De kloof tussen Nederlanders met en zonder migratieachtergrond neemt af, zegt Jan Willem Duyvendak. Dat zou uit de feiten blijken. SCP-onderzoeker Jaco Dagevos is niet overtuigd: het gevoel er al dan niet bij te mogen horen, moet meegewogen worden bij de beoordeling van maatschappelijke kloven.
Over belangstelling heeft Duyvendak met zijn boek Spookkloven niet te klagen. Het is geschreven naar aanleiding van een verzoek van zijn uitgever om een publicatie te maken voor een breder publiek. Afgemeten aan de ruime aandacht in de verschillende media is dat in elk geval gelukt. Ook onder de vakgenoten roept het boekje het nodige op, zo blijkt onder meer uit de diverse bijdragen op Sociale Vraagstukken. Ik doe hierbij ook een duit in het zakje.
Tegengeluid
Duyvendak zet zich af tegen het beeld van een gepolariseerd land waar tussen verschillende bevolkingsgroepen een grote en toenemende afstand bestaat. Hij bekijkt op basis van empirisch materiaal de kloven tussen onder meer hoger en lager opgeleiden, bewoners van platteland en grote stad, tussen mannen en vrouwen en tussen mensen met en zonder migratieachtergrond. De uitkomst is inmiddels breed bekend: het valt allemaal reuze mee met de verschillen in Nederland, het zijn spookkloven.
Op de claim dat het meevalt met de kloof tussen mensen met en zonder migratieachtergrond is wel iets af te dingen
Dat geldt ook voor de veel genoemde kloof tussen mensen met en zonder migratieachtergrond. Zijn argument is dat de afstand tussen mensen met en zonder migratieachtergrond in de loop van de tijd afneemt wat betreft sociaaleconomische verschillen, opinies en gedrag. Nieuwkomers worden, zo schrijft Duyvendak, op alle mogelijke domeinen onderdeel van de Nederlandse ‘mainstream.’
Onderzoek naar langetermijnontwikkelingen laat inderdaad zien dat sociaaleconomische verschillen tussen mensen met en zonder migratieachtergrond afnemen. De tweede generatie, de motor achter deze ontwikkeling, maakt een enorme sprong ten opzichte van hun ouders. Het zijn bevindingen die ingaan tegen het beeld dat de integratie is mislukt. Het is een conclusie die niet vaak genoeg kan worden herhaald.
Maar op de claim dat het dus wel meevalt met de kloof tussen mensen met en zonder migratieachtergrond is wel het een en ander af te dingen. Met de redenering dat de verschillen in de loop van de tijd afnemen, is nog weinig gezegd over de huidige verschillen. We weten namelijk ook dat het niet eenvoudig is om als migrant op niveau te participeren en een weg te vinden in Nederland en tussen eerste generatie migranten en ‘mainstream Nederland’ bestaan grote verschillen, zeker sociaaleconomisch.
Bij zijn beoordeling van deze kloof blijft de huidige positie van mensen met een migratieachtergrond op de achtergrond
Terwijl bij de analyse van de kloven tussen bijvoorbeeld mannen en vrouwen en hoger en lager opgeleiden de huidige situatie als uitkomst wordt bezien, neemt Duyvendak bij zijn analyse van de kloof tussen mensen met en zonder migratieachtergrond een voorschot op de toekomst. Bij zijn beoordeling van deze kloof blijft de huidige positie van mensen met een migratieachtergrond (1e en 2e generatie) op de achtergrond.
Niet precies
Dat sociaaleconomische verschillen over de tijd kleiner worden, blijkt duidelijk uit onderzoek. Maar op andere terreinen blijven de verschillen aanzienlijk. Dit geldt bijvoorbeeld voor religie. Verder bestaan er soms forse sociale grenzen tussen groepen, onder meer zichtbaar in gescheiden huwelijkspatronen.
Of deze domeinen onderdeel zijn van het onderzoek naar spookkloven is lastig aan te geven, want Duyvendak is niet erg precies op basis waarvan hij de afstand tussen mensen zonder en met migratieachtergrond vaststelt. Zoals hierboven al genoemd, gaat het om sociaaleconomische verschillen, opinies en gedrag en of nieuwkomers deel uit gaan maken van de Nederlandse mainstream. Of sociale contacten en religie daar wel of niet onder vallen is niet helder. Feit is wel dat sommige groepen daarop blijven verschillen en dat die van groot belang zijn voor de beeldvorming van groepen.
Gevoelens genegeerd
Het vorige punt raakt aan mijn belangrijkste vraag bij de analyse van Duyvendak. Hoe kun je spreken van een spookkloof als weliswaar op verschillende domeinen de verschillen zijn afgenomen, maar er tegelijkertijd sprake is van systematische uitsluiting van de ander. Het is niet dat Duyvendak geen aandacht heeft voor uitsluiting. Integendeel, in zijn analyse (in hoofdstuk 4) over de uitsluitende werking van de emotionele politiek, beschrijft hij dat emoties een steeds sterker uitsluitend karakter hebben gekregen en dat het centraal stellen hiervan tot uitsluiting van minderheidsgroepen leiden.
Politieke partijen bestempelen mensen met een migratieachtergrond als de ander, daarmee aangevend dat ze er niet bijhoren en nooit echte Nederlanders kunnen zijn. Deze politieke en maatschappelijke discussie wordt gevoeld door een grote groep mensen met een migratieachtergrond, vooral bij degenen die hier geboren en getogen zijn.
De arts kan wel zeggen dat de wond is geheeld, maar de patiënt schreeuwt het uit van de pijn
Veel onderzoek naar de zogenoemde integratieparadox laat zien dat vooral de tweede generatie somber is over het politieke en maatschappelijke klimaat ten aanzien van vraagstukken van diversiteit en migratie en zich uitgesloten voelt. Ondanks dat men hier geboren en getogen is, krijgt men bij voortduring te horen dat men hier niet bij hoort en er niet bij mag horen.
Het is mij niet duidelijk waarom Duyvendak deze bevindingen van ervaren uitsluiting niet meeneemt in zijn beschouwing over (spook)kloven. Hoe kan je spreken van geen of beperkte kloof, zonder dat je ervaren en praktijken van uitsluiting daar als onderdeel van ziet? De arts kan weliswaar zeggen dat de wond is geheeld, maar de patiënt schreeuwt het nog uit van de pijn.
Fundamentele vragen
In zijn dankwoord dankt Duyvendak een aantal meelezers die er bij hem op hebben aangedrongen na te denken over de vraag waarom we vinden dat we zo gepolariseerd en ongelijk zijn. Dat advies heeft Duyvendak ter harte genomen, met name in hoofdstuk 4 over de uitsluitende werking van emoties. Daar komt wat mij betreft het boek op stoom en raakt het aan vragen waarom we op een bepaalde manier kijken naar groepen (stad-platteland, hoger of lager opgeleid, met of zonder migratieachtergrond), wat die beeldvorming betekent voor zaken als politiek vertrouwen en belonging en welke (tegen)reacties deze oproepen.
Volgens mij gaat het bij kloven niet alleen om (de afname van) objectieve verschillen, maar zeker ook hoe verschillende groepen over elkaar denken en wat hun gedrag is tegenover de andere groep. Dat raakt aan fundamentele vragen wie erbij hoort cq wie erbij mag horen en wie niet. Beter dan Duyvendak (op pagina 78) zelf kan ik het niet zeggen: ‘De gedachte ‘wij horen hier en anderen niet’ leidt uiteindelijk tot onoverbrugbare kloven […], waarin de feitelijke situatie nauwelijks van betekenis is.’
Jaco Dagevos is senior onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en bijzonder hoogleraar integratie en migratie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
Foto: FRANK MERIÑO via Pexels.com
