Sociologiehoogleraar Jan Willem Duyvendak schreef het boek Spookkloven, over kloven die wel worden ervaren maar die er objectief gezien niet zijn. Hieronder een ingekorte en licht bewerkte weergave van (spook)kloof nummer 7, de vermeende kloof tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond.
De kloven gaan over onder andere inkomen, generaties, stad-platteland, opleiding en religie. Elke kloof behandelt Duyvendak in zijn boek volgens een vast stramien: een inleiding, hoe zit het objectief? (wat zijn de feiten), wat is de perceptie en welke emoties maakt de vermeende kloof los? Over Nederlanders met en zonder migratie-achtergrond schrijft hij:
In de afgelopen jaren heeft de veronderstelde kloof tussen nieuwkomers en ingezetenen de gemoederen sterk beziggehouden. Al vanaf het rapport van de commissie Blok (2004), waarin geconstateerd werd dat het met de integratie van nieuwkomers in Nederland eigenlijk best goed ging, bestaat de neiging in het politieke debat om feitelijke cijfers af te doen als misleidend.
Zo zei toenmalig VVD-kamerlid Ayaan Hirsi Ali bij de presentatie van de positieve conclusies van de commissie-Blok: ‘Dit kan niet waar zijn.’ Deze ontkenning van feitelijke ontwikkelingen leidt tot allerhande mispercepties (het aandeel moslims in de Nederlandse bevolking wordt bijvoorbeeld in enquêtes systematisch te hoog ingeschat) en grote emotionele polarisatie.
Wie iets zinvols wil zeggen over de feitelijke kloof tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond moet geen foto nemen (hoe is de situatie op een zeker moment?) maar naar de ontwikkelingen kijken als naar een film. In welke richting beweegt de relatie tussen beide groepen zich? Wordt de kloof tussen hen kleiner of groter?
Wat het precieze doel van integratiebeleid zou moeten zijn, is overigens betwist en in de loop van de tijd veranderlijk: tegenwoordig lijkt het te gaan om totale aanpassing van nieuwkomers aan gevestigden, terwijl voorheen migranten iets meer eigenheid mochten behouden.
Het blijkt dat de afstand tussen mensen met en zonder migratieachtergrond sterk afneemt
Hoe dit ook zij, uit al het beschikbare onderzoek blijkt dat de afstand tussen mensen met en zonder migratieachtergrond in de loop van de tijd sterk afneemt, zowel wat betreft sociaaleconomische verschillen als qua opinies en gedrag. Het is een politieke discussie of die afname van verschillen snel genoeg gaat en veel politici zijn ongeduldig, vooral als het om moslims gaat.
Er kan echter geen verschil van mening bestaan over de richting van de ontwikkeling: op alle mogelijke domeinen zijn nieuwkomers in de loop van de tijd deel gaan uitmaken van de Nederlandse mainstream en geven daaraan nu ook mede vorm en inhoud. Meer nog dan bij andere spookkloven, is bij dit onderwerp de afstand groot tussen de feitelijke ontwikkelingen enerzijds en de perceptie en beleving anderzijds.
Sommige partijen zijn verblind door emoties
Sommige partijen kunnen (willen?) de feitelijke situatie niet erkennen omdat ze verblind zijn door emoties. Mensen met een migratieachtergrond zijn voor hen zo ‘anders’ dat geen enkel bewijs van integratie ‘waar’ kan zijn. De ‘ander’, de niet-Nederlander, de non-native – en zeker de moslims onder hen – zullen voor hen nooit echt Nederlander kunnen worden.
Hoe zit het objectief?
Mensen die buiten Europa zijn geboren scoren op veel indicatoren lager dan mensen die in Nederland zijn geboren uit ouders die eveneens in Nederland zijn geboren. Kinderen die in Nederland zijn geboren uit ouders die dat niet zijn, zitten daartussenin. Hoewel deze verschillen bestaan, is het belangrijk om de vraag te stellen in welke richting deze verschillen zich ontwikkelen (de film).
Dan blijkt dat er convergentie plaatsvindt tussen alle personen van 15-74 in Nederland, ook die met Turkije, Marokko, Suriname, Indonesië en sub-Sahara Afrika als herkomstland. Deze afname van verschillen treedt op wat betreft netto arbeidsparticipatie, werkloosheid, gemiddeld inkomen, opleidingsniveau en startkwalificaties.
Alleen verschillen in zelfervaren gezondheid, sociaal vertrouwen en ‘verdachte zijn’ blijken hardnekkig (wat niet wil zeggen dat zij kunnen worden verklaard uit het hebben van een migratieachtergrond) (CBS, 2025).
Het is eigenlijk nauwelijks verrassend dat groepen zo sterk op elkaar gaan lijken
Het is eigenlijk nauwelijks verrassend dat – zeker over een aantal generaties gemeten – groepen zo sterk op elkaar gaan lijken. Maar het tempo waarin dit proces zich recentelijk in Nederland voltrekt, is best opmerkelijk, ook voor groepen waarvoor dreigend wordt gewaarschuwd omdat ze zo ver zouden afstaan van ‘de Nederlandse cultuur’.
De kinderen en kleinkinderen van vaak analfabete jonge mannen die als gastarbeider in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw naar Nederland kwamen, hebben een enorme sprong gemaakt – op onderwijsniveau, taalvaardigheid, arbeidsparticipatie, huisvesting, etc. – en lijken ook in hun opinies en gedrag steeds meer op andere Nederlanders (de leeftijd waarop ze trouwen, hoeveel kinderen ze krijgen, waar ze begraven willen worden, hun opvattingen over gender en seksualiteit, et cetera).
Waar er nog wel verschillen zijn – bijvoorbeeld in de hoge mate van religiositeit en in het dragen van lichaamsbedekkende kleding – worden ook deze, interessant genoeg, vaak gemotiveerd in de taal van de meerderheid, in termen van het liberale discours: ‘Ik kies er zelf voor.’ Zoals journalist Marijn Kruk (2024) heeft laten zien, is het liberale denkraam zo allesbepalend, dat we ons er nauwelijks meer bewust van zijn.
Perceptie
Deze relatief kleine en steeds kleiner wordende objectieve verschillen zien we niet weerspiegeld in de percepties, want deze zijn sterk negatief: 65% van de Nederlanders ziet grote tegenstellingen tussen autochtonen en allochtonen. Dit percentage is stabiel tussen 2008 en 2020, zij het dat na een lichte daling meer recent weer sprake is van een stijging.
De meerderheid van de Nederlanders associeert migratie met de moeilijkheid om huisvesting te vinden en het risico dat Nederland zijn eigenheid verliest. Maar liefst 78% van de autochtone Nederlanders denkt dat de integratie van allochtonen in Nederland is mislukt; 85% vindt dat mensen met een migratieachtergrond meer hun best moeten doen om te integreren in de Nederlandse samenleving, terwijl 65% meent dat ‘de Nederlandse identiteit’ onder druk staat.
Mensen met een migratieachtergrond zijn ook kritisch op de bestaande verhoudingen
Mensen met een migratieachtergrond zijn ook kritisch op de bestaande verhoudingen; zij vinden eveneens – zij het in lagere percentages – dat het met de integratie niet goed gaat (40%) en dat zijzelf nog meer hun best moeten doen. Tegelijkertijd vindt 72% van de Nederlandse migranten dat autochtone Nederlanders meer open moeten staan voor anderen.
Juist omdat kwesties van migratie, etniciteit en ras zo verstrengeld zijn geraakt met Nederlanderschap (‘wie is een echte Nederlander?’), vinden veel mensen met een migratieachtergrond het moeilijk om zichzelf als Nederlander te zien en identificeren zij zich eerder lokaal, als Amsterdammer of Rotterdammer.
In vergelijkend perspectief valt niettemin op dat Nederlanders relatief iets positievere opinies hebben over de invloed van migratie op leefbaarheid, cultuur en economie dan de bevolking in de meeste andere Europese landen. Deze opinies zijn ook nog iets positiever geworden in de afgelopen jaren. Maar deze relatieve positionering zegt vooral veel over hoe extreem negatief de perceptie van migranten (ook) in andere landen is.
68% van de Nederlanders meent dat de regering het jaarlijkse aantal migranten omlaag moet brengen
Emotie
68% van de Nederlanders meent dat de regering het jaarlijkse aantal migranten dat Nederland binnen mag komen, omlaag moet brengen. Toch scoren Nederlanders hiermee nog niet eens zo hoog, opnieuw vergeleken met andere EU-landen: Nederland staat op de 9de plaats – van 29 Europese landen – als het gaat om immigratieacceptatie.
Ook is de affectieve polarisatie op basis van immigratieachtergrond niet de grootste scheidslijn in Nederland (dat zijn religie (islam!) en politieke positionering), maar de mate van emotionele polarisatie tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond is wel groter dan die op basis van regio, opleiding en stedelijkheid.
Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Netherlands Institute of Advanced Study (NIAS-KNAW). Vandaag verschijn zijn boek Spookkloven. Waarom Nederland minder gepolariseerd is dan we denken.
