De verhuizing van de verzorgingsstaat
jan willem duyvendak, loes verplanke & yoren lausberg 58 voorziening’ is de sfeer weliswaar minder formeel dan op kantoor, maar van een meer informeel contact zoals in de observaties hier- voor is meestal geen sprake. Zeker de Wmo-consulenten gedragen zich bij deze thuisbezoeken behoorlijk afstandelijk. Ze koesteren minder de huiselijke logica en houden zich vooral aan het ‘indus- trieel’ afwerken van hun vragenlijst. Ze proberen veel minder dan de sociaal werkers om bewoners op hun gemak te stellen. Uit enkele observaties: De Wmo-consulente loopt meteen door naar de woonkamer. ‘Zullen we aan de tafel zitten?’ vraagt ze. ‘Dat is handiger voor mij.’ Zonder op het antwoord te wachten gaat ze zitten. Ze zet haar iPad klaar op een draagbaar toetsenbord en steekt van wal. ( p202-o ) We worden binnengelaten in de woning. De huiskamer staat vol dozen, speelgoed, kasten, een grote glazen bak. De man pakt er nog een stoel bij en gaat zelf op het bed zitten dat in de woon- kamer staat. Hij begint rustig een sigaretje te draaien. Als hij deze wil aansteken vraagt de consulent streng of hij niet wil roken: ‘Dan krijg ik geen lucht meer, en het is te koud om de deur open te zetten.’ De man kijkt haar vol onbegrip aan, maar steekt zijn sigaret niet op. ( p99-o ) Maar de bedreiging van de huiselijke logica schuilt niet alleen in ijverige Wmo-consulenten die expliciet de industriële logica im- porteren. Professionals die juist de ‘huiselijkheid’ zo benadruk- ken, doen dit ook om functionele, ‘industriële’ redenen. Door de informele sfeer kunnen ze bijvoorbeeld een completer beeld krij- gen van de situatie waarin mensen verkeren. Zo smeden zij een compromis tussen de industriële en de domestieke, huiselijke lo- gica: de huiselijkheid is behulpzaam voor het behalen van ‘indus- trieel’ resultaat.
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=