De verhuizing van de verzorgingsstaat

ik blijf een kwetsbaar mens met een kwetsbaar netwerk 79 Mevrouw: ‘Nou niet de buren en zo. Dat is allemaal zo verjongd om ons heen hè, die kennen we amper. Maar als er iets nodig is wat wij zelf niet kunnen dan lossen de kinderen en de kleinkinderen dat op.’ Sociaal werker: ‘Dus de band met hen is goed?’ Mevrouw: ‘O ja, elke dag hebben we contact. Elke dag. Elke dag bellen…’ Meneer: ‘De oudste zoon belt in ieder geval elke middag.’ Mevrouw: ‘Ja, soms wel drie keer.’ Lacht. ‘Ja, want toen hij [wijst naar haar man] geopereerd werd, zaten we wel even van: Hoe moet dat nou met mij? Nou toen bleef de ene zoon slapen en mijn schoondochter kwam dan ’s morgens vroeg, dan pakte ze automatisch de stofzuiger even en ze deed de was ook nog.’ Meneer: ‘Ja, daar hoefden we niet eens om te vragen!’ ( p35-o ) Uit ander onderzoek weten we eveneens dat er veel mantelzorg gegeven wordt, maar ook dat veel mantelzorgers zich hierdoor geregeld belast voelen. Recent onderzoek van het scp leert dat 43 procent van de mantelzorgers ervaart dat de situatie van de- gene voor wie zij zorgen hen nooit loslaat; 21 procent heeft meer moeite dan anders om het eigen huishouden te regelen en 8,6 procent voelt zich zwaarbelast door de zorgtaak (De Klerk e.a. 2017: 93-94 ). Bij het keukentafelgesprek aanwezige familieleden laten dit af en toe onomwonden blijken aan de professional. In de volgende observatie zegt de zus van de hulpvrager die bij het keukentafelgesprek aanwezig is bijvoorbeeld al voordat de pro- fessional haar ook maar kan vragen om nog wat meer voor haar zieke zuster te doen: ‘Ik maak me echt zorgen, ik woon niet in de buurt, dus zelf kan ik ook niet bijspringen.’ Wmo-consulent: ‘Dat was eigenlijk juist mijn vraag aan u.’ ‘Nee, alsjeblieft niet’, zegt de zus, ‘ik heb onlangs een nier laten

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=