Waarom meer overleg leidt tot minder besluitvaardigheid

De Nederlandse consensuscultuur leidt nogal eens tot bestuurlijke verlamming. Leiderschap dat vanaf het begin goed nadenkt over de besluitvorming, kan dat voorkomen, stelt governance- en strategieadviseur Ambreen Fatima.

Het is dinsdagmiddag. Twaalf professionals - beleidsadviseurs, sociaal werkers en een gemeentelijk coördinator - komen samen voor een ‘definitieve besluitvormingsbijeenkomst’ over een buurtondersteuningsprogramma. Twee uur later, er is geen enkel besluit genomen, vertrekken de deelnemers met een nieuwe agenda voor de volgende vergadering.

Niemand verantwoordelijk

De Nederlandse consensuscultuur is waardevol. Ze produceert legitimiteit, inclusie en democratische verantwoording. Of zoals de directeur van een grote organisatie het zei: ‘We betrekken alle eenheden bij de te nemen beslissingen.’

Iedereen is betrokken, maar niemand is verantwoordelijk

Inclusie is een van de dingen die in de Nederlandse publieke sector goed voor elkaar is. Maar leidt diezelfde inclusie ook tot beslissingen? Die vraag stond centraal in mijn onderzoek naar besluitvorming in het openbaar bestuur. [i]

In negen diepte-interviews met experts zocht ik naar het antwoord.

Wat uit de vraaggesprekken met mijn respondenten naar voren komt, is een patroon dat een van hen als volgt beschrijft: ‘Iedereen is betrokken, maar niemand is verantwoordelijk.’ Dit patroon zie je terug in elk domein. Waar het vaak aan ontbreekt is leiderschap. Dan hebben het we niet over een geïsoleerde autoriteit, maar over een leiderschap dat voortdurend terugkoppeling krijgt vanuit het systeem. Een leiderschap dat begrijpt welke reacties het ontvangt, waar problemen zich voordoen, wat werkt en wat niet werkt.

Punt is dat beslissingen in de consensuscultuur vaak lang uitblijven

Het feedbackmechanisme is buitengewoon belangrijk. Het helpt het leiderschap om realistisch bij te sturen. Punt evenwel is dat beslissingen in de consensuscultuur vaak lang uitblijven. Dat laatste is niet zonder gevolgen, aldus een governance-adviseur werkzaam in de ngo-sector. ‘Er gaat veel geld verloren in het planningsgedeelte, veel meer dan in de uitvoering.’

Falend leiderschap

Voor het vervolg van mijn onderzoek bracht ik vijf senior-practitioners samen uit governance, diplomatie, executive coaching en organisatieontwikkeling. Aan hen de vraag of verlamming van de besluitvorming te wijten is aan falend leiderschap of aan systemische fouten.

Het falen van leiderschap doet zich vooral voor bij het ontwerpen, niet in de uitvoering

Alle respondenten wijzen falend leiderschap aan als oorzaak voor de paralyse van de besluitvorming. Systemen zijn tenslotte menselijke ontwerpen waarvan leiders bepalen of ze al dan niet worden gebruikt. Als het systeem geen beslissingen produceert, is dat toe te rekenen aan het ontwerp en uiteindelijk aan het leiderschap.

Het falen van leiderschap doet zich vooral voor bij het ontwerpen, niet in de uitvoering. Wie werkt in het sociaal domein herkent dat. Denk bijvoorbeeld aan Wmo-overleggen waarin vijf organisaties aanschuiven, elk met hun eigen mandaat over een eigen stukje van het probleem. Of bewonersbijeenkomsten waar buurtbewoners hun zorgen delen, vragen stellen en suggesties doen en drie maanden later nog steeds wachten op terugkoppeling.

Berucht zijn de samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, zorgaanbieders, welzijnsorganisaties en woningcorporaties die kwartaal na kwartaal bijeenkomen, actielijsten produceren en geen stap verder komen.

Verkeerde start

De impasse in de besluitvorming is geen kwestie van kwade wil. Ze ontstaat niet omdat de mensen aan tafel verkeerde intenties zouden hebben. Het grote manco is veeleer dat niemand aan het begin van het besluitvormingsproces heeft bepaald wie uiteindelijk de knoop doorhakt, wanneer de inbreng wordt afgesloten en wat er moet gebeuren als partijen geen overeenstemming bereiken.

Er is steeds meer overleg voor afbakening en afstemming

Emeritus-hoogleraar Innovatie van rechtssystemen Maurits Barendrecht schreef eerder op deze site dat de uitvoerende pijler van onze rechtsorde sterk verkokerd is. Er is steeds meer overleg voor afbakening en afstemming. Een van de gevolgen is dat burgers van loket naar loket worden gestuurd.

Wat Barendrecht zegt over de rechtsorde, telkens meer overleg, en oplossingen die (lang) uitblijven, zie je ook bij besluitvormingsprocessen in andere domeinen. Aan dit alles ligt ten grondslag dat aan het begin van het proces niet is bepaald wie de probleemeigenaar is, wanneer besluiten worden genomen en wat het eindpunt is.

Vermomde improvisatie

Het ontwerpprobleem is overigens niet een exclusief Nederlands probleem. Ook elders worden overlegprocessen rond inclusie opgebouwd. En denken beleidsmakers na over wie gehoord moet worden, welke stakeholders vertegenwoordigd moeten zijn en welke belangen afgewogen moeten worden. Maar ook buiten ons land wordt te weinig aandacht geschonken aan de fase ná het overleg.

Dit is geen governance, maar improvisatie vermomd als proces

Bij het ontwerpen van systemen wordt vrijwel nooit rekening gehouden met de vraag wie beslist wanneer de inbreng sluit en wie bepaalt wat er moet gebeuren als geen overeenstemming is bereikt. Dat gebeurt meestal ad hoc. Het wordt overgelaten aan de omstandigheden, aan de hiërarchie of aan degene die toevallig nog energie heeft om een beslissing te forceren. Dit is geen governance, maar improvisatie vermomd als proces.

Agendapunt 1

De Nederlandse consensuscultuur is absoluut niet verkeerd. De vraag is wel of overleg er is om participatie te bevorderen of om tot besluit te komen.

We weten hoe we een goed overleg moeten opzetten. We stellen een agenda op, nodigen de juiste mensen uit en zorgen ervoor dat elke stem wordt gehoord. Wat we nog niet hebben geleerd te ontwerpen, is wat er na het overleg komt, de besluitvorming.

Elk bestuurlijk systeem, van Holacracy’s Integratieve Besluitvorming tot de meest participatieve processen in de publieke sector, stuit uiteindelijk op dezelfde vraag: wie bepaalt wanneer de consultatie voorbij is en het tijd is om knopen door te hakken. Die vraag wordt zelden gesteld, hoewel het bovenaan elke agenda zou moeten staan.

Een zorgvuldig ontworpen overleg verdient een minstens zo zorgvuldige ontworpen besluitvorming. Dus waar wachten we nog op?

Ambreen Fatima is oprichter van Legitmov, een governance en strategieadviesbureau in Den Haag. Zij deed onderzoek naar structurele besluitvormingsparalyse in het Nederlandse openbaar bestuur.

 

[i] Fatima, A. (2026). Navigating the Polder Paralysis Paradox: A Sequential Decision Navigation Framework for Timely and Legitimate Decision-Making in the Dutch Public Sector. Executive MBA Capstone Research, Vrije Universiteit Amsterdam.

 

Foto: Vlada Karpovich via Pexels.com

Reacties 1

  1. Een zeer belangrijke waarneming en conclusie. Ik denk niet dat de werkvloer dit probleem op kan lossen. Het geven van (eind) verantwoordelijkheid aan iemand van buiten de eigen discipline/organisatie, leidt niet tot het inperken van de eigen verantwoordelijkheid.

    Daar zijn hogere bestuurlijke besluiten voor nodig. bestuurlijke macht die zegt, zo gaan we het doen, en u bent verantwoordelijk. Bij jeugdzorg zou dat een kinderrechter kunnen zijn. Voor besluiten waar bezwaar tegen open staat, is dat de (bestuurs)rechtbank. Maar dat is een traag proces.

    Een gemeente is op haar grondgebied bevoegd. In hoeverre kan die bevoegdheid worden ingezet om alles waar de verantwoordelijkheid bij de gemeente ligt, daar neer te leggen en uitvoerende organisaties te verplichten zich daaraan te conformeren. Dat kan door een overleg te laten voorzitten door een gemeentelijk ambtenaar.

    Soms, zoals bij wonen, zal het nodig zijn om de wettelijke bevoegdheden te veranderen. Daar wordt de gemeentelijke verantwoordelijkheid namelijk doorkruist door de wettelijke verantwoordelijkheid van wooncorporaties. Doorbreek dat, maak dat ongedaan, maak grote gemeenten verantwoordelijk voor de besluitvorming van die corporaties.

    Ook t.o.v. zorgaanbieders dienen de bevoegdheden van gemeenten versterkt te worden. Een 1e begin kan de verplichting tot aanvaarding van een zorgopdracht zijn; als die opdracht binnen het domein, het doel e.d. van een zorgaanbieder valt, dan dient deze zich te voegen. Dat is een bestuurlijk besluit waar bezwaar en beroep tegen open staat. Dan is het aan de rechter om te beoordelen of een zorgaanbieder haar verplichting terecht wil ontlopen. Een bestuursrechter vraagt daarbij de aanbieder dan om haar vaste beleid publiek te maken. Aanbieders die geen beleid vast leggen, hebben geen poot om op te staan.
    En dat versterkt de positie van de gemeente ook bij het inkopen van zorg.

    Bekijk per sector, onderwerp, wat mogelijk is en hoe je dat inricht.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *