De verhuizing van de verzorgingsstaat
femmianne bredewold, loes verplanke & evelien tonkens 150 Ank raakt geïrriteerd. Met rode wangen zegt ze voor de derde keer: ‘Tja, ik zou echt niemand weten. Kijk, de vader van Karin woont in Zeeland… die komt ook heus niet.’ John oppert nog om de ou- ders van een vriendje van Karin te vragen, maar Ank zegt dat die daar echt niet op zitten te wachten, zo goed kent ze hen niet. De volgende keer herhaalt dit zich. Ank zegt weer dat ze nie- mand weet die ze kan vragen. John gaat conform de snv -methode vragen welke mensen er bij belangrijke gebeurtenissen waren: bij haar huwelijk, bij de geboorte van Peter, met wie ze contact opnam na de scheiding, bij wie ze werkt en of ze moeders van school kent? Ank noemt wel namen, geeft aan dat ze van al die mensen niets verwacht: ‘ken ze niet’, ‘te oud’, ‘lopen moeilijk’, ‘is te veel voor ze’. John zegt : ‘Ja dat horen we vaker. Iemand is te oud, te ziek en zo, maar ze hoeven eigenlijk ook niet zoveel te doen. Daarbij vinden ze het misschien juist wel heel fijn om ook eens iets bij te dragen. En ik denk dat ze het ook wel fijn vinden om te horen hoe het gaat met jullie.’ John gaat door over de ouders van vriendjes van de kinderen. Ank geeft wederom aan dat ze die mensen hoogstens weleens groet. John suggereert dat ze die mensen toch eens zou kunnen bellen. Uiteindelijk zegt Ank boos: ‘Ik vind dat zo’n meedenkbijeenkomst geen nut heeft! Eigenlijk zit het probleem met name tussen Peter en mij. Wij mopperen veel op elkaar. Dan kan zijn vader wel zeggen tijdens de meedenkbijeenkomst: dat moet je zus of zo doen, maar daar luister ik toch niet naar.’ John vindt het jammer: ‘Maar wat wil jij dan? Jij zegt vooral wat je niet wil en kan!
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=