TSV 3 - najaar 2020
Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken NAJAAR 2020 nummer 3 13 (Memorie van Toelichting). Veel gemeenten voeren de verplichte tegenprestatie niet uit, maar moedigen onbe- taalde participatie wel aan als opstap naar betaald werk. Toch is en blijft betaalde arbeid het einddoel van de wet: uitstroomnaar werk – daar draait het om. De praktijk: verwaarlozing Dit zijn de uitgangspunten van het beleid, vastgelegd in de Participatiewet van 2015, maar de praktijk is grimmiger. De investering inmensen in de bijstand is zeer beperkt. Kijk op de eerste plaats naar demiddelen die worden ingezet om mensen te begeleiden of te helpen. Demiddelen voor actief arbeidsmarktbeleid zijn tussen 2004 en 2017 gehalveerd, van ruim1,2 procent van het bruto binnenlands product naar ruim0,6 procent. En dat patroon zet zich voort. Sinds de decentralisatie van de Participatiewet zijn de active- ringsbudgetten voor de gemeenten verder teruggeschroefd van 636miljoen euro in 2014 naar 514miljoen in 2020, terwijl tegelijkertijd de sociale werkvoorziening langzaam is ingekrompen. Bovendien is het de vraag of de inzet van diemiddelen wel adequaat is. Omdat de nadruk in het beleid ligt op de kortste weg naar werk en wat bijstandsge- rechtigden zelf moeten doen, is het trainingsaanbod afge- steld op leren sollicitatiebrieven schrijven, leren netwerken en jezelf presenteren – terwijl de klantmanagers zelf zeggen dat er op diemanier bijna geen werk te vinden is (Arts 2019). En ondanks het grote aantal bijstandsontvangers zonder startkwalificatie zijn demiddelen voor s choling bijna geheel stopgezet: zelfs een rijbewijs halen – best handig omaan werk te komen – zit er meestal niet in. Zo beperkt zijn de scholingsmiddelen. Vaak is gezegd dat terug naar de schoolbanken niet effectief is omaan het werk te komen, maar dat geldt alleen voor zeer langdurige scholing en niet voor kortdurende, liefst on the job- training (zie verder WRR 2020). Bovendienmag de kwaliteit van het taalonderwijs dat er wel is – cruciaal voor laaggeletterden en niet- Nederlandssprekenden omwerk te vinden − omhoog. Wie al lange tijd in de bijstand zit, wordt al snel doorverwezen naar taalcursussen in het buurthuis; de kwaliteit van taalonderwijs zal hopelijk omhooggaanmet de nieuweWet op de inburgering die volgend jaar van kracht wordt. Bovendien blijkt dat door de keuzes op gemeentelijk niveau een groot deel van demensen in de bijstand aan hun lot wordt overgelaten. Dat zit zo. Veel gemeenten zetten een knip in hun bestand tussen demensenmet enige kans op werk en de groepmet weinig kansen op korte termijn. Het criteriumbij het zetten van deze knip is twee jaar in de bijstand. De beperkte activeringsmiddelen die het Rijk beschikbaar stelt, worden door gemeenten ingezet voor de eerste groep, ‘de kansrijken’, omdat met hen het meeste succes te behalen valt. Voor de tweede groep, in bijna alle gemeenten de helft of meer van het totaal, zijn nauwelijks middelen (Kremer e.a. 2017). De kans is klein dat zij opge- roepen worden voor een gesprek, hoogstens één keer per jaar, en soms zienmensen zelfs jarenlang niemand van de gemeentelijke sociale dienst. Dat leidt ertoe dat maar liefst 62 procent van de bijstandsontvangers meent vrijgesteld te zijn van zoek- en sollicitatieplicht, terwijl dat in werke- lijkheidmaar 10 procent is. Dat zij niet achter de vodden worden gezeten om te solliciteren, is gezien de beperkte kansen op de arbeidsmarkt wellicht logisch. Maar dat zij zo weinig aandacht krijgen, ook gezien allerlei andere proble- men, zoals hun gezondheid, schulden of beperkte taalvaar- digheid, is een gemiste kans omecht bijstand te bieden. Gemeenten zien dat zelf overigens ook. De laatste jaren is er meer aandacht voor de groep ‘met een lange afstand tot de arbeidsmarkt’. Maar gemeenten die in de kansarme groep wel tijd en energie steken, zoals Rotterdamen Amsterdam, werkenmet caseloads van 350 bijstandsgerechtigden op 1 klantmanager, terwijl voor blijvend succes met deze groep veelvuldig contact nodig is. Daarvoor ontbrekenmiddelen dan wel prioriteiten (Kremer e.a. 2017). Ook demensen in demeer ‘kansrijke’ groep krijgen overigens maar beperkt aandacht, dankzij het gekrompen activeringsbudget. De caseloads in de bijstand zijn overall heel hoog; 150mensen per klantmanager is echt geen uitzondering. Als er sprake is van een intensieve aanpak, zoals bij de Amsterdamse aanpak van statushouders, is dat 1 op 50, en dat is nog steeds veel, gezien de ambitie van intensieve begeleiding. De evaluatie van de Participatiewet door het SCP (Van Echtelt 2019) was dan ook snoeihard. Er zijn door de nieuwe wet, diemeer gericht zoumoeten zijn op uitstroomnaar werk, nauwelijks meer mensen aan de bak gekomen. Voor de klassieke bijstandsgerechtigden (dus niet de nieuwe groepen, zoals deWajongers die ook in de bijstand en dus op het bordje van de gemeente zijn gekomen) is de baan- kans slechts met 1 procent vergroot. Het SCP wijt dat onder andere aan de gebrekkige kennis en professionaliteit bij gemeenten die voor het eerst verantwoordelijkheid kregen voor participatie, het gebrek aan persoonlijk contact en te weinig begeleiding. De onvrede over de bijstand suddert al langer. Een achttal gemeenten heeft de afgelopen twee jaar geëxperimenteerd met een andere aanpak van de bijstand. Drie varianten werden uitgeprobeerd: minder verplichtingen voor bijstandsgerechtigden, intensievere begeleiding enmeer ruimte ombij te verdienen. De uitkomsten zijn niet erg duidelijk; de varianten doen het niet significant beter dan de bestaande aanpak, niet in uitstroomnaar werk en slechts heel beperkt op welbevinden. Mogelijk dat de korte looptijd van het onderzoek daaraan debet is: anderhalf tot twee jaar is te kort omeffecten te zien. De onderzoekers stellen dat de experimenten voldoende aanwijzingen geven dat een aanpakmet meer maatwerk, persoonlijke aandacht en vertrouwen op termijn succesvoller zal zijn (Edzes e.a. 2020). Wat is er allemaal nodig omde bijstand beter temaken en bijstandsgerechtigden werkelijk te helpen? Bijstand nieuwe stijl, vijf uitgangspunten Een betere bijstand kan gefundeerd zijn op vijf uitgangspunten. Ander hoofddoel: burgerschap De bijstand was bedoeld ommensen die afhankelijk waren weer burger temaken – ‘met opgeheven hoofd’ meedoen in de samenleving. Niemand zou aan zijn lot moeten worden overgelaten. In de loop van de jaren is de bijstand van die uitgangspunten weggedreven. Hoewel (goed) werk het
RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=