De verhuizing van de verzorgingsstaat

tussen begrip en vernedering 147 ‘Geen idee eigenlijk. Dit was de eerste keer dat we met het sociaal wijkteam te maken kregen en hun manier van werken kennen we ook niet. We zaten zelf zo vast dat we dit met beide handen hebben aangegrepen. We kwamen bij hen met een vraag voor opvang voor Lisa. Maar we hadden het al snel over andere dingen. Draaide op iets anders uit. Dat we meer ritme nodig hebben en zo. Nou ja, ze hadden ook gewoon een opvanglocatie kunnen regelen…’ Als hulpverlener Astrid terugkomt en het plan voor structuur aanbrengen heeft aangehoord, vraagt ze aan Kim of zij dan geen hulp nodig heeft. Kim zegt dat ze dat even op pauze hebben gezet, ze gaat nu eerst een schema maken. Astrid vraagt dan of er echt geen hulp kan komen van het netwerk; dat was immers wel het doel van deze bijeenkomst. Zwager Harmen zegt daarop: ‘Ik mis toch de overtuiging bij Kim en Henk dat ze echt om hulp vragen als het nodig is. Ze zijn nog wat voorzichtig.’ Astrid: ‘Jij zegt, vraag gewoon concreet om hulp? Want ik weet ook dat mensen graag willen helpen. Ze willen graag iets voor een ander doen.’ Kim: ‘Ja dat is ook zo, andersom werkt het ook zo. Ik doe ook graag iets voor een ander als ik gevraagd word.’ Harmen: ‘Maar daar is wel moed voor nodig, want je stelt je met het vragen van hulp heel kwetsbaar op.’ Harmen en Titus bieden geen hulp aan, met als argument dat het hun niet echt gevraagd wordt. Vriendin Sjaan houdt zich op de vlakte. Kim belooft een schema te maken en Titus hier-van op de hoogte te houden. Over opvang voor dochter Lisa heeft niemand het meer. Er komt dus geen professionele noch informele hulp. Titus informeert wel af en toe hoe het gaat. Drie maanden later komt de onderzoeker nog eens langs. Het huis oogt rommeliger dan voorheen. Kim kijkt ‘heel goed’ terug

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=