De verhuizing van de verzorgingsstaat

femmianne bredewold en loes verplanke 72 De overheid wil dus dat mensen hun sociale contacten aan- spreken voordat ze een beroep doen op professionele zorg. De be- leidsnota’s van de zes gemeenten uit ons onderzoek vormen een echo van die van de rijksoverheid. In Leeuwarden klinkt dat bij- voorbeeld zo: We gaan een sterker beroep doen op de eigen verantwoordelijk- heid van mensen en gaan uit van de veerkracht van onze inwoners. Heeft iemand hulp nodig? Dan stellen we eerst de vraag wat precies het knelpunt is (…) Vervolgens is aan de orde wat hij of zij zélf kan oplossen, eventueel samen met hulp van mensen die dichtbij staan. Bijvoorbeeld familie, vrienden of buren. Als dat niet lukt, helpen we. (…) En wie een netwerk heeft kan terugvallen op anderen en maakt minder gebruik van voorzieningen. (Leeuwarden 2014: 14 ) In Sittard-Geleen wordt benadrukt dat de decentralisaties gepaard gaan met bezuinigingen en dat er daarom een groter beroep zal worden gedaan op ‘de eigen kracht en het netwerk van de burger in de eigen wijk, kern of dorp’ (Sittard-Geleen 2014: 2 ). De ge- meente Zwolle stelt onder meer dat haar inwoners erop vooruit zullen gaan nu ‘de eigen kracht’ en ‘inzet van het sociaal netwerk’ centraal staat in het gemeentelijk beleid. Hierdoor krijgen zij ‘op- nieuw regie’ en dan zijn ze weer in staat om ‘hun eigen leven te organiseren’ (Zwolle 2014: 20 ). Professionals worden opgeroepen ‘los te laten’. Loslaten is een van de kwaliteiten die sociaal wer- kers in het Zwolse wijkteammoeten hebben (Zwolle 2014: 11 ). En Eindhoven heeft het over het ‘versterken van de sociale basisstruc- tuur’ opdat het beroep op professionele zorg teruggedrongen wordt. En ‘als inwoners toch professionele ondersteuning nodig hebben moet die aanvullend en versterkend zijn op de eigen en samen- kracht van de desbetreffende bewoner’ (Eindhoven 2013: 15 ). De nadruk op informele zorg door familie, vrienden en buren

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=