Praktisch opgeleiden hebben wel degelijk politieke invloed

Onze democratie heeft een groot probleem omdat de politiek alleen naar de theoretisch opgeleiden zou luisteren en niet naar de praktisch opgeleiden. Will Tiemeijer stelt dat deze bevinding niet klopt, maar slechts het resultaat is van de gekozen analysemethode.

Het was enkele jaren geleden een opmerkelijke bevinding: onderzoek liet zien dat, als het erop aankomt, de politiek de wensen van praktisch opgeleiden volledig negeert. Die zitten er voor spek en bonen bij. De bevinding heeft inmiddels ook het publieke debat bereikt, en wordt aangehaald door uiteenlopende stemmen als Mark Bovens en Anchrit Wille, Tim ’s Jongers, Rens van Tilburg, Ronald Plasterk en Martin Bosma.[i]

Het kan zelfs betekenen dat onze diplomademocratie prima functioneert

Er is alleen een probleem: het is niet waar. Dat de politiek alleen zou luisteren naar de theoretisch opgeleiden, blijkt een artefact van de gekozen analysemethode. Bovendien, er zijn weliswaar verschillen in de mate waarin opleidingsgroepen worden bediend, maar die verschillen zijn niet erg groot. Vanuit de democratische theorie bezien, is het überhaupt de vraag of dit wel een probleem is. Het kan zelfs betekenen dat onze diplomademocratie prima functioneert.

In dit artikel zal ik deze punten onderbouwen. De technische aspecten hiervan worden uitgewerkt in de bijlage die ik heb geschreven met hulp van Roel Jennissen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Het rokende pistool…

Centraal in het Nederlandse debat over dit onderwerp staat een studie van Wouter Schakel en Daphne van der Pas uit 2021.[ii]

Deze studie heeft welhaast de status van smoking gun gekregen. Hij zou namelijk ontegenzeggelijk aantonen dat als lager en hoger opgeleiden verschillende beleidsvoorkeuren hebben, de politiek steevast kiest voor de hoger opgeleiden.

Schakel en Van der Pas hebben mooi onderzoek gedaan, maar dit onderdeel van hun werk klopt niet

De lagere niveaus worden volgens Schakel alleen ‘vertegenwoordigd als ze het eens zijn met hoger opgeleiden, maar als men verschillende dingen wil, luistert beleid alleen nog naar de laatsten.’[iii]

Zou het echt? Gelukkig zijn Schakel en Van der Pas zo transparant om hun data vrijelijk beschikbaar te stellen. Ik ben dus zelf gaan rekenen. Kort samengevat is mijn conclusie: Schakel en Van der Pas hebben mooi onderzoek gedaan, maar dit onderdeel van hun werk klopt niet. Sterker, in hun eigen dataset trekken zelfs bij grote meningsverschillen de lager opgeleiden nog regelmatig aan het langste eind, óók als de hoger opgeleiden tegen zijn.

De cijfers

Wat hebben Schakel en Van der Pas precies gedaan? In hun onderzoek maken zij een vergelijking tussen de mate waarin Nederlanders blijkens enquêtes een voorkeur hebben voor een bepaalde beleidsverandering, en de kans dat de politiek binnen vier jaar ná die enquête ook daadwerkelijk besluit tot die beleidsverandering.

In totaal verzamelden ze 291 vragen afkomstig uit enquêtes uit de periode van 1979 tot 2012. Het ging daarbij om vragen over de mate waarin men voorstander was van verhoging van de pensioenleeftijd, afschaffen van de hypotheekrente aftrek, legalisering van het homohuwelijk, verhogen van ontwikkelingshulp, een verbod op het bouwen van nieuwe moskees, enzovoort. Hoe meer de gemeten voorkeuren en de daaropvolgende beleidsacties met elkaar overeenstemmen, hoe groter de beleidsresponsiviteit.

In veel gevallen blijken de verschillende opleidingsgroepen dezelfde beleidsvoorkeur te hebben

De resultaten van hun analyse zijn op het eerste gezicht geruststellend. Voor álle opleidingsgroepen geldt dat hoe hoger het percentage is dat een voorkeur uitspreekt voor een bepaald beleid, hoe groter de kans dat het beleid daadwerkelijk wordt ingevoerd. Vreemd is dat overigens niet. In veel gevallen blijken de verschillende opleidingsgroepen dezelfde beleidsvoorkeur te hebben. Als je vervolgens meer inzoomt, blijkt dat de politiek wel iets vaker de voorkeur van de hoger opgeleiden volgt dan de voorkeur van de lager opgeleiden, maar erg groot is het verschil niet.

Maar pas op, zeggen Schakel en Van der Pas, schijn kan bedriegen. Als je echt wil weten hoe zwaar de voorkeuren van de onderscheiden opleidingsniveaus wegen, moet je niet kijken naar al die gevallen waarin zij hetzelfde willen, maar specifiek naar die gevallen waarin zij wezenlijk verschillen in beleidsvoorkeur. Pas dan wordt namelijk zichtbaar welke groep nu echt het meest gewicht in de schaal legt.

Statistisch moeras

Hier beginnen de problemen. Juist omdat de voorkeuren van de verschillende onderwijsgroepen zo sterk met elkaar correleren, blijkt het bijzonder lastig te ontwarren hoe responsief de politiek is voor elke opleidingsgroep afzonderlijk. Het blijkt een waar statistisch moeras. Schakel en Van der Pas zijn overigens niet de eersten die tegen dit probleem aanlopen, integendeel. Binnen deze lijn van onderzoek wordt al vele jaren gepuzzeld op deze lastige kwestie.

Schakel en Van der Pas komen met een eigen oplossing: rekenen met interactie tussen voorkeur en absoluut verschil. Maar helaas, ook die werkt niet. Waarom dat zo is, leg ik uit in de technische bijlage. Voor een deel baseer ik me daarbij op eigen rekenwerk, voor een deel op een recente heranalyse door Peter Enns van het werk van Martin Gilens.[iv] Die heranalyse is hier zeer relevant, omdat Schakel en Van der Pas op hoofdlijnen Gilens’ aanpak volgen.

Die conclusie is wellicht teleurstellend na zoveel onderzoeksinspanningen, maar het is niet anders

Mijn conclusie is dat, anders dan Schakel en Van der Pas beweren, uit hun analyses niet kan worden afgeleid dat wanneer opleidingsgroepen in voorkeur verschillen, er alleen naar de hoger opgeleiden wordt geluisterd. Die conclusie is wellicht teleurstellend na zoveel onderzoeksinspanningen, maar het is niet anders.

Om toch enige indruk te krijgen van hoe gevoelig de politiek is voor de voorkeur van lager opgeleiden, is het wel mogelijk om te kijken naar de ruwe data. Gewoon tellen dus. Het gaat dan om die gevallen waarin sprake is van een meerderheid/minderheid verdeling: van de ene opleidingsgroep is een meerderheid voor de betreffende beleidsverandering, van de andere opleidingsgroep slechts een minderheid. Dit zijn de gecontesteerde gevallen waarin het echt uitmaakt wie nu zijn beleidsmatige zin krijgt.

Ga je dan tellen wat er in de steekproef zit, dan blijken twee dingen:

  • In ongeveer een kwart van alle gevallen is er daadwerkelijk sprake van een dergelijke meerderheid/minderheidsverdeling tussen het laagste en het hoogste opleidingskwintiel
  • In die gevallen krijgt ongeveer drie van de tien keer het laagste opleidingskwintiel zijn beleidsmatige zin en ongeveer zeven van de tien keer het hoogste opleidingskwintiel.

Kortom, in de ruwe data van Schakel en Van der Pas trekt de laagste opleidingsgroep wel degelijk geregeld aan het langste eind. Weliswaar minder vaak dan het hoogste opleidingsgroep, maar het is onjuist dat zij volledig worden genegeerd.

Waardering

Toegegeven, dat is nog steeds een verschil in responsiviteit naar opleidingsgroep. Is dat verschil een probleem? De suggestie van deze onderzoekslijn is van wel.

Ik heb echter grote bedenkingen bij de opvatting over de democratie die impliciet hierachter schuilgaat, namelijk dat die beter zou functioneren naarmate de politieke besluitvorming een betere afspiegeling is van wat burgers in surveys zeggen te willen. Dat komt toch gevaarlijk dicht in de buurt van een peilingendemocratie.

Het belangrijkste probleem is echter principieel van aard

Mensen die hiervóór zijn, zullen zich in ieder geval moeten verhouden tot een aantal beperkingen van surveys. Zo zijn in zelfs de beste steekproeven niet-westerse migranten vaak fors ondervertegenwoordigd. Ook is er het probleem van de ‘weet niet’ antwoorden – een antwoordoptie waarvoor juist mensen met weinig opleiding relatief vaak kiezen. Bovendien moeten zij zich verhouden tot het feit dat surveyresultaten (deels) artefacten kunnen zijn van de specifieke vraagstelling en/of priming door politiek en media.

Het belangrijkste probleem is echter principieel van aard. Deze opvatting van democratie gaat voorbij aan het belang van informatie, deliberatie en de kracht van het betere argument. Er is een zeer omvangrijke literatuur waaruit kan worden afgeleid dat – binnen bepaalde grenzen – een zeker verschil tussen wat kiezers zeggen te willen en wat de politiek uiteindelijk doet allerminst een probleem hoeft te zijn. Sterker, het kan zelfs een teken zijn van een goed functionerende democratie.

Ik zal die literatuur hier niet samenvatten. In plaats daarvan illustreer ik het punt door een vergelijking te maken met het steeds populairdere instrument van het burgerberaad. Zoals bekend, zijn dit vaak langer lopende trajecten waarin de geselecteerde burgers niet meteen hoeven te zeggen wat ze vinden, maar eerst uitgebreide informatie van deskundigen krijgen.

Het zijn de voorkeuren aan het einde van het proces waarvoor de politiek responsief moet zijn

Bij een Burgerberaad wordt aandacht besteed aan verschillende perspectieven en gezichtspunten. Deelnemers gaan met elkaar over de kwestie in debat – soms meerdere dagen of weekenden achtereen – waarna één en ander uiteindelijk resulteert in een alles in overweging genomen conclusie of beleidsadvies. Onderzoek laat zien dat participanten tijdens dit proces hun meningen fors kunnen herzien. Tussen de eerste voorkeur en de uiteindelijke voorkeur kunnen zomaar tientallen procent verschil zitten.[v]

De hele idee van een dergelijk beraad is dat de politiek zich rekenschap geeft van de conclusie aan het einde van dit proces. Het zijn de voorkeuren aan het einde van het proces waarvoor de politiek responsief moet zijn. Daarmee moet de besluitvorming maximaal congruent zijn. Wie echter de kwaliteit van het functioneren van de democratie afmeet aan de voorkeuren in surveys, kiest het verkeerde moment als ijkpunt voor responsiviteit, namelijk het begin van het proces. Het verklaart alle informatie-uitwisseling en deliberatie als overbodig. Dat zou wel apart zijn…

Al met al is perfecte responsiviteit voor de in surveys gerapporteerde voorkeuren inherent suspect als normatief criterium voor de kwaliteit van de democratie. Politiek is meer dan alleen een inhoudelijk lege aggregatiemachine.

Conclusie

Het onderzoek van Schakel en Van der Pas wordt vaak opgevoerd als bewijs dat het beleidsmatig daadwerkelijk verschil uitmaakt dat het politieke bedrijf tegenwoordig bijna exclusief wordt bevolkt door hoger opgeleiden. Ik ben geneigd het eerder andersom te zien.

Zo slecht doet de politiek het blijkbaar nog niet

Zoals bekend bestaat het parlement de laatste decennia voor zo’n 90 procent uit hoger opgeleiden, verreweg de meeste zelfs met een universitair diploma.

Ondanks deze massieve oververtegenwoordiging blijkt dat het beleid toch behoorlijk goed aansluit op wat andere onderwijsgroepen willen, en dat óók bij meningsverschillen zij geregeld hun beleidsmatige zin krijgen. Áls je het onderzoek van Schakel en Van der Pas al wilt zien als smoking gun, dan eerder voor het omgekeerde van wat vaak wordt beweerd. Zo slecht doet de politiek het blijkbaar nog niet.

Will Tiemeijer is onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en bijzonder hoogleraar Gedragswetenschappen en Beleid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Noten:

[i] Bovens. M. en Wille, A. (2025), Diplomademocratie. Opleiding als nieuwe scheidingslijn, Prometheus; Tim ’s Jongers, https://decorrespondent.nl/16459/nederland-is-inderdaad-niet-kapot-maar-sluit-je-ogen-niet-voor-onrecht/b9482c86-2637-0837-2b99-48fa4feb1c90; Rens van Tilburg, Volkskrant 1 oktober 2025; Ronald Plasterk, De Telegraaf 20 maart 2026; Martin Bosma, https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/detail/2025-2026/39

[ii] https://www.aup-online.com/content/journals/10.5117/MEM2022.4.010.SCHA

[iii] https://stukroodvlees.nl/de-politieke-dominantie-van-hoogopgeleiden/

[iv] Enns, P. K. (2026). How a Seemingly Innocuous and Intuitive Methodological Choice Confused a Generation of Research on Policy Responsiveness. Sociological Science, 13, 528-564

[v] Theunis, M. I., Van Ham, C., & Jacobs, K. (2025). A meta‐analysis of the effects of democratic innovations on participants’ attitudes, behaviour and capabilities. European Journal of Political Research, 64(2), 960-984.

 

Foto: Nataliya Vaitkevich via Pexels.com