De verhuizing van de verzorgingsstaat
femmianne bredewold en loes verplanke 84 Tijdens een keukentafelgesprek met een man van 81 jaar legt de sociaal werker uit dat het tegenwoordig de bedoeling is dat men- sen elkaar meer helpen. De man zegt dat ze dit in het appartementencomplex laatst ook al te horen hadden gekregen. ‘Maar in dit gebouw zijn we allemaal met ouwe lui, die allemaal hun gebreken hebben. We zijn hier in het portiek heel goed met elkaar, maar we zijn te oud en gebrekkig om elkaar te helpen. Het is hier echt de lamme en de blinde.’ (p161-o) Geen of beperkt netwerk Een deel van de mensen met een zorgvraag heeft geen sociale con- tacten. Bij de door ons geobserveerde keukentafelgesprekken geldt dit voor 16 procent van de mensen. Het gaat dan in de eerste plaats om mensen met een verstandelijke beperking of met psychiatri- sche problematiek. Sociale contacten onderhouden of opnieuw op- bouwen, is vaak moeilijk voor hen omdat ze niet altijd sociaal vaar- dig zijn, weinig zelfvertrouwen hebben en veelal te maken hebben met stigma’s (Bredewold 2014 ; Bredewold e.a. 2016 ; Verplanke & Duyvendak 2010 ; Van Lieshout 2010 ). In de volgende situatie is dat bijvoorbeeld het geval: De Wmo-consulent vraagt aan de vrouw met zowel ernstige li- chamelijke als psychiatrische problemen wat zij zelf in huis zou kunnen doen. De vrouw zegt dat ze eraan twijfelt of ze in staat is om zelf te koken en dat ze ook niet weet hoe het met de bood- schappen moet. De Wmo-consulent vraagt of ze iemand heeft die haar daarbij kan helpen. ‘Nee’, zegt de vrouw, ‘ik heb niemand. Ik heb een hele kleine familie, mijn vader is in de tachtig en ik ben enig kind.’ ‘En vrienden?’ vraagt de Wmo-consulent. ‘Nee’, zegt de vrouw, ‘voordat ik een tijd werd opgenomen was ik zo in de war dat ik iedereen van me heb afgestoten.’ (p168-o) Verschillende geïnterviewde sociale professionals maken zich over
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=