De verhuizing van de verzorgingsstaat

inleiding 11 goed burger bent als je tijdig een beroep doet op professionals, en nu moeten ze afhankelijk worden van hun netwerk (Kampen e.a. 2013 ; Jager-Vreugdenhil 2012 ). Ze worden geacht wat privé is pu- bliek te maken: ze moeten hun problemen delen met netwerkle- den, en dit gaat gepaard met gevoelens van schuld en schaamte (Metze 2016 ; Grootegoed 2013 ). Wél bestaat er steun voor de ge- dachte dat anderen zelfredzamer zouden moeten worden. In al- gemene zin wordt zelfredzaamheid dan ook breed omarmd, maar als mensen het op zichzelf moeten toepassen, slinkt de steun er- voor snel (Veldheer e.a. 2012 ; Kampen 2013 ). Het beleidsmatige enthousiasme over zelfredzaamheid roept dus talloze vragen op. Hoe kan het dat de Nederlandse bevolking (in elk geval tussen 2002 en 2011 ) een voorkeur ontwikkelde die haaks stond op het beleid? Hoe worden professionaliteit en in- formele hulp gewaardeerd door het beleid én door burgers? Hoe sluiten de veranderingen in de verzorgingsstaat aan op opvattin- gen over solidariteit? Geven zij vorm aan nieuwe of oude vormen van solidariteit? Gelooft de overheid meer in de twee genoemde beloften van nabijheid dan burgers zelf? Democratie Er is nog een derde belofte van nabijheid: de belofte dat nabij- heid ook democratischer is. De decentralisaties beloven niet al- leen grotere nabijheid tussen burgers en professionals maar ook tussen burgers en bestuur, én tussen professionals, hun organi- saties en het bestuur. De kleinere schaal zou meer mogelijkhe- den bieden tot snellere feedback en aanpassing van beleid, dus tot grotere responsiviteit van beleid. Nabijheid zou het mogelijk maken dat er minder bureaucratische, verticale verantwoording wordt afgelegd en meer horizontale verantwoording, tussen be- trokkenen onderling (Tweede Kamer 2005: 7 ). Instellingen en

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=