De verhuizing van de verzorgingsstaat
femmianne bredewold en loes verplanke 94 Man: ‘Jazeker, het vergt al best veel van mensen om de vriend- schap te onderhouden met iemand als ik, die redelijk buiten het normale leven staat. Als dat goed loopt, is dat een hele prestatie van beide kanten. Je geeft om elkaar, je wilt voor elkaar zorgen, maar je moet niet de rol van hulpverlener overnemen, want dan is het geen evenwaardige vriendschap meer. Ik heb hiervoor een paar jaar samengewoond met mijn vriendin, maar in die relatie is de verhouding ook scheefgegroeid. Mijn vriendin ging heel erg voor mij zorgen en dat is een van de redenen geweest dat het is misgelopen.’ (p11-ci) Vluchtig burencontact onder druk Een beroep op sociale contacten kan ook de vluchtigheid van bu- renrelaties onder druk zetten. Deze vluchtigheid is kenmerkend voor veel burencontact in Nederland (Linders 2010 ; Jager-Vreug- denhil 2012 ; Bredewold 2014 ). Men groet elkaar op straat, maakt soms een praatje, doet dingen voor elkaar zoals de container aan de weg zetten of de stoep vegen, maar daar blijft het vaak bij. En zo wil een deel van de hulpbehoevenden het juist ook. De vrouw vertelt dat ze niet mogen klagen over het trappenhuis waarin ze wonen, daar hebben ze altijd geluk mee gehad. Ze hebben ook goed contact met de buren. Die wonen er ook al heel lang. Als er sneeuw lag, dan ruimden ze dat voor elkaar. ‘Dus van de buren heeft u ook steun’, constateert de hulpverlener. ‘Nou, dat vragen we niet zo gauw’, zegt de vrouw. (p98-o) Sociaal werker: ‘Ik wil graag een deel van je netwerk betrek- ken bij de hulpvragen die je hebt. Dan kunnen we je ouders, je buurman of misschien anderen betrekken bij het werken aan de doelen die je hebt opgesteld, namelijk minder drinken en schoonmaken.’ De man: ‘Nou van mij hoeft dat niet zo. Mijn ouders hoeven niet
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=