De verhuizing van de verzorgingsstaat

thomas kampen en evelien tonkens 204 len aan zelfredzaamheid observeerden we bij een wijkteamlid dat langsgaat bij een reeds bekende cliënt van midden dertig die haar rekeningen niet meer kan betalen. Tijdens het gesprek gaat het vooral over de verschillende instanties die haar nog geld ver- schuldigd zijn en zij vertelt van plan te zijn een liefdadigheidsin- stelling aan te klagen. Het wijkteamlid neemt de rol van mede- stander aan. Achteraf legt ze uit dat ze dat doet omdat de vrouw daar behoefte aan heeft: Heel vaak is een vraag geen vraag, zegt het wijkteamlid. Het gaat de bewoner vooral om het krijgen van erkenning. Het wijkteam- lid vertelt dat zij de neiging had om te zeggen: ‘Wat levert een gevecht met zo’n liefdadigheidsinstelling je nou op?’ Maar dat heeft ze niet gezegd. Deze bewoner voert al zoveel strijd, waar- om zou zij dan ook nog met haar strijden? ‘Deze bewoner heeft behoefte aan iemand die onvoorwaardelijk aan haar kant staat. De vraag is ook of het mijn plek is om er iets van te zeggen.’ Zij vindt het ook mooi om te zien hoever de vrouw kan gaan [in haar strijd tegen instanties]. Ze legt uit: ‘Deze mevrouw verpersoon- lijkt eigen kracht.’ ( p26-o ) Dit wijkteamlid signaleert in de strijd tegen instanties een behoef- te aan erkenning, maar ook een vorm van zelfredzaamheid (ver- persoonlijking van eigen kracht). Ook hier zien we dus een poging om in het reageren op de cliënt tegelijkertijd diens behoefte te erkennen en zelfredzaamheid aan te moedigen. Om in de be- hoefte van cliënten te voorzien, brengt zij die behoeften in lijn met de beleidsopdracht om zelfredzaamheid te bevorderen. Meer tijd nemen: een op de vier In ongeveer een kwart van de geobserveerde gesprekken nemen

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=