De verhuizing van de verzorgingsstaat
ruimte voor professionals? 209 specificeren. De ruimte die Lipsky in zijn werk behandelt en die beleid aan wijkteamleden en Wmo-consulenten toekent, kunnen we ‘situationele ruimte’ noemen: het is gegeven door de omstan- digheden waarin zij werken. Dit kunnen we onderscheiden van wat we ‘systematische ruimte’ willen noemen. Systematische ruimte is door de samenleving toegekende ruimte om op basis van opleiding en ervaring vanwege de aard van hun werkzaam- heden eigen kwaliteitscriteria te formuleren, naar eigen inzicht daarvan af te wijken, en dergelijke afwijking van beroepsnormen zelf op professionele gronden te controleren en te beoordelen. Deze ruimte krijgen professionals onder voorwaarde dat ze hun specialistische kennis permanent bijspijkeren, en dat ze perma- nente kritiek van en toetsing door collega’s door middel van in- tervisie, supervisie en accreditatie organiseren en een professio- neel ethos hebben en levend houden, vaak onderstreept door een eed (Freidson 2001 ). Situationele ruimte wordt gelegitimeerd door rechtvaardigingen uit de huiselijke logica, op basis van kennis over iemands verleden, thuissituatie en sociale omgeving. Syste- matische ruimte hoort thuis in de professionele logica (Freidson 2001 ). Systematische ruimte is zowel een recht als een serieuze verantwoordelijkheid. Professionals zijn namelijk, vanwege hun specialistische kennis, de enigen die de prestaties van andere pro- fessionals kunnen beoordelen en dat maakt hen gezamenlijk ver- antwoordelijk voor de kwaliteit van de dienstverlening. De genoemde voorwaarden voor systematische ruimte zijn nu nauwelijks aanwezig. Toch observeerden we situaties die duiden op systematische ruimte. Bijvoorbeeld wanneer professionals de toegenomen ruimte gebruiken voor het beter kunnen realiseren van de doelen van hun hulp, en voor bescherming tegen beleids- opdrachten die vervulling van de noden van cliënten bemoeilijken. Dit is in overeenstemming met de professionele ethiek die van professionals verlangt dat ze hun gedrag aan hogere, in de woor- den van Freidson ( 2001 ), ‘transcendente’ doelen koppelen – een ele-
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=