De verhuizing van de verzorgingsstaat
jan willem duyvendak, loes verplanke & yoren lausberg 54 bij. ‘Hier is de keukentafel’, zegt de man, ‘nou ja keukentafel, bij ons staat hij in de woonkamer.’ ( p55-pi ) Bij een ander huisbezoek in verband met een aanvraag voor een traplift en een aanpassing in de badkamer, vraagt de Wmo-consulent: ‘Als het goed is ga ik even de trap bekijken en de badkamer?’ ‘Je mag alles’, zegt de man. ‘O, geeft u me dan ook uw pincode en pas maar’, grapt de consulent. ( p59- pui) En bij weer een ander huisbezoek: De Wmo-consulent belt aan bij de benedenverdieping van een verwaarloosde jarenvijftigportiekflat. Een vrouw laat ons binnen en wijst naar de huiskamer waar de man met ernstige reuma in pyjama op de bank ligt. De man komt met veel moeite overeind uit zijn liggende positie op de bank. Dat doet hij door zijn voeten onder de tafel te klemmen en zichzelf zo naar boven te trekken. Met zijn handen kan hij zo te zien niets meer. Als hij zit zegt hij met galgenhumor: ‘Ik doe dit jaar maar niet mee aan de marathon.’ ( p175-o ) Huisdieren spelen tot slot soms ook een rol bij het tot stand brengen van een informele sfeer tijdens het huisbezoek. De poes is op de bank gesprongen waarop de sociaal werker zit en laat zich onder luid gespin door hem aaien. De bewoonster is daar erg verbaasd over omdat de poes volgens haar normaal nooit zo aanhalig is. ‘Nou, ze vindt je geloof ik wel aardig’, zegt ze goedkeurend. De sociaal werker gaat rustig door met aaien en op een of andere manier creëert dit een ‘huiselijke sfeer’ waardoor de bewoonster wat meer op haar gemak lijkt. Ik vraag me af of de sociaal werker dit expres zo doet, maar als ik er naderhand naar vraag zegt hij oprecht verbaasd: ‘O nee, daar heb ik helemaal niet aan gedacht, ik hou zelf heel veel van poezen.’ ( p166-o ) Uit vijftig interviews met de wijkteammedewerkers komt naar
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=