De verhuizing van de verzorgingsstaat
inleiding 9 Zelfredzaamheid De verhouding met de overheid zou drastisch moeten verande- ren: niet langer zouden burgers het recht hebben om op de lande- lijke overheid te steunen, zij zouden door de lokale overheid zo geholpen moeten worden dat zij meer voor zichzelf en voor hun naasten gaan zorgen. In de ogen van veel politieke partijen was de ‘eigen kracht’ door de royale verzorgingsstaat ondermijnd. Een geëmancipeerde, zelfstandige, mondige en autonome burger wil echter niet afhankelijk zijn van de overheid. De koning zei het in de veelgeciteerde Troonrede van 2013 zo: De klassieke verzorgingsstaat uit de tweede helft van de twintigste eeuw heeft (…) regelingen voortgebracht die in hun huidige vorm onhoudbaar zijn en ook niet meer aansluiten bij de verwachtingen van mensen. In deze tijd willen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten en voor elkaar kunnen zorgen. (Troonrede 2013 ) De notie van ‘zelfredzaamheid’ neemt in de veranderingen die in de verzorgingsstaat worden doorgevoerd dus een sleutelrol in. Het beleid wordt gelegitimeerd in termen van bevordering van zelfred- zaamheid, zoals we in deze bundel herhaaldelijk zullen zien. Het gaat bij zelfredzaamheid echter zowel om individuele zelfstan- digheid – ook wel ‘eigen kracht’ en ‘zelfzorg’ genoemd − als om het vermogen om informele hulp te vragen aan en te ontvangen van naasten, in ‘eigen netwerken’. Deze twee betekenissen staan haaks op elkaar, dus rijst de vraag hoe ze beide onder de term ‘zelf- redzaamheid’ kunnen vallen. Het antwoord schuilt in wat beide betekenissen i in negatieve zin verbindt: ze staan tegenover een be- roep doen op professionele hulp. Zelfredzaamheid wordt dus niet positief gedefinieerd maar vooral in termen van wat het niet is, namelijk geen beroep op professionele hulp (Verplanke e.a. 2002 ).
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=