De opvang in gezinslocaties heeft grote impact op het leven van ongedocumenteerde kinderen en hun ouders. Angst en onzekerheid overheersen. Onderzoekers Laura Cleton en Elina Jonitz stellen een oplossing voor die in Duitsland al gemeengoed is: regularisatie.
Vorig jaar ontmoetten we Zainab, een jonge vrouw uit Irak die haar tienerjaren doorbracht in een Nederlandse gezinslocatie, een opvangcentrum voor ongedocumenteerde migrantengezinnen.[i] Ze vertelde ons dat het hele gezin al die tijd bang was om uitgezet te worden en dat zij en haar zus ‘nooit de kans hebben gehad om kinderen te zijn.’
Uiteindelijk kreeg het gezin een verblijfsvergunning, maar die uitkomst is allerminst vanzelfsprekend. De Nederlandse overheid probeert uitgeprocedeerde, ongedocumenteerde migranten namelijk vooral terug te sturen naar hun landen van herkomst.
Zainab voelde zich nog lang ‘opgebrand, uitgeput en emotioneel geblokkeerd’ door onzekerheid en angst. Samen met Elias Tissandier-Nasom en Nour Samira Hjeij onderzochten wij hoe deze voortdurende dreiging van uitzetting het gezinsleven van ongedocumenteerde kinderen en hun ouders beïnvloedt. Ook hebben we gekeken of de opvang in gezinslocaties de terugkeer van uitgeprocedeerde, ongedocumenteerde migranten, een belangrijk uitgangspunt van beleid, daadwerkelijk bevordert.
Eindeloos wachten
Voor ons onderzoek bezochten we vier gezinslocaties, en interviewden we bijna veertig (voormalige) bewoners, casemanagers, ambtenaren, advocaten en medewerkers van ondersteuningsorganisaties.
Het leven in een gezinslocatie staat gelijk aan eindeloos wachten
Onze bevindingen maken duidelijk dat het leven in een gezinslocatie ingrijpende en langdurige gevolgen heeft. Het welzijn van ouders en kinderen staat er voortdurend onder druk.
Het leven in een gezinslocatie staat gelijk aan eindeloos wachten, op de start van een nieuwe procedure, op een beslissing van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), op een oordeel van de rechter en op de eventuele uitzetting door de Dienst Terugkeer & Vertrek. Het leven van de ongedocumenteerde migranten staat met andere woorden vooral stil. Het enige dat ouders mogen doen, is ‘eten, slapen en stempelen (voor de verplichte dagelijkse aanwezigheid)’, zoals een van hen ons vertelde.
Bewoners van gezinslocaties beschrijven hoe hun levens nergens heen gaan. Dit gevoel van stilstand wordt afgewisseld met momenten van angst, bijvoorbeeld als gezinnen in de vroege ochtend worden opgehaald voor plaatsing in de Gesloten Gezinsvoorziening (GVV), een detentiecentrum van waaruit gedwongen uitzetting plaatsvindt. Kinderen zien regelmatig hun vrienden verdwijnen, wat volgens ouders betekent dat ‘ze telkens weer nieuwe vrienden moeten zoeken en zich niet veilig voelen in hun vriendschappen.’
Gezinsrelaties en vriendschappen komen onder steeds grotere spanning te staan
Door de gedwongen inactiviteit van ouders nemen kinderen veel verantwoordelijkheden op zich; als zorgverlener, als tolk bij interacties met instanties en als beheerder van documenten. Evenals de rapporten van Defence for Children en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd laat ons onderzoek zien dat onzekerheid, gebrek aan veiligheid, en uitsluiting leiden tot mentale gezondheidsproblemen. Gezinsrelaties en vriendschappen komen onder steeds grotere spanning te staan.
Terugkeer
De tweede vraag die we in ons onderzoek probeerden te beantwoorden, is of opvang in gezinslocaties ertoe bijdraagt dat uitgeprocedeerde, ongedocumenteerde migranten vaker naar hun landen van herkomst terugkeren. Vorig jaar registreerde het Centraal Orgaan Asielzoekers 126 individuen die de centra verlieten. Tien daarvan keerden vrijwillig terug naar hun land van herkomst, 25 werden overgeplaatst naar de GGV, wat niet automatisch betekent dat daarop ook uitzetting volgde.
Sterker nog, de casemanagers in ons onderzoek bevestigen dat terugkeer vanuit de gezinslocaties weinig voorkomt, onder anderen door het ontbreken van reis- of identiteitspapieren of doordat gezinsleden soms verschillende nationaliteiten hebben.
Er zijn casemanagers die ouders verwijten de terugkeer van het gezin te saboteren. Zij starten steeds nieuwe procedures op, waarmee ze ‘de toekomst van hun kinderen schaden’ en voor meer onzekerheid zorgen. Tegelijkertijd zijn er ook casemanagers, vaak al langer werkzaam in de gezinslocaties, die elke ‘juridisch haalbare mogelijkheid’ onderzoeken, zowel voor terugkeer als voor alternatieve verblijfsmogelijkheden, om in ieder geval voor duidelijkheid te zorgen.
Zij erkenden de lange wachttijden bij de IND en dat ‘het leven doorgaat in het centrum: mensen worden ziek en krijgen kinderen, daar moet je rekening mee houden.’
Regularisatie
De verhalen van Zainab en andere bewoners tonen aan dat een heroriëntatie nodig is van het beleid rond uitgeprocedeerde, ongedocumenteerde gezinnen. In plaats van ouders kwalijk te nemen dat zij een beroep doen op hun rechten, en zelf krampachtig vast te houden aan de mantra dat ‘terugkeer altijd mogelijk is’, zouden beleidsmakers uit moeten gaan van oplossingen die stoelen op een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor uitvoerbare juridische procedures.
Een mogelijke oplossing is een regularisatieprocedure die onderwijs koppelt aan verblijfsrecht
In deze andere oplossing staat het welzijn van kinderen centraal, en worden alternatieven voor terugkeer naar het land van herkomst serieus overwogen. Een voorbeeld hiervan is een regularisatieprocedure die onderwijs koppelt aan verblijfsrecht. Dit bestaat al in Duitsland, waar jongeren met een afgewezen asielaanvraag na drie jaar verblijf en het behalen van een schooldiploma in aanmerking komen voor regularisatie. Zulke maatregelen geven kinderen perspectief en stellen gezinnen in staat uiteindelijk te zeggen: ‘we leven weer. We zijn weer mensen, niet slechts een dossier in het systeem.’
De Nederlandse overheid en samenleving zijn het tegenover Zainab en alle andere kinderen uit ongedocumenteerde migrantengezinnen verplicht om duidelijkheid te bieden. Immers, zoals Zainab tegenover ons benadrukte, de negatieve gevolgen van het leven in een gezinslocatie blijven ook na het verkrijgen van een verblijfsvergunning lang doorwerken.
Laura Cleton is postdoctoraal onderzoeker aan de Erasmus Universiteit, en doet onderzoek naar de uitvoering van terugkeerbeleid, in het bijzonder voor ongedocumenteerde kinderen. Elina Jonitz is promovenda aan de Erasmus Universiteit, en doet onderzoek naar de integratie van vluchtelingen in Nederland en naar regularisatieprocedures voor afgewezen asielzoekers in Duitsland.
[i] Zainab is een pseudoniem
Foto: Gerard Stolk (Flickr Creative Commons)
