Vaak wordt gesteld dat homoseksualiteit en islam moeilijk samengaan. Nederlandse moslims worden geregeld verweten homofoob te zijn vanwege religieus conservatisme. Recent onderzoek toont een genuanceerder beeld.
Op basis van 33 diepte-interviews met jonge (18-45) Nederlandse moslims onderzochten we hoe ze over homoseksualiteit denken, welke bronnen ze raadplegen voor hun visies en welke rol religie hierin speelt. Onze analyses wijzen op een gelaagd spectrum van interpretaties en afwegingen jegens homoseksualiteit onder moslims.
Moslims en homonegatieve houdingen
Eerder (veelal kwantitatief) onderzoek toont aan dat moslim-zijn vaak samenhangt met homonegatieve attitudes, vooral als moslims sterker religieus zijn en gesocialiseerd zijn in religieuze instellingen, zoals moskeeën[1]. Tegelijkertijd blijkt dat deze attitudes niet enkel door religie bepaald worden, maar ook door andere factoren zoals gender, opleiding en ervaren discriminatie[2].
Bovendien veranderen opvattingen over homoseksualiteit over de tijd en generaties: tweede generatie Europese moslims hebben minder homonegatieve attitudes dan eerste generatie moslims[3].
Een eenzijdige focus op religie is dus onvoldoende om de attitudes van moslims jegens homoseksualiteit te begrijpen en mede daarom onderzochten we de onderliggende betekenissen en mechanismen die ten grondslag liggen aan attitudes jegens homoseksualiteit.
De zonde en de zondaar
Het idee dat homoseksualiteit vanuit het islamitisch geloof als haraam (verboden) beschouwd wordt werd breed gedragen. En daarbij verwezen de meesten naar het verhaal van profeet Lot in de Koran,[4] (waarvan wordt gezegd dat die predikte tegen onder andere homoseksuele handelingen), maar dat was slechts ongeveer de helft van de geïnterviewden. Opvallend is hoe een beperkte kennis mensen hebben van dit verhaal en meer verwijzen naar een gedeeld idee in plaats van een uitgewerkte theologische redenering.
Men vertaalt dit verhaal op verschillende manieren. Zo maken respondenten het verschil tussen homoseksuele handelingen als zonde aan de ene kant, met aan de andere kant homoseksuele personen – als zondaars – die respect verdienen.
‘Ja, ik ben er ook niet helemaal voor. (…) Het kan normaal gezien worden. Of nou ja, je mag het accepteren. Maar je mag iemand niet afkeuren. Laten we het zo zeggen.’
Non-discriminatie is bovendien een belangrijk islamitisch principe dat hierbij werd aangehaald. Vooral vrouwen, jongeren en hoger opgeleiden putten in hun positie uit hun islamitische principes, persoonlijke ervaringen met LHBT-personen en de maatschappelijke context in Nederland.
Een minderheid ging zelf op zoek naar islamitische kennis en concludeerde vervolgens dat homoseksualiteit helemaal niet verboden is in islam – ze benoemden hoe de dominante positie afhankelijk is van bepaalde interpretaties.
De zonde(s) en het oordeel
Een tiental respondenten verwees naar een breed religieus en ethisch kader waarbij werd gesteund op de morele autoriteit van God. Vooral vrouwen en moeders bekritiseerden hierbij de uitsluiting van homoseksuelen, terwijl ze benadrukken dat iedereen zondes pleegt en homoseksualiteit niet selectief veroordeeld mag worden.
‘Liegen, roddelen, dat is allemaal zondig. Maar waarom wordt die zonde van homoseksualiteit dan… (…) Dus ik vind dat best wel heftig. Hoe heftig er op homoseksualiteit wordt gereageerd.’
Anderen nemen een meer pragmatische houding aan waarbij ze zich onthouden van het oordelen over homoseksuelen, omdat enkel God mag oordelen.
Gebaseerd op het islamitische principe van het niet oordelen en uitsluiten van anderen, beklemtoonden vooral jongeren en theoretisch opgeleiden de vrijheid van ieder individu. Deze pragmatische en individualistische positie stelt de zelfbeschikking van anderen centraal.
Tegelijkertijd geven respondenten aan dat ze een spanning ervaren tussen conflicterende islamitische principes zoals het veroordelen van homoseksualiteit en het respecteren en geen oordeel vellen over homoseksuelen. Die houding leidt tot een balans waarbij respondenten homoseksualiteit niet goedkeuren, maar keuzes van homoseksuelen om hun leven te leiden geaccepteerd worden. Dit verdedigt men door te stellen dat het oordeel uiteindelijk niet aan hen is, maar aan Allah.
Homonegativiteit rationaliseren en islamofobie
Naast religieuze argumenten brachten deelnemers ook seculiere en ‘rationele’ argumenten naar voren, argumenten die ook terug te vinden zijn bij andere Nederlanders, zoals het idee dat homoseksualiteit tegen de natuur ingaat of niet past bij biologische reproductie. Deze argumenten kwamen wij eerder minder tegen onder moslims en weerspiegelen juist narratieven ingezet door traditionele christelijke groepen en meer recent door radicaal rechtse partijen zoals Forum van Democratie (FvD) en de Partij voor de Vrijheid (PVV).
Hieraan gekoppeld gaf een deel van de deelnemers aan dat de (voor sommigen ‘overdreven’) zichtbaarheid van queer mensen in Nederland spanningen oproept met religieus-culturele normen en waarden van moslims. Vooral ouders verwijzen hierbij naar het lesprogramma Lentekriebels, Paarse vrijdagen en de Pride die zich naar hun mening erg opdringen, en die hun eigen opvoedingsvrijheid en waarden bedreigd.
‘Ik heb zoiets van, sommige dingen worden gewoon je strot in gedouwd tegenwoordig. Dat Albert Heijn-zakjes zelfs zulke [regenboog]vlag hebben.’
In deze discussie wordt opvallend genoeg ook niet direct verwezen naar louter religieuze principes. Juist ook spelen eigen ervaringen van ongelijkheid en discriminatie op basis van bijvoorbeeld religie een rol. Deze ervaringen mobiliseren grieven naar de , omdat ervaren wordt dat die in Nederland meer steun krijgen.
Gelaagdheid
We zien dus dat moslims homoseksuelen respecteren en accepteren, ook al wijzen ze homoseksualiteit af als haraam. Dit gebeurt veelal op basis van een algemeen abstract idee en ‘van horen zeggen’ over wat er in de geschriften zou staan. Verdieping kan juist tot een minder homonegatief beeld leiden. Sowieso willen de meesten niet oordelen over homoseksuele personen, maar is menigeen wel kritisch tegenover de zichtbaarheid in een samenleving, juist ook omdat moslims minder zichtbaar mogen zijn.
Deze bevindingen illustreren naast het belang van diverse interpretaties en bredere islamitische principes van respect hoe sterk opvattingen rond homoseksualiteit worden gevoed door de Nederlandse context, waar islamofobie, homonationalisme en maatschappelijke debatten de positie en visie van moslims beïnvloeden.
Willen beleidsmakers en hulpverleners gepast het gesprek voeren met en over LHBTIQ+ en islam, inclusief queer moslims, dan geeft begrip van deze nuances en contextualisering houvast en helpt het mogelijk weerstand te voorkomen of doorbreken.
Samira Azabar, Nella Geurts en Niels Spierings zijn verbonden aan de afdeling sociologie van Radboud Social Cultural Research, Radboud Universiteit (Nijmegen) waar ze onderzoek doen naar vraagstukken van inclusie en exclusie. Azabar is ook aan de Universiteit Gent verbonden.
Literatuur:
It’s Haram, but Who Am I to Judge? Exploring and Unpacking Muslims’ Religious Perspectives Toward Homosexuality. Journal of Homosexuality, (2026) 1–25.
Het volledig artikel kan je hier lezen. Dit onderzoek werd mede mogelijk gemaakt dankzij NWO [VI.Vidi.191.023].
Noten:
[1] Zie Hammad Ali, 2023; Röder & Spierings, 2022
[2] Zie Hammad Ali, 2023; Hooghe et al., 2010; Röder & Spierings, 2022
[3] Zie Banfi et al., 2016; Röder, 2015
[4] In eerdere artikelen schrijven we meer over Lot, respectievelijk op pagina’s 2904 en 2909 en pagina 3.
Foto: Masjid MABA via Unsplash.com
