De verhuizing van de verzorgingsstaat
thomas kampen, vicky hölsgens en evelien tonkens 114 zorgende vrouw te stimuleren meer voor haar zuster en haar part- ner te doen dan nu, ook al heeft ze aangegeven dat ze dat niet kan. ‘Ik maak me echt zorgen, ik woon niet in de buurt. En zelf kan ik ook niet bijspringen.’ Consulent: ‘Ja, dat was eigenlijk mijn vraag.’ ‘Nee, alsjeblieft niet’, zegt de zus, ‘ik heb onlangs een nier laten verwijderen dus ik moet even aan mezelf denken. Ik koop wel kleding voor haar en doe de financiën met mijn man.’ De zwager roept vanuit de andere kant van de kamer dat ze wel zelf pinnen. ‘Ja, 200 euro per week, anders geven ze alles uit. Vroeger had ik daar geen controle over, nu wel. Dat is geen verwijt, ze kunnen het niet. Daar zit ook een beetje schaamte, denk ik.’ Consulent: ‘Dat is wel heel fijn, want dan betekent u wel veel voor de mensen.’ (p65-o) De professional probeert eerst wel aan te sturen op meer zorg (‘Ja, dat was eigenlijk mijn vraag’). De zus wijst deze suggestie vervol- gens krachtig van de hand: ’Nee, alsjeblieft niet’, en wijst op wat ze al allemaal doet. De professional spreekt daarop waardering uit, maar vermijdt ook de bezorgdheid: hij prijst de zus daarvoor, en gaat dus niet in op de zorgen die de zus uitte over dat er meer no- dig is dan zij kan bieden. Ook hier overstemt de waardering waar- toe beleid uitnodigt de negatieve emoties. In dit geval worden de bezorgdheid en de schaamte van het echtpaar overstemd. Het ge- sprek gaat namelijk zo verder: Zus (verlegen): ‘Ach ja, ik heb maar één zus.’ Professional: ‘Zou het niet lukken om structureel bijvoorbeeld een ochtend in de week te compenseren?’ ‘Nee, dat lukt echt niet’, antwoordt de zus. (p65-o)
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=