Als locatiemanager ben ik verantwoordelijk voor twee asielzoekerscentra onder hetzelfde beleid. Toch is de maatschappelijke werkelijkheid eromheen totaal verschillend. Dat verschil zit niet in het beleid, maar in hoe het lokaal landt.
Als locatiemanager bij het COA ben ik verantwoordelijk voor twee AZC’s in Twente: één in Almelo en één in Albergen. Ze vallen onder hetzelfde landelijke beleid en dezelfde uitvoeringsorganisatie. En toch heb ik bijna twee verschillende werelden onder mijn hoede.
Het azc in Almelo is al jaren een van de vele voorzieningen in de buurt, met zakelijke berichtgeving door de media, geen protest en opvang als normaal onderdeel van het straatbeeld. De komst van het azc in Albergen, een hecht dorp, verliep daarentegen stormachtig; er waren protesten, een brandstichting, beschietingen, bedreigingen aan het adres van de burgemeester en uiteindelijk een oordeel van de Nationale ombudsman dat de gemeente klachten onbehoorlijk had behandeld. Ook jaren later werkt dat alles nog door.
Hoe kan dezelfde opvang zo verschillend uitpakken?
Hoe kan dezelfde opvang zo verschillend uitpakken? In mijn eindopdracht voor de Leergang Perspectieven op de migratiesamenleving (van de Universiteit Leiden, de TU Delft en de Erasmus Universiteit Rotterdam) vergeleek ik beide locaties langs drie samenhangende lijnen: lokale context, legitimiteit en framing.
Op zoek naar verklaringen
De eerste verklaring is de locatie zelf. Almelo is een middelgrote stad met een lange geschiedenis van opvang en een diverse bevolking; in de wijk Haghoek heeft bijna de helft van de inwoners een migratieachtergrond. In zo’n omgeving wordt een nieuwe voorziening eerder gezien als uitbreiding van wat er al is.
Onderzoek naar asielopvang laat zien dat stedelijke, gemengde wijken veranderingen makkelijker absorberen (Miellet e.a., 2026). Albergen is het tegenovergestelde: klein, hecht, met weinig eerdere ervaring met opvang. Daar krijgt een azc onmiddellijk een dominante zichtbaarheid en wordt onenigheid niet individueel maar collectief beleefd. Wat in de stad opgaat in de ruis, wordt in het dorp een dorpskwestie.
De locatie werd door de overheid aangewezen tegen de wil van de gemeente in
De tweede verklaring gaat niet over de opvang, maar over het besluit erover. Legitimiteit ontstaat niet vanzelf. Mensen hoeven het niet eens te zijn met een besluit om het toch te accepteren, als ze het proces maar als begrijpelijk en eerlijk hebben ervaren (WRR, 2020). In Albergen ontbrak juist dat gevoel.
De locatie werd door de overheid aangewezen tegen de wil van de gemeente in. Bewoners ervoeren de aanwijzing als iets dat van bovenaf werd opgelegd. Het oordeel van de Nationale ombudsman bevestigde drie jaar later het gevoel dat zij vanaf het begin niet gehoord waren. Weerstand ontstaat namelijk vaak niet door het besluit zelf, maar door dat gevoel van machteloosheid (Movisie, 2023). In Almelo ontbrak zo’n breukmoment volledig: geen aanwijzing, geen ombudsman, geen botsing tussen overheden.
De derde verklaring is de media. Belangrijk: framing is hier niet de oorzaak van het verschil, maar versterkt het. Conflict levert nieuws op, bestuurlijke routine niet. Almelo haalde de krant als ‘de modernste asielopvang van Nederland’ en met een open dag op Nationale Burendag.
Albergen werd, met incident na incident, verbonden aan het bredere nationale asieldebat. Dat is wat Scholten (2025) de logica van fragmentatie noemt: een lokaal incident wordt uitvergroot tot landelijk symbool, terwijl het bericht dat inwoners ‘er eigenlijk weinig van merken’ nauwelijks aandacht krijgt. Zo werd Albergen een symbool van een conflict tussen overheid en burger. Niet omdat dat de hele werkelijkheid was, maar omdat de medialogica dat verhaal bleef herhalen.
Een hechte gemeenschap maakt een omstreden besluit zichtbaarder
De kern van mijn bevinding is dat deze drie factoren niet los van elkaar werken. Ze grijpen in elkaar. Een hechte gemeenschap maakt een omstreden besluit zichtbaarder. Een omstreden besluit geeft de media iets om over te berichten. Die berichtgeving vergroot de zichtbaarheid, wat de lokale discussie weer voedt, wat opnieuw nieuws oplevert.
Zo ontstaat een vicieuze cirkel die zichzelf in stand houdt. In Albergen draaide die cirkel richting conflict; in Almelo richting normalisering. Draagvlak wordt dus niet bepaald door het aantal bedden of de kwaliteit van het gebouw, maar door de samenhang tussen plek, proces en beeldvorming.
Wat dit betekent
Dit inzicht heeft praktische gevolgen, zeker nu. De Spreidingswet verplicht gemeenten nog altijd om opvangplekken te realiseren en de opgave voor de komende jaren is groot. Veel van die nieuwe locaties zullen komen op plekken die meer op Albergen lijken dan op Almelo. Daar biedt een formeel correct besluit geen garantie voor acceptatie.
Wat wel helpt: een zorgvuldig en navolgbaar proces waarin inwoners zich gehoord voelen, een kleinschalige aanpak met herkenbare aanspreekpunten en zichtbaarheid in de buurt, vóór de opening, niet pas als het misgaat.
De komst van het azc in Albergen betekende daarmee niet alleen een nieuwe functie, maar ook het verlies van een vertrouwde ontmoetingsplek
Daarbij telt ook de locatie zelf. Een azc begint zelden met een stapel stenen, maar meestal in een bestaand pand. En dan kan er ook iets verdwijnen. Het voormalige Hotel ’t Elshuys in Albergen was geen leegstaand gebouw, maar een plek voor bruiloften, feesten en het verenigingsleven.
De komst van het azc betekende daarmee niet alleen een nieuwe functie, maar ook het verlies van een vertrouwde ontmoetingsplek. Een hotel, kerk of dorpshuis draagt een symbolische lading die een kantoorpand of bedrijfshal in de regel mist. Wie bij de locatiekeuze alleen naar technische geschiktheid kijkt, mist die sociale dimensie en wordt daar achteraf door verrast.
Ik zie nog twee lessen. Behandel doelgroepbeperking, zoals die in Albergen als onderhandelingsresultaat ontstond, met terughoudendheid, want zonder helder landelijk kader ondermijnt elke lokale uitzondering het systeem als geheel.
Deze beperking kwam in Albergen tot stand tussen het COA en de gemeente Tubbergen, na de aanwijzing van de locatie door het Rijk in 2022 en werd vastgelegd in de bestuursovereenkomst. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen, mensen met zware psychiatrische problematiek en vreemdelingen met een vrijheidsbeperkende maatregel worden niet in Albergen geplaatst. Het aantal statushouders is gemaximeerd op 50 en de oorspronkelijke capaciteit van 300 plekken is teruggebracht naar 150.
De tweede les is dat het COA structureel zou moeten investeren in de relatie met de omgeving juist ná de opening
Het verandert de totale capaciteit aan bedden in Nederland niet, maar de verdeling van moeilijk plaatsbare bewoners over die capaciteit wordt wel steeds schever. Hoe meer locaties een beperking bedingen, hoe meer die groepen terechtkomen op het overblijvende, kleinere aantal locaties zonder zo’n beperking, zoals bijvoorbeeld Almelo.
De tweede les is dat het COA structureel zou moeten investeren in de relatie met de omgeving juist ná de opening, wanneer de camera’s weg zijn en de politieke aandacht verschuift. Dat is het moment waarop blijkt of een locatie echt onderdeel van de gemeenschap wordt.
Opvang is nooit alleen een logistieke opgave. Het is een sociaal proces, waarin locatie, proces en beeldvorming samen bepalen of een azc een normale voorziening wordt of een symbool van conflict. Wie dat begrijpt, kan asielopvang beter afstemmen op de plek waar ze landt. En dat is uiteindelijk in ieders belang.
Maarten Keppels is locatiemanager bij het COA. Dit artikel is gebaseerd op zijn eindopdracht voor de LDE Leergang Perspectieven op de Migratiesamenleving en op zijn ervaringen in de praktijk. Hij schrijft op persoonlijke titel.
