TSV 3 - najaar 2020
Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken NAJAAR 2020 nummer 3 49 E r is iets raars aan de hand met gemeentelijke ambte- naren, bestuurders en lokale politici. Zodra het over burgers gaat, tonen ze een en al welwillendheid; dan gaat het over burgerparticipatie, burgerinitia- tieven, burgerkracht, en wordt er een luisterend oor tevoorschijn getoverd met een omvang ter grootte van het stadhuis. Maar als het over sociale professionals of over welzijnsinstellingen gaat, dan verandert misschien niet zozeer de toon, maar wel de houding. Dan sluipt er iets bazigs binnen. Iets van: wij gaan daarover. Voor het sociaal domein is dat ook zeker waar. Dat was immers ook de bedoeling van de decentralisaties, waardoor gemeenten per 1 januari 2015 zo’n kleine 17 miljard rijker werden om invulling te geven aan ondersteuning en hulpverlening zo dicht mogelijk bij burgers. Gemeenten zouden daartoe veel beter in staat zijn dan de landelijke overheid vanuit het zo ongeveer buitenaardse Haagse Binnenhof. Om die toegeworpen verant- woordelijkheid waar te maken, groeide in nogal wat stadhuizen de personeelsbezetting van de afdelingen jeugd, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen aanzienlijk. Er marcheerde een hele nieuwe lichting ambtenaren binnen. Bovendien ontstond er steeds meer poli- tieke druk op het sociaal domein, met hogere bestuurlijke eisen aan het ambtelijke apparaat om de decentralisatie-ambities (goedkoper, toegankelijker, preventief, generalistischer, proac- tiever, samen met burgers) ook waar te maken. Dat alles landde in een ambtelijke beleidscultuur die in de decennia daarvoor doordesemd was geraakt met wat inmid- dels bekendstaat als het New Public Management. Een vorm van sturing waarin de overheid zegt wat er moet gebeuren, maar zich verre houdt van hoe dat moet. Voor de gevraagde output worden partijen gecontracteerd, via aanbestedingspro- cedures en prestatieafspraken. Ambtelijk denken en ambtelijke taal is gericht op beleidsdoelen, dus op wat er bereikt moet worden. Wat er al bereikt is, hoe de praktijken eruitzien en wat er al gebeurt, verdwijnt daardoor buiten het ambtelijke en politieke interesseveld. Kortom, het is een cultuur waarin beleidstaal ervaren inhoudelijke kennis is gaan domineren. En waarin de toekomst altijd aantrekkelijker is dan het verleden. Zo zijn de decentralisaties ook uitgevoerd, namelijk als een krachtige beleidsinterventie. Het sociaal domein werd vol- gehangen met ambities en doelstellingen en onder beheer gebracht van een nieuwe lichting ambtenaren die gepokt en gemazeld waren in beleidsdoelen en beleidsprocessen en de daarbij horende taal, maar nogal eens nauwelijks feeling hadden met wat er nu precies op de werkvloeren gebeurde. Wanneer heb je eigenlijk een opbouwwerker nodig? Hoe pak je problematische schulden aan? Is het slim om een sociaal werker aan een achterstandsschool te verbinden? Wie ambtenaren met dit soort vragen lastigviel, werd nogal eens getrakteerd op een college beleidsclichés. Maar op hun beurt bestookten ambtenaren professionele praktijken wel met nieuwe eisen. Een incident, klachten van burgers, een interpellatie in de gemeenteraad, een werkbe- zoek van de wethouder; voortdurend zijn er aanleidingen om iets ‘neer te leggen’ bij organisaties die verantwoordelijk zijn voor sociale wijkteams of bij organisaties die op het brede welzijnsterrein opereren. Wie betaalt, bepaalt immers. Die bazige houding wekt nogal eens ergernis bij professionele organisaties, want doorgaans getuigen de wensen niet van een doorleefde kennis over wat er nu eigenlijk gebeurt. Tegelijker- tijd is het onverstandig om er niet op in te gaan, want de orga- nisaties zijn wel van de gemeente afhankelijk. Ergens in de nabije toekomst wordt hun lot in handen gelegd van een nieuwe aanbesteding waarin het voortbestaan van de hele organisatie in de waagschaal wordt gelegd. Om daarin niet bij voorbaat slechte papieren te hebben, is het maar beter om welwillend op de gemeentelijke mode en beleidsgrillen te reageren. Voor je het weet, heb je een slechte naam op het stadhuis. Dat wringt. Burgers zijn zo’n beetje heilig verklaard. Maar professionals en hun organisaties in het sociaal domein worden in de lokale arena geconfronteerd met een permanente staat van onzekerheid. In het beleidsvertoog wordt regelmatig gepleit voor ‘ruimte voor professionals’, maar die geldt hooguit voor microsituaties, niet voor trends, modes en beleidsgrillen, want daarbij wordt maar zelden te rade gegaan bij professio- nals en hun organisaties. Zo komt er altijd wat bij en gaat er nooit wat vanaf. Misschien moeten we naast burgerparticipa- tie daarom ook maar eens gaan praten over ‘profparticipatie’ en daar een aansprekende vorm voor vinden. Want doen we dat niet, dan creëren we een sociaal domein zonder zelfvertrouwen van de mensen die er dag in dag uit vorm aan moeten geven. Precies het tegenovergestelde van wat de bedoeling van de decentralisaties was. Beleidsgrillen & profparticipatie ‘Professionals worden in de lokale arena geconfronteerd met een permanente staat van onzekerheid’ COLUMN Jos van der Lans Cultuurpsycholoog en publicist
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=