De verhuizing van de verzorgingsstaat
professionaliteit, democratie en solidariteit onder druk 241 weinig van terecht. De beperking van de kosten voor de verzor- gingsstaat en een grotere aanspraak op het eigen sociale netwerk worden gepresenteerd als dermate onvermijdelijk en noodzakelijk dat debat daarover mogelijk noch nodig is. De verzorgingsstaat is ‘nu eenmaal onhoudbaar’, hij ‘is niet meer van deze tijd’, ‘we ontkomen er niet aan om ...’ − dat zijn de termen waarin de de- centralisaties en de bezuinigingen in de door ons geanalyseerde beleidsteksten gerechtvaardigd worden. Dit zien we overigens ook in andere publicaties, bijvoorbeeld bij Nico de Boer en Jos van der Lans, pleitbezorgers van ‘burgerkracht’, die schrijven dat er geen weg terug is (De Boer & Van der Lans 2011 ). Een vergelijk- bare redenering kwam naar voren uit het filmpje van Postbus 51 ‘Nederland verandert, de zorg verandert mee’ en in daaraan gere- lateerd voorlichtingsmateriaal. Het zou om een onomkeerbare ontwikkeling gaan, die boven discussie verheven is. Dit noodzakelijkheids discours wordt vaak aangevuld met een verhaal over wat ‘de’ burgers eigenlijk wensen, namelijk om meer zelf te doen en meer voor elkaar te doen. Het idee dat de beper- king van professionele hulp niet alleen noodzakelijk maar ook door allen gewenst is, beperkt de publieke discussie erover. De voorkeuren van diverse (hoger en lager opgeleide, mannelijke en vrouwelijke) burgers zijn bovendien in omgekeerde richting ver- anderd, zo liet Thijs van den Broek ( 2016 ) zien. Tussen 2002 en 2011 nam onder al deze verschillende groepen (in uiteenlopende mate) de voorkeur voor een ‘warmmodern zorgideaal’ (met vooral informele zorg) af en die voor een ‘koudmodern zorgideaal’ (met vooral professionele zorg) toe (Van den Broek 2016: 95 ). Dit terwijl in die periode thuiszorg en intramurale zorg minder toegankelijk werden, zoals Van den Broek ook aantoonde (zie hoofdstuk 1 ). Die verminderde toegang is ook te zien aan de aanscherping van de norm van ‘gebruikelijke zorg’ − waarmee de overheid vaststelt wat burgers die een huishouden delen minimaal voor elkaar moeten doen – eveneens nog vóór 2015 (Grootegoed e.a. 2014 ).
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=