Vandaag de dag heeft in de meeste grote steden nog slechts één op de drie kinderen géén migratieachtergrond. De oude meerderheidsgroep wordt een minderheid tussen andere minderheden, stellen Maurice Crul en Frans Lelie in hun nieuwe boek Samenleving van minderheden. Wat kan er bijdragen aan goed samenleven?
Om de integratieprocessen zoals die zich nu voordoen in onze steden te begrijpen, hebben we een nieuwe visie nodig. Een visie die de feitelijke leefwereld van de superdiverse buurt als uitgangspunt neemt. In dit nieuwe millennium wordt de context waarin de meerderheid van de bewoners een migratieachtergrond heeft de nieuwe norm: mensen zullen steeds vaker samenleven met een meerderheid van mensen met een andere afkomst dan zijzelf.
Hierdoor heeft het oude integratiedenken zijn relevantie verloren. Voor een succesvolle praktijk van het samenleven is niet langer leidend in hoeverre mensen zich de cultuur van de oude meerderheidsgroep eigen maken. Relevant is in hoeverre alle bewoners stappen ondernemen om deel te worden van de superdiverse wijk en stad waarin zij wonen.
Het is niet zo dat de diverse samenleving alleen maar plezierige interacties oplevert, of juist alleen maar conflicten. Voor beide meningen zijn talloze voorbeelden te vinden. Sommige buren dragen bij aan je woongenot en andere niet. Daar kan je geluk mee hebben of juist pech.
Maar er zijn wel een aantal mechanismen die we tegenkwamen in het ‘natuurlijke laboratorium’ van de superdiverse stad. Deze vijf verschillende mechanismen die de weegschaal naar de kant van een prettig leefklimaat in de superdiverse stad kunnen laten kantelen beschrijven we uitgebreid in ons boek. We lopen ze hier graag nog een keer na.
Eerste mechanisme: mensen die negatief zijn over diversiteit
Een geslaagde praktijk van het samenleven wordt ten eerste – paradoxaal genoeg – juist bereikt doordat een flink deel van de mensen die negatief zijn over diversiteit deze mening niet vertalen naar de praktijk in hun dagelijkse omgang met buurtgenoten en collega’s met een andere achtergrond dan zijzelf. Hierdoor slaat de balans door naar een meer geslaagde praktijk van het samenleven dan op basis van alleen de meningen van mensen zou worden verondersteld.
Mensen nemen deze positie op basis van eigenbelang in. Zij willen zich gewoon thuis voelen, zich veilig voelen en gezien worden in hun portiek, in hun buurt en op hun werk. Vanuit eigenbelang bezien, kunnen ook degenen die diversiteit als een bedreiging zien, uiteindelijk in de praktijk deze positie innemen. Als we ons richten op de praktijk, in plaats van op meningen, zijn er talloze mogelijke activiteiten te verzinnen voor het versterken van plezierig leefklimaat.
Het gaat dan niet om activiteiten die gericht zijn op ‘het vieren van diversiteit’. Liever niet zelfs. Mensen die van mening zijn dat diversiteit iets negatiefs is zullen daar naar alle waarschijnlijkheid niet aan deelnemen. Denk liever aan activiteiten waarbij juist een andere identiteit wordt aangesproken dan je etnische identiteit, zoals je identiteit als buurtbewoner die een schone straat wil, als ouder die een veilige speelplek wil, of als teamgenoot tijdens het sporten. Vandaaruit zien we betekenisvol contact ontstaan. Betekenisvol contact over groepsgrenzen heen is een tegengif tegen angst en segregatie.
Tweede mechanisme: de groep die diversiteit een verrijking vindt
Er valt dus iets te winnen voor de mensen die een negatieve mening over diversiteit hebben. Voor het tweede mechanisme kijken we nu naar de groep die van mening is dat culturele diversiteit een verrijking is. Een groot deel van deze mensen groet de buren en maakt soms een praatje bij de groenteboer, maar meldt tegelijkertijd toch weinig of geen betekenisvol contact en vriendschappen over etnische groepsgrenzen heen. Overal waar wij lezingen hielden, niet zelden op plekken waar diversiteit gevierd werd, werd er instemmend geknikt als we deze paradox beschreven.
Ook voor deze mensen is er winst te behalen. In de praktijk bleek het ongemak en de angst om iets verkeerds te doen of te zeggen juist bij hen groot en zij vermijden daarom interetnisch contact dat verdergaat dan een vriendelijke groet.
Als zij elkaar echter ontmoeten in georganiseerde situaties, zoals op het schoolplein van de gemengde school, in een gemengd sportteam, in een gemengd koor of bij een vergadering van de Vereniging van Huiseigenaren in hun gemengde woonblok, dan komen zij over hun belonging uncertainty heen.
Voor het overwinnen van het ongemak is het dus zinvol om te kiezen voor activiteiten waar mensen uit verschillende etnische groepen aan deelnemen. Als zij hun ongemak overwinnen, is ook van deze groep een grotere bijdrage aan een geslaagde praktijk van het samenleven te verwachten. En ook voor henzelf is dit prettig. Mensen die zich bevrijd hebben van het ongemak, die hun belonging uncertainty hebben overwonnen, bewegen zich vrijer in een superdiverse context.
Dit klinkt misschien een beetje zweverig, maar er is een sterke innerlijke component aan dit proces. De eerste keer dat wij zelf bij een congres besloten om tijdens de koffiepauze niet automatisch af te lopen op de collega’s zonder migratieachtergrond die we kenden, maar op de enkele collega of het kleine groepje collega’s met een migratieachtergrond die we niet kenden herinneren we ons nog wel.
Het voelde ongemakkelijk en een beetje geforceerd. We hadden het ook niet kunnen doen, er was immers een alternatief zonder ongemak. Het is ook niet zo dat we dit altijd doen, maar de vele keren dat we het ondertussen wel deden hebben ons vaak nieuwe inzichten, contacten en plezier opgeleverd.
Derde mechanisme: het belang van verbinders
Het overwinnen van het ongemak kan als een vliegwiel werken voor het derde mechanisme: het onderling verbinden van mensen. Naar mate mensen in de praktijk de kunst van het samenleven in diversiteit hebben geleerd wordt dit steeds makkelijker. Ze worden dan niet zelden ‘verbinders’ tussen mensen in hun omgeving.
Dat klinkt als een groot woord, maar betekent eigenlijk niet veel meer dan dat je anderen betrekt bij een ontmoeting die anders waarschijnlijk niet tussen die personen plaats zou vinden. Soms is het gewoon alleen dat je zegt: ‘Kennen jullie elkaar al?’
Verbinders zorgen er ook vaak voor dat kleine interetnische conflicten in hun woonomgeving niet ontstaan of dat ze snel worden opgelost, omdat zij mensen bij elkaar brengen over groepsgrenzen heen. De mensen die in de praktijk het interetnische weefwerk in de wijk vormgeven bieden een belangrijk tegenwicht tegen de mensen die in de praktijk bij veel conflicten betrokken zijn.
Voor het positief doorslaan van de weegschaal is het dus van wezenlijk belang dat de groep verbinders langzaam maar zeker groeit.
Vierde mechanisme: mensen in sleutelposities
Het vierde mechanisme dat een geslaagde praktijk van het samenleven bevordert heeft betrekking op een specifieke groep in de samenleving van minderheden: de mensen in sleutelposities. Dit kan een schooldirecteur zijn, een huisarts, de leidinggevende van de lokale bibliotheek of iemand die de activiteiten organiseert in het buurthuis.
Zij hebben doorgaans een rol die meer gewicht in de weegschaal kan leggen. Uit ons onderzoek bleek dat de meerderheid van de mensen in sleutelposities in de praktijk het prettig samenleven in diversiteit probeert te bevorderen.
Als bijvoorbeeld de directeur van de buurtschool activiteiten organiseert waar ouders uit de verschillende etnische groepen elkaar beter kunnen leren kennen, dan versterkt dit mechanisme het interetnische weefwerk in de wijk. De kans is groter dat problemen in het woonblok gezamenlijk worden voorkomen of opgelost als bewoners op een ander vlak al een gezamenlijke praktijk hebben.
Deze sleutelfiguren hebben vaak veel kennis over wat er wel of niet werkt in de superdiverse buurt. De inzet die zij vanuit hun verschillende organisaties tonen is een belangrijke factor in de geslaagde praktijk van het samenleven. Het gaat er vooral om dat zij de ruimte en de middelen krijgen om hun werk te doen.
Vijfde mechanisme: inrichting van de ruimte
Het vijfde mechanisme betreft de invloed van de inrichting van de gedeelde ruimte, zoals het portiek, de binnentuin, of het buurtpleintje, op het leefklimaat in de superdiverse stad. Een gedeelde ruimte die zo wordt ingericht dat er prettig, kleinschalig, betekenisvol interetnisch contact kan plaatsvinden heeft ook een grote invloed op hoe sterk de andere vier beschreven mechanismen in beweging worden gezet.
Een binnentuin kan zo worden ingericht dat die de plezierige ontmoeting faciliteert, maar de inrichting kan daarentegen ook tot conflicten leiden. We weten nog betrekkelijk weinig over wat precies werkt en wat niet. Welke fysieke en sociale omstandigheden in een woonblok maken de barrières tussen de verschillende mensen juist groter en welke maken ontspannen contact mogelijk?
We hebben wel gezien dat de fysieke ruimte nog enorm veel kansen biedt om een succesvolle praktijk van het samenleven te bevorderen.
Mechanismen versterken elkaar
De vijf mechanismen grijpen in elkaar en versterken elkaar. Mensen die in de publieke ruimtes voor de interetnische verbinding zorgen, betrekken vaak ook andere mensen zonder migratieachtergrond die wellicht belonging uncertainty voelen bij hun contact met mensen met een migratieachtergrond. Dit gebeurt op het schoolplein waar ouders bij elkaar staan, op straat of op het voetbalveld.
Als er veel mensen plezierige interetnische contacten hebben, maakt dit de ruimte kleiner voor mensen die diversiteit een bedreiging vinden en dat ook in de praktijk brengen via onplezierige interetnische interacties. Het tegelijkertijd bevorderen van deze vijf mechanismen kan als een agenda gezien worden om de weegschaal naar een plezierig leefklimaat in de samenleving van minderheden te laten doorslaan.
Maurice Crul is hoogleraar Sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en bekleedt daar de leerstoel Onderwijs en Diversiteit. Frans Lelie is fellow aan de afdeling Sociologie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Dit is een kleine uitsnede uit hun nieuwe boek Samenleving van minderheden (Prometheus, 2025).
Foto: Diva Plavalaguna via Pexels.com
