‘We bouwen verder aan partnerschappen, om samen met landen van herkomst, doorreis en bestemming irreguliere migratie tegen te gaan, en terugkeer en bescherming te bevorderen.’ Dat schrijven minister Bart van de Brink (Asiel en Migratie) en minister Tom Berendsen (Buitenlandse Zaken) in een brief aan de Tweede Kamer.
Eerder stelden de Adviesraad Migratie (AM) en de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) dat migratieafspraken met landen buiten de Europese Unie alleen kans van slagen hebben als ze ook voordelen opleveren voor de partnerlanden zelf.
Volgens de raden moeten Nederland en de EU daarbij meer bieden dan afspraken over terugkeer van migranten en grensbewaking. Zonder perspectief op arbeidsmigratie, economische samenwerking en aandacht voor mensenrechten blijven duurzame migratieafspraken moeilijk realiseerbaar.
Brede partnerschappen
Het kabinet zegt die analyse te onderschrijven. In de Kamerbrief schrijven de ministers dat zij nadrukkelijk zoeken naar een verbreding van de samenwerking met derde landen naar andere beleidsterreinen. Daarbij wijzen zij onder meer op arbeidsmigratie, zowel via bestaande regelingen als via nieuwe initiatieven en pilots.
Als voorbeeld noemen de ministers Ethiopië en Egypte, landen waarmee Nederland inmiddels zogenoemde ‘brede dialogen’ voert
Als voorbeeld noemen de ministers Ethiopië en Egypte, landen waarmee Nederland inmiddels zogenoemde ‘brede dialogen’ voert. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar een combinatie van ‘migratie, economische ontwikkeling, arbeidsmobiliteit en andere vormen van samenwerking’. Waar mogelijk gebeurt dit volgens het kabinet in Europees verband.
Rol voor maatschappelijke organisaties
Ook een tweede aanbeveling van de adviesraden wordt door het kabinet overgenomen. De ministers schrijven dat er, waar relevant, ruimte moet zijn voor partijen uit het maatschappelijk middenveld, sociale partners, het bedrijfsleven en onderwijs- en kennisinstellingen.
De adviesraden hadden hier expliciet voor gepleit. Volgens hen kunnen zulke partijen een belangrijke bijdrage leveren aan duurzame samenwerking met partnerlanden en aan het maatschappelijk draagvlak voor migratieafspraken.
Inzet op terugkeerhubs
Onder de noemer ‘innovatieve oplossingen’ zet het kabinet in op zogenaamde ‘terugkeerhubs’ voor afgewezen asielzoekers. Volgens de ministers kunnen dergelijke voorzieningen, bijvoorbeeld in Afrika, bijdragen aan het doorbreken van een hardnekkig probleem: mensen die niet kunnen worden uitgezet omdat landen van herkomst niet meewerken aan terugkeer.
Nederland en andere EU-lidstaten zijn voor terugkeer immers sterk afhankelijk van de medewerking van herkomstlanden. Die samenwerking verloopt in de praktijk vaak moeizaam.
Met de ontwikkeling van de hubs trekt Nederland zo vel mogelijk op met de ‘kopgroep’ van Duitsland, Denemarken, Griekenland en Oostenrijk
De ministers schrijven dat de hubs moeten passen in het internationaal recht, ‘inclusief de waarborg dat migranten nooit terug worden gestuurd naar een land waar zij het risico lopen om vervolgd te worden’. Dat moet goed gemonitord worden. Met de ontwikkeling van de hubs trekt Nederland zo vel mogelijk op met de ‘kopgroep’ van Duitsland, Denemarken, Griekenland en Oostenrijk.
Wat betreft de Adviesraad Migratie is de rechtmatigheid van de partnerschappen nog wel een zorg en vergt dit extra werk: door middel van verdragen met duidelijkheid over verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden.
Speciale aandacht voor Syrië
De ministers gaan in hun brief ook afzonderlijk in op Syrië. Het kabinet zet stevig in op de terugkeer van Syriërs die geen recht hebben op verblijf in Nederland.
Van de Brink en Berendsen reisden daarvoor onlangs zelf naar Damascus. Daar spraken zij met de Syrische autoriteiten over ‘wederopbouw, stabiliteit en een inclusieve politieke transitie’.
De volledige Kamerbrief is te vinden via de website van de Tweede Kamer.
Foto: Minister van asiel en migratie Bart van den Brink. Fotografie: Martijn Beekman, Rijksoverheid.
