sollicitatievaardigheden, we vertellen moeders dat ze zich meer verantwoordelijk moeten voelen voor stedelijke problematiek, we zeggen dat een uitkering natuurlijk niet zonder ‘tegenprestatie’ kan.

Kwetsbaarheid leidt tot dusver niet tot de vorming van een collectief maar tot onderlinge verwijten

Dit gaat echter voorbij aan de structurele veranderingen van de economie die de zekerheden, waar we nog altijd vanuit lijken te gaan, uithollen. Bovendien zijn onzekerheid en kwetsbaarheid niet gelijk verdeeld. Iedereen is fundamenteel kwetsbaar, maar sommigen zijn daartegen veel beter beschermd dan anderen.

De verveling die bij die kwetsbaarheid hoort is daarom vaak een ervaring van ‘opzij geschoven’ te zijn. Het is het gevoel waardeloos te zijn, niet nodig, geïsoleerd. Een leven zonder noodzaak dus, maar nu is dat geen demonstratieve welvaart, maar de ervaring ‘wegwerp’ te zijn: nodig totdat je niet meer nodig bent. Guy Standing verbindt daar ook politieke conclusies aan: dat gevoel wegwerp en onnodig te zijn kwetst mensen en in plaats van zich collectief te verenigen, leidt dat tot dusver tot een politiek waarin kwetsbare groepen elkaar hun kwetsbaarheid verwijten.

Activering verlicht verveling niet

‘Activering’ geeft mensen wellicht een dagbesteding: een reïntegratieprogramma, een cursus. Maar het is zeer de vraag of het de verveling die hoort bij onzekerheid verlicht. Die verveling, immers, gaat over het uitblijven van een verwacht, ‘normaal’, leven. Hedendaagse economieën hollen die normaliteit uit. Routines en verhoudingen die hoorden bij de verzorgingsstaat maken plaats voor voortdurende onzekerheid en het ‘niets doen’ dat daarbij hoort.

Dit voelt voor mensen als een verlies van autonomie en van wachten op een leven dat misschien nooit komen gaat. In plaats van activering die mensen individueel verantwoordelijk maakt is een politiek nodig die kwetsbaarheid, onzekerheid en verveling serieus neemt, een politiek die  zekerheden en bescherming opnieuw uitvindt en verdeelt.

Marguerite van den Berg is universitair docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt nu aan onderzoek over precair werk in Nederland.

Bruce O’Neill is universitair docent aan Saint Louis University in de Verenigde Staten. Hij deed jarenlang onderzoek naar ongelijkheid verveling in Roemenië.

Dit essay is gebaseerd op een thema issue van het tijdschrift Focaal over verveling als dimensie van precariteit.

 

Foto: Marco Nürnberger (Flickr Creative Commons)