TSV 3 - najaar 2020

Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken NAJAAR 2020 nummer 3 11 J ohan is 63 jaar, hij woont bij een van ons in de straat, op tweehoog, in een beschimmeld kamertje van 3 bij 4meter waar hij 600 euro voor betaalt; een flinke hap uit zijn bijstandsuitkering van 999 euro. Het gaat slecht met hem, hij verwaarloost zichzelf en is sterk vermagerd. Zijn benen doen pijn waardoor hij de steile trappen bijna niet meer afkomt, hoe graag hij ook elke dag even naar buiten gaat. Omdat hij niet verzekerd is – ‘Hoe zou ik dat moeten betalen?’ – gaat hij niet naar de dokter. Van de sociale dienst kreeg hij een vriendelijke brief: ‘Hoe gaat het met u?’ Vanwege de corona hoefde hij niet langs te komen; of hij zou willen bellen ‘wanneer het uitkomt’. Ondertussen ging het steeds slechter met hemenmeldde hij zich ten einde raad bij het ziekenhuis, waar ze hemnu al twee weken vasthouden. Braaf belde hij vanuit zijn ziekenhuisbed de sociale dienst. Demevrouw reageerde heel aardig, zei Johan: ‘Als u in het ziekenhuis ligt, zullen we u niet lastigvallen.’ En dat is precies het probleemvan de bijstand: er is geen bijstand . Waaromvraagt de gemeente niet hoe Johan geholpen kan worden? Het lijkt op papier zomooi geregeld, met een uitkering en de opdracht iedereen aan het werk te helpen. Maar zie wat de werkelijkheid is: bijna een half miljoenmensen diemerendeels al jarenlang, dag in dag uit, uitzichtloos op de bank zitten. Een klein deel van hen, de ‘kansrijken’, wordt vruchteloos achter de broek gezeten, terwijl het grootste deel juist nauwelijks aandacht krijgt en afgeschreven lijkt voor de samenleving. Dat mag je institutionele verwaarlozing noemen. Niet voor niks gaan in de discussie over de hervorming van de arbeidsmarkt steeds meer stemmen op omook de bijstand op de schop te nemen, bijvoorbeeld van de Commissie Regulering van Werk (commissie-Borstlap) en het PlatformToekomst van de Arbeid, waaraan tal vanmaatschappelijke organisaties deelnemen. Wat is er aan de hand? En vooral: Hoe kan de bijstand beter? Probleemanalyse De bijstand kwam in 1965 als een laatste vangnet naast het verzekeringsstelsel, waar werklozen en zieken een beroep op konden doen en waar werkgevers en werknemers premie voor betaalden. De bijstand zou alleen sporadisch nodig zijn; een barmhartige regeling voor enkelen, bekos- tigd door de overheid. In plaats van bedelend bij de charitas konden zij numet ‘opgeheven hoofd’ een uitkering aan- vragen, hoog genoeg voor ‘een bloemetje op tafel’, zoals Marga Klompé, de verantwoordelijkeminister, dat zei. Meer dan vijftig jaar later is de bijstand een van de belang- rijkste vormen van steun geworden in onze verzorgings- staat. Maar liefst 413.000mensen hadden begin 2020 een bijstandsuitkering, en dat was op het hoogtepunt van de economie toen we ‘meer banen hadden dan ooit’. Die aanzienlijke omvang komt onder andere doordat in de loop der jaren de arbeidsongeschiktheidsregelingen selectiever zijn geworden, en de werkloosheidsverzekering korter. Recent komt daarbij de groei van het aantal flexwerkers, die vaker een beroep doen op de bijstand. Het gevolg is dat − anders dan ooit bedoeld − de bijstand een belangrijke dimensie van het verzorgingsstelsel is geworden in plaats van een vangnet voor enkelen. De sociale partners – werkgevers en werknemers – hebben grotendeels hun handen afgetrokken van een grote groepmensen die nu voor rekening komt van de gemeenten. Om wie gaat het? De bijstandspopulatie is een zeer gemêleerd gezelschap: van alleenstaandemoeders en laagopgeleide 55-plussers tot statushouders en hoogopgeleide zzp’ers die geen Een betere bijstand BESCHOUWING TEKST Monique Kremer en Jelle van der Meer FOTO Marcel van den Bergh/ANP

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=