De verhuizing van de verzorgingsstaat
ik blijf een kwetsbaar mens met een kwetsbaar netwerk 89 De professional vraagt of haar broer en zus haar niet kunnen helpen. De vrouw vertelt dat ze wel contact met ze heeft, maar niet intensief. Ze ziet hen bijvoorbeeld niet elke maand en dat hoeft ook niet voor haar. De professional vraagt of ze haar wel helpen? De vrouw zegt dat dit in het verleden wel het geval is geweest, maar dat ze niet meer in die rol wil zitten. Ze wil geen zorgenkindje meer zijn. (p53-o) Uit diverse gesprekken blijkt dat vooral jongeren en adolescen- ten zich willen losmaken van hun ouders als een natuurlijk pro- ces naar zelfstandigheid. Zij verzetten zich dan tegen hulp van en ondersteuning door hun ouders. Ze vinden dat het niet past bij de levensfase waarin ze zitten om hulp aan hun ouders te vragen: ‘Er was ook het idee dat mijn beide moeders meer zouden kun- nen doen. Maar daar ben ik het niet mee eens. Het zou een keer kunnen dat ze meegaan, maar het is niet zo dat ik nou volledig op hun wil bouwen, want dat is hun rol gewoon niet. Ik ben 25 jaar, ik wil echt op eigen benen staan zonder dat ik continu de moederschoot induik.’ (p9-ci) Zo ook deze jonge vrouw van begin twintig: ‘Eerlijk gezegd haal ik meer kracht uit mezelf dan uit mensen van mijn netwerk. Kijk, mijn zus en mijn vader en moeder zien me als klein meisje, maar ik ben misschien sterker dan zij zijn. Zij houden mij eigenlijk klein. Ze zeggen steeds maar: “Nee dat kan je niet, en dat moet je niet doen.”’ (p110-o) In een andere levensfase spelen soms ook problemen binnen fami- lierelaties. Ouderen valt het vaak zwaar om afhankelijk van hun kinderen te moeten worden. Ook als de kinderen zelf duidelijk maken dat zij hulp willen geven, voelen ouders zich tot last:
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=