De verhuizing van de verzorgingsstaat

femmianne bredewold en loes verplanke 80 verwijderen dus ik moet nu even aan mezelf denken. Ik koop wel kleding voor haar en samen met mijn man doe ik haar financiën.’ Wmo-consulent: ‘Dat is fijn, want dan betekent u veel voor de mensen.’ De zus (verlegen) : ‘Ach ja, ik heb maar één zus.’ Ja, zegt de consulent, en probeert het nog een keer: ‘Zou het niet lukken om structureel bijvoorbeeld een ochtend in de week te compenseren?’ ‘Nee, dat lukt echt niet’, antwoordt de zus. Daarna vraagt de consulent niet verder. (p65-o ) Soms zijn er schrijnende situaties omdat het netwerk klein is en gebukt gaat onder de last van de zorg. Zo zorgt de man in de vol- gende observatie al heel lang voor zijn vrouw en nu kan hij het bijna niet meer volhouden: ‘Maar ik kan haar toch niet naar het verpleeghuis doen’, zegt de man vertwijfeld. ‘Valt het u zwaar om voor haar te zorgen?’ vraagt de professional. ‘Ik ga er wel aan onderdoor hoor’, zegt de man. ‘Het is eigenlijk niet te doen. Ik heb zelf copd , astma en reuma, maar als ze naar het verpleeghuis gaat ben ik haar kwijt.’ ‘U wilt mevrouw niet “wegdoen”. U wilt haar zo lang mogelijk thuis houden’, zegt de professional begrijpend. De man begint te huilen. ‘Nu lukt het nog net’, snikt hij. (p49-o) Hoewel familie het leeuwendeel van de zorg levert, noemen be- woners met een hulpvraag af en toe ook buren en vrienden die hulp bieden. ‘’s Nachts ging het niet goed, toen heb ik mijn ex-buurman gebeld. Ik ken hem al veertig jaar, hij is 64 jaar. Een fantastische man, heel behulpzaam. Hij kwam in de nacht en hij heeft toen

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=