Migratie- en integratie­deskundigen in gesprek

Kabinetsplannen zijn een kans voor inburgering en participatie

Over dit platform

Categorie: Asiel

De nieuwe kabinetsplannen voor asielopvang zijn een grote stap vooruit voor de participatie van asielzoekers en statushouders. Maar grote knelpunten zijn niet weggenomen.

Door Jaco Dagevos, Mieke Maliepaard

Gepubliceerd op: 3 maart 2026

 

Het denken over de inrichting en doelstelling van asielopvang vertoont heftige slingerbewegingen tussen onze regeringen. Het vorige kabinet streefde een sobere asielopvang na en wilde af van de spreidingswet. Het asielbeleid was er vooral op gericht om zo weinig mogelijk asielmigranten toe te laten en hen weinig mogelijkheden te bieden om zich, bijvoorbeeld via taallessen, voor te bereiden op hun leven in Nederland na statusverlening (Dagevos, 2024).

Hoe anders is de toon in het nieuwe coalitieakkoord, waar de spreidingswet blijft bestaan, het COA ‘stabiele financiering’ krijgt toegezegd en (kansrijke) asielzoekers de taal kunnen leren en belemmeringen om te werken worden weggenomen.

De kabinetsplannen komen overeen met wat wel het participatiemodel wordt genoemd

De plannen voor het opvangbeleid komen meer overeen met wat wel het participatiemodel wordt genoemd (Bakker et al., 2023): het opvangbeleid is niet alleen gericht op de afwikkeling van de asielaanvraag, maar draagt ook bij aan de participatie van asielzoekers om hen voor te bereiden op een goede start na statusverlening.

Maar van een positieve toon kun je geen brood bakken. In hoeverre dragen de voorgenomen kabinetsplannen bij aan participerend opvangbeleid? Daarvoor leggen we de plannen van het kabinet naast onderzoek over de werking van opvangbeleid voor de participatie en leefsituatie van statushouders.

Daar is het nodige over bekend, mede vanwege een langjarig onderzoeksproject van WODC, CBS en EUR waarin asielzoekers en statushouders over de tijd worden gevolgd en waar diverse studies zijn verricht naar de kenmerken van de opvang en de gevolgen voor het leven na statusverlening.

Participatie tijdens de opvangperiode: een goede start

Onderzoek in Nederland en daarbuiten laat zien dat degenen die tijdens de opvangperiode de gelegenheid hebben gehad om (vrijwilligers)werk te doen daarna vaker werk hebben, de taal beter beheersen en beschikken over een gunstiger mentale gezondheid (o.a. Damen, 2022; Huijnk et al. 2021; Dagevos et al. 2024 Fasani et al. 2021; Fransen & Caarls, 2018).

Voor kansrijke asielzoekers verdwijnen diverse belemmeringen 

In het coalitieakkoord valt te lezen dat voor zogenoemde kansrijke asielzoekers, dat zijn degenen met een grote kans op statusverlening, diverse belemmeringen verdwijnen die nu nog de arbeidsmarktparticipatie in de weg staan. Zij mogen drie maanden na de asielaanvraag werken (is nu zes maanden) en er komt een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning, waarvan de aanvraag nu de nodige tijd kost.

Kansrijke asielzoekers starten direct met leren van de taal. In de grotere opvanglocaties komen zogeheten Meedoenbalies, die asielzoekers helpen met taal, vrijwilligerswerk en werk. Het zijn maatregelen die de lijn doortrekken die is ingezet bij het afschaffen van de 24 wekeneis en is gericht op meer participatie tijdens de asielprocedure. Een positieve ontwikkeling waardoor de procedure minder als ‘wachttijd’ wordt ervaren en meer als voorbereiding op een leven in Nederland kan worden benut. Grote kanttekening hierbij is dat eenzelfde aanbod niet beschikbaar is voorkansarme asielzoekers, die niet mogen werken en geen taallessen krijgen.

Stabiele opvang en privacy: goed voor welzijn en participatie

Verschillende Nederlandse studies laten zien dat verhuizingen tussen opvanglocaties negatieve gevolgen hebben voor onder meer de mentale gezondheid, Nederlandse taalvaardigheid en arbeidsmarktpositie van statushouders die jaren kunnen doorwerken (Huijnk et al., 2021; Dagevos, Maliepaard, & de Mooij, 2024). Verhuizingen hebben een ontwrichtende werking, omdat ze leiden tot onzekerheid, het verbreken van netwerken en het gevoel van willekeur van het beleid (VWN, 2025).

Een fors deel van de gemeenten vangt geen of weinig asielzoekers op

Het gebrek aan opvanglocaties en het veelvuldig sluiten van locaties zijn belangrijke redenen dat asielzoekers vaak moeten verhuizen. Een fors deel van de gemeenten vangt geen of weinig asielzoekers op. Het nieuwe coalitieakkoord bevat verschillende plannen om deze situatie te veranderen. Zo krijgt het COA ‘stabiele financiering’ waardoor er voldoende structurele en flexibele opvangplekken komen. Noodopvanglocaties, waarvan bekend is dat de leefomstandigheden slecht zijn en dat ze vaak gepaard gaan met verhuizingen, moeten worden gesloten.

De spreidingswet blijft, dat is een belangrijke randvoorwaarde om te komen tot een uitbreiding van opvanglocaties. Onderzoek onder Oekraïense ontheemden, die langdurig in opvanglocaties wonen, laat zien dat de manier waarop opvanglocaties worden vormgegeven kan bijdragen aan het welzijn en aan de participatie van bewoners. Oekraïense vluchtelingen die meer ondersteuning vanuit de opvang krijgen (bijvoorbeeld emotionele of praktische steun), hebben vaker een baan, zijn mentaal gezonder, en voelen zich meer thuis in Nederland.

Ondersteuning, sociale contacten en privacy in de opvang helpen bij het bevorderen van de participatie

Het hebben van eigen voorzieningen, zoals een eigen slaapkamer, keuken en/of badkamer vergroot het gevoel van ‘belonging’ bij de Nederlandse samenleving en draagt bij aan een betere mentale gezondheid. En degenen die tijdens de opvangperiode vaker sociale contacten hebben met Nederlanders hebben vaker werk (en werk op hun niveau) en voelen zich vaker thuis (Otten et al., 2025).

Ondersteuning, sociale contacten en privacy in de opvang helpen dus bij het bevorderen van de participatie, de mentale gezondheid en het gevoel onderdeel van deze samenleving te zijn. Het ontwikkelen van nieuwe (vaste) opvanglocaties biedt kansen om hiermee aan de slag te gaan.

Opvang en inburgering zijn niet op elkaar aangesloten

In de inburgeringswet is als doelstelling opgenomen dat al tijdens de opvangperiode met de inburgering wordt gestart. Met statushouders die aan een bepaalde gemeente zijn gekoppeld zou zo al in een vroegtijdig stadium met de intake begonnen kunnen worden.

De praktijk laat zien dat van deze zogeheten Vroege Start weinig terecht komt (Algemene Rekenkamer, 2026; Witvliet et al. 2026, Damen et al., 2026). Voor gemeenten is het bijna niet te doen om in een vroeg stadium contact te leggen met asielzoekers en statushouders die in hun gemeente komen wonen; zij verblijven in azc’s verspreid over het hele land (vgl. Damen et al., 2024).

Een lang gekoesterde wens van wetenschappers en gemeentebestuurders: zie opvang en inburgering als een aaneengesloten keten 

De structurele financiering van opvangplekken en de spreidingswet bieden meer mogelijkheden om asielzoekers in de gemeente op te vangen waar ze komen te wonen. Hierdoor kunnen het opvang- en inburgeringsbeleid beter op elkaar aansluiten, waardoor inburgerings- en participatieactiviteiten van gemeenten eerder en beter kunnen worden uitgevoerd. Dit is een lang gekoesterde wens van wetenschappers en (gemeente)bestuurders (VNG, 2025) om opvang en inburgering als een aaneengesloten keten te zien (en niet als aparte beleidsterreinen).

Het streven naar een Vroege Start, dat nu maar niet van de grond komt, kan dan – eindelijk – wind in de zeilen kunnen krijgen. Een verstandige stap zou dan zijn om de Vroege Start, die nu wordt georganiseerd door het COA, door de gemeente uit te laten voeren. Dat past beter bij de kennis en expertise van gemeenten en aansluiting kan beter worden gegarandeerd vanwege de gemeentelijke verantwoordelijk voor het inburgeringsbeleid.

Participerend opvangbeleid is niet mogelijk met lange wachttijden

Verschillende van de voorgenomen maatregelen uit het coalitieakkoord zullen naar verwachting bijdragen aan een meer participerend opvangbeleid. Maar daarvoor is wel noodzakelijk dat de asielprocedure substantieel korter wordt. Onderzoek in verschillende West-Europese landen wijst keer op keer aan dat lange wachttijden negatief uitpakken voor de latere arbeidsmarktparticipatie.

Lang wachten in de opvang leidt tot veroudering van vaardigheden 

Ook taalvaardigheid en de samenstelling van de sociale netwerken hebben hun invloed (Hvidtfeldt et al., 2018; Marbach et al. 2018). Onderzoekers spreken van een ‘scarring effect’, een littekeneffect dat lang werking heeft voor de latere positie en leefsituatie. Lang wachten in de opvang dempt de motivatie, leidt tot veroudering van vaardigheden en is een aanslag op de mentale gezondheid.

Als de nieuwe coalitie serieus als doel heeft om de opvangperiode te benutten om statushouders voor te bereiden op hun leven in een nieuwe samenleving, zal de duur in de opvang drastisch omlaag moeten. Feit is dat de duur in de opvang in de afgelopen jaren juist fors is toegenomen, door langere asielprocedures en stokkende uitstroom van statushouders. Achterstanden bij de IND, gemeenten die hun taakstelling niet halen en krapte op de woningmarkt zijn hiervoor belangrijke factoren.

Er zijn weinig redenen om optimistisch te zijn dat de wachttijden op korte termijn naar beneden zullen gaan. De problemen bij de IND zijn groot, de invoering van de asielnoodmaatregelenwet, het tweestatusstelsel en het Europese Migratiepact zullen de druk alleen maar verder doen toenemen, zo signaleerde de Raad van State vorig jaar.

Al jaren pleiten wetenschappers en beleidsmakers voor ruimte om te werken en de taal te leren

Om de uitstroom van statushouders uit de opvang te bevorderen, wil het nieuwe kabinet tijdelijke huisvesting bevorderen tussen het azc en de reguliere woningmarkt. Dit leidt mogelijk tot een vergroting van de uitstroom uit de azc’s, maar als deze vorm van huisvesting zich niet duidelijk gaat onderscheiden van een azc (bv wat betreft privacy, locatie, mogelijkheden voor sociaal contact), valt hier weinig positiefs van te verwachten voor inburgering en participatie.

Naar een participerend opvangbeleid?

Al jaren pleiten wetenschappers en beleidsmakers ervoor dat asielzoekers de ruimte krijgen om te werken en de taal te leren. Ook is er al langer een pleidooi om uitvoeringsorganisaties COA en IND een structurele financiële basis te geven die moet voorkomen dat bij een dalende instroom de capaciteit wordt afgeschaald, die bij een toename van het aantal asielzoekers met veel pijn en moeite weer moet worden opgebouwd.

Met deze maatregelen en de instandhouding van de spreidingswet kan de opvang kwalitatief beter (geen noodopvang) en dichter in de buurt bij de gemeente worden georganiseerd waar asielzoekers na statusverlening gaan wonen. Het opvang- en inburgeringsbeleid kunnen in deze omstandigheden veel beter op elkaar aansluiten.

Goede stappen in het coalitieakkoord maar het oplossen van de lange wachttijden in de opvang is nog ver weg

In het coalitieakkoord worden hier dus goede stappen gemaakt, maar het oplossen van een groot knelpunt – de lange wachttijden in de opvang – is nog ver weg. En daarmee ook van een daadwerkelijk participerend opvangbeleid, dat statushouders een belangrijke steun in de rug geeft om niet alleen werk te vinden, maar zich ook burger van dit land te voelen.

Jaco Dagevos is senior onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en bijzonder hoogleraar integratie en migratie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Mieke Maliepaard is senior onderzoeker Asiel en Migratie bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum.

 

Bronnen:

Algemene Rekenkamer (2026). Onbenut potentieel. Den Haag: Algemene Rekenkamer.

Bakker, E. de, M. Coenders en J. Dagevos (2023). Asiel en migratie. In: W. Huijnk, D. Verbeek-Oudijk en R. Willems (redactie). Kwesties voor het kiezen. Maatschappelijke thema’s voor de Tweede Kamerverkiezingen (p. 31-38). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dagevos, J. (2024). Asielzoekers en statushouders als pseudoburgers – Sociale Vraagstukken

Dagevos, J., M. Maliepaard en M. de Mooij (red.)(2024). Met beleid vooruit? Wat betekent het opvang-, inburgerings- en spreidingsbeleid voor ontwikkelingen in de positie en leefsituatie van statushouders? Den Haag: WODC.

Damen, R. (2022). Rooting in new soil: Explaining differences and developments in early integration processes among Syrian refugees in the Netherlands [Doctoral Thesis]. Erasmus University Rotterdam.

Damen, R., A. Hekelaar, Z. van Ikelen, F. Moors, M. Rens, A. Watzeels en J. Dagevos (2024). Op weg met het nieuwe inburgeringsbeleid in Rotterdam. Ervaringen en interacties van inburgeraars en professionals. Rotterdam: EUR en OBI.

Damen, R., A. Hekelaar, F. Moors, M. Rens, A. Watzeels en J. Dagevos (2026). Op koers met het nieuwe inburgeringsbeleid in Rotterdam? Procesresultaten en verdiepend onderzoek naar dualiteit. Rotterdam: EUR en OBI

Fasani, F., T. Frattini en L. Minale (2021). “Lift the Ban? Initial Employment Restrictions and Refugee Labour Market Outcomes.” Journal of the European Economic Association, European Economic Association, vol. 19(5), pages 2803-2854, 2021

Fransen, S., en K. Caarls, K. (2018). Allowing refugees to work or not?: Policies and the economic integration of refugees in the EU. In The Routledge Handbook of the Politics of Migration in Europe (pp. 348–362). https://doi.org/10.4324/9781315512853-33

Huijnk, W., J. Dagevos, M. Djundeva, D. Schans, E. Uiters, A. Ruijsbroek en M. de Mooij (2021) (red.). Met beleid van start. Over de rol van beleid voor ontwikkelingen in de positie en leefsituatie van Syrische statushouders. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hvidtfeldt, C., M. L. Schultz-Nielsen, E. Tekin en M. Fosgerau (2018). An estimate of the effect of waiting time in the Danish asylum system on post-resettlement employment among refugees: Separating the pure delay effect from the effects of the conditions under which refugees are waiting. PloS one, 13(11).

Marbach, M., J. Hainmueller en D. Hangartner (2018). The long-term impact of employment bans on the economic integration of refugees. Science Advances, 4(9), eaap9519. https://doi.org/10.1126/sciadv.aap9519

Otten, K., M. Maliepaard, J. Dagevos, L. van Leeuwen en M. de Mooij (red.) (2025). Meer dan een dak: De rol van opvang in het werken en welzijn van Oekraïense vluchtelingen. Den Haag: WODC.

VNG (2025). Van wachtstand naar werkstand. Een alternatief plan voor opvang en integratie. Den Haag: Vereniging voor Nederlandse gemeenten.

VWN (2025). ‘Het lange wachten maakt al mijn dromen kapot’. Effecten van telkens wachten in de asielperiode. Amsterdam: Vluchtelingenwerk Nederland.

Witvliet, M., R. van der Zwan, A. Mack en S. Belhaj-Haddou (2026). Tussenevaluatie Wet Inburgering 2021. Eindrapport. Amsterdam: Regioplan.

 

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

De Adviesraad Migratie, Movisie, het Centrum voor Governance van migratie en diversiteit van de Leiden-Delft-Erasmus-universiteiten en het WODC staan als initiatiefnemers van dit platform niet noodzakelijk achter de inhoud van de artikelen en deze kan dan ook niet worden toegeschreven aan de initiatiefnemers, maar zij steunen een door wetenschappelijke kennis geïnformeerd debat.