TSV 3 - najaar 2020

42 Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken NAJAAR 2020 nummer 3 BESCHOUWING worstelde bijna een op de tien huishoudens met proble- matische schulden (CBS 2020b). En kon een op de zeven huishoudens geen onvoorziene tegenvaller opvangen (DNB 2020). De branchevereniging voor schuldhulpverlening, de NVVK, stuurde gemeenten in juli van dit jaar een brand- brief waarin zij waarschuwt dat gezien de economische ontwikkelingen een schuldengolf onvermijdelijk is (Binnenlands Bestuur 2020). Welbevinden onder druk Maatregelen die verdere verspreiding van het corona- virus moeten beteugelen, trekken een zware wissel op ons welbevinden. De eerste onderzoeken wijzen allemaal dezelfde kant op: we ervarenmeer angst, meer zorgen en meer stress. Naar schatting een derde van de Nederlanders ondervindt daar sinds de uitbraak van het virus last van (Engbersen &Wentink 2020; RIVM&GGDGHOR 2020). Ook nemen gevoelens van eenzaamheid toe (SCP 2020). Van eerdere crises is bekend dat werkloosheid, armoede en schulden negatief doorwerken op het welbevinden. Langdurige werkloosheid vergroot onder meer de kans op psychische klachten (Vrooman 2009). Bovendien: als de werkloosheid langer voortduurt, is het niet vanzelfspre- kend dat mensen in termen van welbevinden terugveren naar hun startpositie (Clark 2018). Voor het sociaal domein heeft dit grote implicaties. Jobcoaches en vrijwilligers bij voedselbankenmerken steeds meer van oplopende geldzorgen. Het aantal cliënten neemt allengs toe en het is gemiddeld lastiger ommensen weer naar werk te begeleiden. Bij de schuldhulpverlening is het nog rustig. Dit wordt in het veld beschouwd als stilte voor de storm. Ook wijkteamprofessionals, woonbegeleiders en andere sociale professionals zien dat de coronacrisis haar sporen nalaat. Tijdens de lockdown liepen spanningen achter voordeuren op. Zo constateerde de Kindertelefoon een toename van 50 procent van het aantal bellers (Trouw 2020). De verwachting is dat social distancing , angst, eenzaamheid, baanverlies en armoede een vertaling krij- gen in een toenemende behoefte aan hulp en ondersteu- ning in het sociaal domein. Groeiende onmacht De grotere vraag naar hulp en ondersteuning landt in eerste instantie bij gemeenten, waarvan het merendeel al voor de coronacrisis financieel flink onder druk stond (VNG 2020). Vooropgesteld dat gemeenten bezuinigingen kúnnen voorkomen, dan nog is de kans groot dat ze sociale professionals gaan vragen omonder bestaande taakstel- lingenmeer voor elkaar te krijgen. Dat vooruitzicht is zorgelijk. Er is een groot risico dat professionals het idee krijgen dat ze tekortschieten doordat ze, bijvoorbeeld vanwege de groeiende wachtlijsten, cliënten pas te zien krijgen als de problematiek is verergerd. Of doordat hun caseload te groot is omcliënten de vereiste aandacht te geven. Ook een haperende samenwerking in de keten van hulpver- lening kan negatieve repercussies hebben. Denk bijvoorbeeld aan de jeugdhulpverlener die constateert dat aanhoudende geldzorgen eraan bijdragen dat de situatie bij een gezin escaleert, maar tegelijkertijd moet vaststellen dat de schuldhulpverlening niet op korte termijn de noodzakelijke verlichting kan brengen. Het kan dan gebeuren dat kinderen uit huis geplaatst worden, terwijl de betrokken professional voelt dat dit niet nodig zou zijn geweest als... Dat schuurt bij de professional, een psychische kwetsuur ligt op de loer. Gevoelde onmacht leidt tot moral injury . Het duidt op een gevoel van schuld, schaamte en boosheid over iets wat in strijd is met morele waarden die voor iemand belangrijk zijn (Jacobs 2020). Een gevoel dat schuurt en blijft haken omdat degene die er last van heeft, zich realiseert dat hij tekortgeschoten is, en niet heeft kunnen voldoen aan de verwachtingen vanmensen die op hemvertrouwen of van hemafhankelijk zijn. Niet vanwege persoonlijk onvermo- gen, maar omdat politieke of bestuurlijke beslissingen het hemonmogelijkmaken omdatgene te doen wat er eigenlijk gedaanmoet worden. Morele kwetsuren Inhoudelijk ligt de betekenis van moral injury dicht aan tegen een concept dat in de verpleegkunde al sinds de jaren zeventig wordt gebruikt: moral distress . Dat de term toen opdook, was niet toevallig. Midden in wat de tweede feministische golf is gaan heten, protesteerden verpleeg- kundigen fel tegen de praktijk dat artsen – vooral mannen – geen rekening hieldenmet de professionele opvattingen van verpleegkundigen –merendeels vrouwen – over wat een patiënt nodig had. Net als verpleegkundigen toen, verkeren sociale profes- sionals nu geregeld in situaties waarin zij iets anders willen dan wat er institutioneel mogelijk is. Veelgenoemde obstakels zijn: werkdruk, machtsdynamiek, schaarste aan middelen, bestuurlijke prioriteiten, tijdsdruk, personeels- tekort en hiërarchische verhoudingen tussen beroepsgroe- pen (Jacobs 2020). De coronacrisis werpt extra barrières op: het sluiten van de open inloop, de opdracht omcliënten te bellen in plaats van te zien en het staken van groepswerk. Wanneer gevoelde onmacht te veel wordt, kan dit uitmon- den in distress : een negatieve reactie op stressvolle situa- ties. Moral distress kent twee stadia: initial moral distress en reactive moral distress . Bij initial moral distress gaat het over de frustratie, boosheid en bezorgdheid diemensen ervaren wanneer zij worden geconfronteerdmet institutionele, structurele of organisa- torische belemmeringen omdatgene te doen wat zij goed achten. Reactive moral distress ontstaat wanneer iemand niet in actie komt naar aanleiding van een gebeurtenis die Voortdurende sociale restricties dragenhet risico inzichdat professionals gefrustreerd raken

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=