De verhuizing van de verzorgingsstaat

evelien tonkens en thomas kampen 32 eerste kabinet-Kok bijvoorbeeld, streefde naar ‘ het versterken van de regiefunctie van het stedelijk bestuur ter bevordering van de samenhang tussen gedecentraliseerde beleidssectoren als ouderenzorg, volkshuisvesting, onderwijs, veiligheidsbeleid en verslaafdenzorg’ (Kok i 1994: 27 ). De verwachting van het huidige kabinet is het tegenovergestelde: ‘Met de decentralisatie zijn moge- lijkheden gecreëerd voor een integrale aanpak dichtbij de burger’ (Rutte iii 2017: 27 ). Ook creativiteit werd niet als vrucht van nabijheid gezien, maar eerder als resultaat van afzondering. Ruimte om na te den- ken, niet afgeleid door beslommeringen van cliënten en de waan van de dag. En e fficiëntie , ten slotte, moest tot stand komen door afstandelijke burelen achter loketten, waar anonieme klerken hulpbehoeften zouden ordenen, stroomlijnen en van aanbod voorzien. In de jaren negentig werden daartoe indicatieorganen ingesteld, in de langdurige zorg respectievelijk Regionale Indica- tie Organen ( rio ’s), daarna het Centrum Indicatiestelling Zorg ( ciz ). Deze zouden een eind maken aan de inefficiëntie van ver- schillende toegangsloketten. Kortom: de beloften van nabijheid worden nauwelijks beargu- menteerd. Nabijheid wordt gepresenteerd als logisch en evident voor het bereiken van de doelen. In de recente geschiedenis van zorg en welzijn vond men voor dezelfde doelen afstand vaak een goede route. Hoe kunnen we begrijpen waarom er nu voor nabijheid wordt gekozen, terwijl de argumentatie daarvoor ontbreekt? Vanwege het gebrek aan argumentatie kiezen we voor een indirecte bena- dering van deze vraag. We analyseren niet waarom nabijheid als goed geldt, maar hoe beleid zich afzet tegen afstand. Pleidooien voor nabijheid zijn immers tegelijkertijd pleidooien tegen af- stand. En die pleidooien verhouden zich tot verschillende logi- ca’s, zullen wij hierna betogen. Onze analyse zal laten zien dat nabijheid belooft een einde te

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=