TSV 3 - najaar 2020

58 Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken NAJAAR 2020 nummer 3 RAPPORTEN Menno Hurenkamp is publicist en is als politicoloog verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek (UvH) en de Universiteit van Amsterdam (UvA). de regels te houden. Bovendien wordt kritiek op het Covid-beleid vooral verwoord door extremisten. De nette oppositie steunt de regering, terwijl ook los van het falen door Grapperhaus zowel de casus ‘mondkapjes’ als de casus ‘testbeleid’ aanleiding geeft tot gerede aarzeling. Maar over de hele linie groeit het vertrouwen in de politiek de afgelopen maanden, dus voor de politici van het midden is er niet veel te winnen met kritiek. Wie baalt van het feit dat hij of zij afstand moet houden, staat dus snel alleen, vandaar misschien dat chagrijnige roepen in de bus of in de supermarkt dat je te dichtbij komt. Hans Boutellier pleit in de VNG-notitie voor een beleidstheorie van ‘verant- woordelijkheid en lerend vermogen’, vermoedelijk ervaren die mensen dat de last daarvoor bij hen ligt en niet bij de gemeenschap. Wie profiteert? Overlappend met de twee eerder- genoemde ontwikkelingen is dat de arbeidsmarkt echt verandert. Veel kleine bedrijfjes, cafés en restaurants of knusse theatergezelschapjes gaan vroeg of laat kopje-onder. Nu is er nog wat economische steun, straks niet meer. Ondertussen zag de baas van de Amerikaanse online winkel Amazon, Jeff Bezos – alle getrompet- ter in de Tweede Kamer over het einde van het neoliberalisme ten spijt – zijn vermogen ten tijde van de Covid-crisis groeien tot 200 miljard euro. Dus er is wel groei, maar wie profiteert? De politiek wil nu collectief van de overdaad aan flexwerk af; dat zal allicht ten bate komen van een deel van de pakketbezorgers, fiets- koeriers en thuishulpen en een beetje afsnoepen van de winst van de inter- netondernemingen. Maar tegelijker- tijd is er dadelijk gewoon veel minder vraag naar werk in de culturele sector, in de horeca, in het toerisme. Het gaat veelal om leuk, creatief werk met festivals en vieringen, maar in ieder geval altijd om contact met mensen – en het zal flink afnemen. Minder barista’s, minder performers, minder gastheren, minder straatartiesten, minder buschauffeuses, minder geluidsvrouwen. Het klimaat wordt misschien warmer, maar het werk zal wat kouder worden. Ook het aanzien van de binnensteden zal hierdoor overigens danig veranderen, zoals in de beleidsnota’s opgemerkt. Maar belangrijker: grote groepen mensen zullen zich gaan afvragen hoe ze hun geld dan gaan verdienen. Wie graag ‘iets met mensen’ of met grote groepen mensen doet, moet opnieuw nadenken. Mbo’s, hbo’s en universiteiten zullen zich over het aanbod aan opleidingen moeten buigen – nog los van het zelfonder- zoek dat goed afstandsonderwijs en online onderwijs vergt. Of de groei in ICT-ondersteuning en de groei in verpleging alle jonge mensen kunnen opvangen die niet meer achter de bar of een receptie aan de slag kunnen, staat nog te bezien. Meer en minder Meer informalisering, andere vormen van kwetsbaarheid, een arbeidsmarkt met minder plek voor contact − het zijn geprononceerde ontwikkelingen die niet per se nieuw zijn, maar door de coronacrisis en de bijbehorende maatregelen wel explicieter naar voren komen. Je kunt er nieuwe scheidslijnen of botsingen tussen bevolkingsgroepen bij verzinnen, al is het de vraag of inkomen en opleiding in verklarende kracht zullen afnemen. Gezondere mensen en mensen die handiger zijn met internet hadden toch al een voorsprong. En zoals gezegd: van de medische kant van de kwaal weten we eigenlijk nog altijd weinig, dus analytische bescheiden- heid kan geen kwaad. Misschien moeten we het tot nader order over ‘coronaburgerschap’ hebben, dat in ieder geval twee kenmerken heeft. Ten eerste zorgt het in de directe omgang tussen burgers voor gedeelde verantwoordelijkheid tussen weerbare en minder weerbare burgers – met als centrale vraag niet ‘wat zeur je nou’ maar ‘hoeveel plek heb je nodig’? Waarbij die plek op sociaal-economische en een fysieke manier invulling geeft aan bestaanszekerheid. Omdat het om burgerschap gaat, mag het antwoord op die vraag niemand vernederen – en moeten we ons er tegelijkertijd bij neerleggen dat nooit iedereen tevre- den zal zijn met de uitkomsten. Coronaburgerschap gaat ten tweede uit van de nadelen van informele of zelfs afstandelijke verhoudingen in de publieke ruimte, met name dat interactie via het scherm lastig is en tijd kost. Waardoor vergaderingen en verkiezingen dus met extra zorg omkleed moeten worden om onge- lijkheid tegen te gaan, en burgers een democratisch minimum aan directe ontmoeting met ambtenaren, ambts- dragers of volksvertegenwoordigers kunnen verlangen. Mensenmoetenopeenshardop zeggendat zenietmeedoenaan eenvergaderingomdat zemaar eenhalve longhebben

RkJQdWJsaXNoZXIy OTE0NDk=