De verhuizing van de verzorgingsstaat

jan willem duyvendak, loes verplanke & yoren lausberg 64 het karig en sober is. Ja, je kan je bij de mensen thuis beter een mening vormen, je ziet gewoon veel meer. Op kantoor en door de telefoon weet je dat niet, hè.’ ( p63-pi ) ‘Je moet het van allerlei signalen hebben. En als ik bij iemand op huisbezoek ga krijg ik natuurlijk veel meer signalen. Een voor- tuin, een achtertuin, lopen er wel of niet beesten rond? Lopen er kinderen rond? Dat zegt vaak een hele hoop hè. Maar ook hoe iemand eruitziet, hoe schoon de kleding is, of iemand een verzorgde indruk maakt, de eerste blik is voor ons allemaal vaak een heel belangrijk signaal wat veel richting kan geven.’ ( p60-pi ) De huiselijke setting wordt zo een bron van informatie voor de industriële logica: hoeveel ondersteuning heeft de betreffende per- soon nodig, en wordt de hulp die al gegeven wordt wel goed aange- wend (of misbruikt)? Deze verknoping van verschillende logica’s komt voor cliënten soms als een onaangename verrassing. De in- formele, vriendschappelijke sfeer bekoelt als de professional infor- matie gebruikt om een cliënt te confronteren met problematische kanten van die huiselijke wereld. Uit een van onze observaties: We zitten aan een klein eettafeltje naast het raam op de vierde verdieping van een grote flat. De kamer is sober ingedeeld, behalve de eettafel staat er alleen een bank en een tv. Een grote hond ligt te slapen in de hoek. De sociaal werker voert een gesprek met een vrouw, die sinds een beroving met geestelijke problemen en grote schulden kampt. De sociaal werker neemt haar financiën door: haar uitgaven en inkomen, en of er nog familieleden zijn die iets kunnen bijdragen, maar dat is een bela- den onderwerp. Dan vraagt de sociaal werker hoeveel de vrouw maandelijks aan haar hond uitgeeft en of het niet een goed idee is om de hond weg te doen. De vrouw reageert fel. Ze zegt dat ze er niet aan denkt om haar hond weg te doen. Hij is nog de enige

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=