TSV 3 - najaar 2020

Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken NAJAAR 2020 nummer 3 55 Dichterbij Met haar overstap naar het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn / NIZW in 1992 begon Margot haar voet tussen de deur van de professionalisering van het sociaal werk te krijgen. Ze werkte daarbij in eerste instantie nauw samen met Geert van der Laan, de latere en eerste hoogleraar Grondslagen van het Maatschappelijk Werk aan de Universiteit voor Humanistiek. Dat ging niet van een leien dakje. Margot wilde het maatschappelijk werk ondersteu- nen met een strakke en systematische methodiek ( Wegen en overwegen , samen met Peter van Splunte- ren), waarbij Geert van der Laan zijn wenkbrauwen fronste. Je kan wel een methodiek ‘knutselen’, maar verhoudt zich dat wel tot de echte praktijk van sociaal werk? Illustratief voor de werkwijze en het denken van Margot is dat de methodiek Wegen en overwegen zich ontwikkelde via Wegen en (blijven) overwegen naar Dichterbij . Die evolutie voltrok zich ook en met name doordat zij hartstochtelijk van mening was dat je niets kon ontwikkelen zonder direct met professionals, bewoners, cliënten in het veld samen te werken en alles bij hen terug te leggen. En met hen te kijken of het ‘echt werkt’ (wat nog iets anders is dan ‘wat werkt’). Margot schuwde bij de confrontatie met ‘het veld’ het ongemak nooit en was daarin legendarisch eigenwijs. Ik herinner me goed hoe ze in de talloze panelgesprekken die we in de loop van de tijd voerden met maatschappelijk werkers, opbouwwerkers en sociaal werkers nooit genoegen nam met het eerste, vaak makkelijke antwoord. Ze bleef altijd poken in het vuurtje dat ze zelf aanstak… Haar standaard-interventie (natuurlijk op de haar kenmerkende charmante wijze gebracht) luidde: ‘Ik geloof er niets van, dat het zo gaat.’ Een ervaring die Karin Sok, collega bij het NIZW met wie Margot samen het zogenaamde ‘korte lijnen-project’ uitvoerde, herkende: ‘Het bleek voor maatschappelijk werkers vaak heel moeilijk om hun werk duidelijk uit te leggen, hun meerwaarde te presenteren en dat alles met het nodige zelfvertrouwen.’ De essentie van haar pleidooi dat ze in samenspel maar ook vaak in vinnig debat met het institutionele veld en de opleidingen voor sociaal werk inzette: er is een andere sociale professional nodig; een meer generalistische sociaal werker, die het versplinterde professionele landschap zou kunnen overstijgen. Ze trok met dit pleidooi vanuit haar lectoraat Maat- schappelijk Werk bij de Hogeschool Inholland onver- moeibaar het land door, op congressen, lezingen, met de inrichting van het programma Sociaal werk in de wijk , waarmee ze tien welzijnsorganisaties, Movisie en de branche verenigde. En ze bleef hameren op haar visie dat sociaal werk weer terug moest naar zijn basis: vroeg, licht en gericht ondersteunen en (kunnen) ingrijpen op álle levensgebieden, om te voorkomen dat maatschappelijke kwesties, individueel en collec- tief, van kwaad tot erger worden. Weerklank Sluipenderwijs heeft dat pleidooi weerklank gevon- den, nog niet zo stevig als Margot dat had gewild, maar de beweging die zij als een belangrijke katalysa- tor in gang heeft gezet en heeft doordacht, is inmid- dels onontkoombaar. De Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW) is omgedoopt tot de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), van maatschappelijk werk naar sociaal werk. En ook binnen de opleidingen is de brede basis van sociaal werk meer herkenbaar aanwezig. Margot was, zoals Hans van Ewijk dat ooit benoemde, de professionele vriend pur sang. Empathisch, empowerend, authentiek, altijd trouw aan zichzelf en altijd nieuwsgierig. In het afscheid van haar werk benoemde ze daarbij zelf nog een kernkwaliteit: humor. Het kunnen en durven vast- houden aan de lichte toets in het leven, hoe zwaar het ook is, is van levensbelang. Juist ook als een fundament in de basishouding van sociaal werkers. Op de dag − 10 oktober 2012 − dat Margot en ik de publicatie De generalist met Pieter Hilhorst op de landelijke conferentie Zorg en Welzijn zouden presen- teren aan de toenmalige bestuurder van Inholland, Doekle Terpstra, kreeg Margot de tijding dat ze uitge- zaaide borstkanker had, en dat haar leven onher- roepelijk snel zou eindigen. Margot heeft, tegen alle verwachtingen in, nog bijna acht jaar in reservetijd haar leven en dat van heel veel anderen van zin en betekenis en heel veel vrolijkheid kunnen voorzien. Haar laatste pleidooi in de Marie Kamphuis Lezing van 2018 voor een strijdbaar sociaal werk is inmiddels opgepakt door het werkveld en de branche. Natuur- lijk is Margot niet de enige schakel in deze beweging geweest, maar wel een krachtige, juist door haar nauwe band met en begrip voor ‘de leefwereld’ van professionals. Margot draagt bij aan een betekenisvol, professioneel sociaal werk, dat nooit onverschillig kan en mag staan tegenover de sociale kwesties van onze tijd. Een onvergetelijke nalatenschap. En: Margot was voor eenieder die haar kende bijna onontkoombaar een vriendin die je voor altijd in je hart sloot. Ard Sprinkhuizen is senior onderzoeker bij het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de Hogeschool Utrecht en bij het lectoraat GGZ en Samenleving van de Hogeschool Windesheim. Ard werkte jarenlang met Margot samen bij het NIZW en bij Movisie en was associate lector en plaatsvervangend lector bij het lectoraat Maatschappelijk Werk bij Inholland van Margot.

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=