Grote mantelzorgbereidheid, maar reken je niet rijk

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) waarschuwt dat grote bereidheid onder Nederlanders om een ander te helpen, niet automatisch meer mantelzorg betekent, schrijft SCP-onderzoeker Sarah Hardus. Ze beschrijft de randvoorwaarden en aanbevelingen om te komen tot een toekomstbestendige mantelzorg.

In recente beleidsstukken (zie bijvoorbeeld het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) of het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWa)) wordt mantelzorg gezien als onderdeel van de oplossing voor een tekort aan formele zorg. Dat mantelzorg een belangrijke pijler is in het Nederlandse zorgstelsel valt niet te ontkennen. In 2024 gaf 39 procent van de Nederlanders (ruim 5,5 miljoen mensen) een vorm van mantelzorg. Het gaat hierbij niet alleen om huishoudelijke hulp of persoonlijke verzorging, maar ook om emotionele steun, meegaan naar de dokter of het coördineren en regelen van ondersteuning.

Mantelzorgsymposium SCP

‘Van kennis naar actie voor de mantelzorg van nu en morgen’ is de titel van een gratis symposium dat het Sociaal en Cultureel Planbureau organiseert op 10 november 2026 bij Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Sprekers zijn onder anderen Karen van Oudenhoven (directeur SCP), Ruben Houweling (Raadslid SER en hoogleraar arbeidsrecht), Alexander Scholtes (wethouder Amsterdam), Esther Hendriks (bestuurder MantelzorgNL). Daarnaast een bijdrage van Mirjam Sterk, minister van Langdurige zorg, jeugd en sport.

Hier vind je meer informatie en kun je je aanmelden.

 

Hoewel dit in de meeste gevallen zonder probleem verloopt, kan mantelzorg – zeker als het gaat om intensieve of langdurige zorg – veel van mensen vragen. In 2024 was 11 procent van de mantelzorgers ernstig belast (De Klerk et al. 2026). De combinatie van de hoge verwachtingen van en de uitdagingen rondom mantelzorg roept de vraag op: welke ruimte is er in de Nederlandse samenleving om voor een ander te zorgen? Inschattingen hierover variëren. Sommige studies wijzen op een afname van het aantal mogelijke mantelzorgers per oudere, mede door kleinere gezinnen en hogere betaalde arbeidsparticipatie (zie bijvoorbeeld Kooiker et al. 2019). Andere studies zijn optimistischer. Zij voorzien een grotere rol voor bredere sociale netwerken en de groeiende groep gezonde ouderen (Behr et al. 2023).

Grote hulpbereidheid, beperkte mogelijkheden

In 2024 legde het SCP (in samenwerking met het CBS) deze vraag voor aan 17.754 Nederlanders. Uit de enquête blijkt dat veel Nederlanders bereid zijn om een ander te helpen. Van de mensen die op dit moment nog geen hulp geven, zegt driekwart hier wel voor open te staan. Dat mensen bereid zijn, betekent niet automatisch dat zij ook hulp kunnen bieden.

De bereidheid beperkt zich, zeker voor mensen buiten de eigen familie, tot ‘lichtere’ hulp

Het SCP vroeg mensen daarom ook of zij over voldoende tijd beschikken en zich gezond genoeg voelen om een ander te helpen. De groep die bereid is om hulp te geven, genoeg tijd heeft én gezond genoeg zegt te zijn, beslaat ongeveer een kwart van de mensen die nu nog geen hulp bieden. Als we kijken naar de mensen die al mantelzorger zijn, zegt 42 procent meer hulp te willen geven als de situatie hierom vraagt. 72 procent is bereid om de zorg die zij al geven uit te breiden met andere typen hulp. Deze bereidheid beperkt zich, zeker voor mensen buiten de eigen familie, echter tot specifieke – veelal ‘lichtere’ – vormen van hulp zoals administratie, vervoer, boodschappen of het bieden van gezelschap.

Geen vrij beschikbare reserve

Op basis van deze cijfers zou je kunnen concluderen dat de hoge beleidsmatige verwachtingen van mantelzorg zijn gelegitimeerd. In het rapport Mantelzorg versterken met het oog op de toekomst waarschuwt het SCP echter voor een benadering waarbij het aantal beschikbare mantelzorgers wordt berekend op eenzelfde manier als het arbeidsmarktpotentieel. De mantelzorgers die meededen aan het onderzoek hebben problemen met termen als ‘mantelzorgpotentieel’ of het ‘aanbod’ van mantelzorg. Volgens hen doen deze termen geen recht aan de dagelijkse realiteit van mantelzorg(ers). De deelnemers wijzen erop dat mantelzorg lang niet altijd een vrije keuze is en dat mantelzorgers vaak al meer doen dan goed voor hen is.

Goede randvoorwaarden

In het rapport spreekt het SCP dan ook niet over mantelzorgpotentieel, maar over de ervaren ruimte voor mantelzorg. Deze ruimte kan worden vergroot door de randvoorwaarden voor het geven van hulp te verbeteren. Samen met mantelzorgers en beroepsprofessionals kwam het SCP tot vijf aanbevelingen voor een toekomstbestendige mantelzorg.

1. Gelijk basisaanbod mantelzorgondersteuning in alle gemeenten

Mantelzorgers zijn gebaat bij goede ondersteuning. De precieze ondersteuningsbehoefte verschilt per persoon en situatie. De een heeft behoefte aan regelhulp, een ander aan psychische bijstand of respijtzorg (tijdelijke vervangende zorg). Op dit moment bepalen gemeenten zelf welke ondersteuning ze aanbieden aan mantelzorgers. Hierdoor hebben niet alle mantelzorgers toegang tot dezelfde ondersteuning. Kennisinstellingen en belangenorganisaties pleiten al langer voor gelijke ondersteuning over gemeenten heen. Het SCP sluit zich aan bij deze oproep. Het planbureau adviseert om samen met mantelzorgers een solide basisaanbod vast te stellen en dit pakket voor gemeenten wettelijk verplicht te stellen. Het in augustus 2025 uitgebrachte AZWa biedt hiervoor al goede aanknopingspunten.

Ervaringen van mantelzorgers met een grote zorgtaak

Mantelzorgers met een grote zorgtaak helpen meer dan acht uur per week of voeren de regie over de zorgsituatie (omdat de hulpontvanger dat zelf niet kan). Zij voelen zich vaker belast, kunnen betaald werk en mantelzorg slecht combineren, en hebben vaker dan gemiddeld behoefte aan extra of andere ondersteuning (De Boer et al. 2026). Toekomstbestendige mantelzorg vraagt om passende ondersteuning voor deze belangrijke groep mantelzorgers.


2. Verplicht zorgplangesprek met rol voor de mantelzorger

Mantelzorgers zijn ook geholpen bij goede samenwerking met formele zorgverleners, zoals de thuiszorg of medewerkers van de zorginstelling waar hun naaste verblijft. Deze samenwerking verloopt nu lang niet altijd naar tevredenheid. Hoewel een zorgplangesprek in de Wlz al verplicht is, geven mantelzorgers in het onderzoek aan dat dit gesprek lang niet altijd plaatsvindt.

Het SCP pleit voor een wettelijk verplicht zorgplangesprek tussen de cliënt, professionele zorgverleners en mantelzorgers

Het SCP pleit dan ook voor een wettelijk verplicht zorgplangesprek tussen de cliënt, professionele zorgverleners en mantelzorgers. In dit gesprek moet expliciete aandacht zijn voor de wensen en grenzen van de mantelzorger. Om ervoor te zorgen dat zorgprofessionals dit gesprek op een goede manier kunnen voeren moeten zij hiervoor voldoende tijd en bijscholing krijgen.

3. Uitbreiding doorbetaald mantelzorgverlof met aandacht voor gender- en inkomensongelijkheid

80 procent van de mantelzorgers combineert zorg voor een naaste met een betaalde baan. Bijna een derde van hen geeft aan dat deze combinatie problemen oplevert. Betaald mantelzorgverlof kan helpen om een kortdurende zorgvraag op te pakken of langdurige zorg goed te organiseren. Op dit moment kunnen werknemers tegen 70 procent doorbetaling twee keer per jaar hun wekelijkse aantal contracturen opnemen om mantelzorg te geven.

In lijn met het recente advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) pleit het SCP voor een uitbreiding. van het betaald mantelzorgverlof naar acht weken. De SER adviseert om 70 procent van het loon door te betalen. Uit onderzoek naar het gebruik van geboorte- en ouderschapsverlof blijkt dat inkomensverlies een belangrijke reden is om geen gebruik te maken van zorgverlof. Om ervoor te zorgen dat ook mannen en mensen met een lager inkomen het verlof gebruiken, adviseert het SCP om de mogelijkheden voor volledige of inkomensafhankelijke doorbetaling te onderzoeken.

4. Informele hulp faciliteren met ‘buurtondersteuners’

De overheid kan informele hulp in de nabije omgeving faciliteren door te investeren in zogenaamde ‘buurtondersteuners’. Zo’n buurtondersteuner – ook wel buurtconciërge, opbouwwerker of dorpsondersteuner genoemd – is een betaalde kracht die praktische hulp (denk aan het bezorgen van medicijnen of kleine klusjes in huis) biedt in de buurt. Doordat de buurtondersteuner bij mensen thuis komt, krijgt deze persoon een goed beeld van de behoefte aan en de bereidheid tot hulp. De buurtondersteuner kan groepen met elkaar verbinden of, waar nodig, mensen doorverwijzen naar vrijwilligersorganisaties, wijkvoorzieningen, de gemeente of professionele zorg.

Hoewel zorgzame buurten kunnen leiden tot lagere zorgkosten, moet financiering van buurtinitiatieven niet afhankelijk hiervan zijn

Uit evaluaties blijkt dat buurtondersteuners een positief effect hebben op de leefbaarheid in de buurt en het welbevinden van inwoners. Hoewel zorgzame buurten ook kunnen leiden tot lagere zorgkosten, is het belangrijk dat financiering voor buurtinitiatieven hier niet afhankelijk van is. Wanneer dit wel gebeurt, kan dit het sociale karakter van initiatieven beperken, terwijl dit juist de basis is van zorg voor elkaar. Een verandertheorie, opengesteld door betrokkenen, biedt een mooie basis om resultaten in kaart te brengen en te evalueren (zie bijvoorbeeld Britt et al. 2025).

5. Maatschappelijke diensttijd om zorgzaamheid te normaliseren

Vraag- en aanbodverlegenheid zijn belangrijke barrières voor informele hulp. Deelnemers aan het SCP-onderzoek zien dit als een keerzijde van de verzorgingsstaat. Een uitbreiding van maatschappelijke diensttijd (MDT) kan mogelijk bijdragen aan het normaliseren van zorg voor elkaar.

In Nederland hebben jongeren/jongvolwassenen (12-30 jaar) de mogelijkheid om een MDT te doen. Zij kunnen hierbij kiezen uit uiteenlopende projecten, waaronder initiatieven in de zorg. Door MDT in het onderwijs, en ook in betaald werk, te integreren kunnen meer Nederlanders een maatschappelijke bijdrage leveren. Een open vraag is of deelname verplicht moet worden gesteld. Een voordeel is dat dit (op termijn) kan bijdragen aan een nieuwe norm voor maatschappelijke inzet. Nadeel is dat een verplichting niet past bij het vrijwillige karakter, dat bij de huidige MDT voor jongeren juist als belangrijke succesfactor wordt gezien (Hoogenraad en Van Kampen 2025).

Ongelijkheid blijft belangrijk aandachtspunt

Niet alle groepen ervaren evenveel ruimte om anderen te helpen. Uit de enquête van het SCP blijkt dat met name bij ‘jonge ouderen’ (65-69 jaar) en jongvolwassenen relatief veel ruimte is. Zij geven aan bereid te zijn om hulp te geven, hier tijd voor te hebben en zich hier ook gezond genoeg voor te voelen. Jonge ouderen zouden mogelijk informele hulp in de buurt kunnen geven.

Bij jongvolwassenen is het belangrijk dat informele hulp de prestatie- en combinatiedruk niet vergroot

Bij jongvolwassenen is het belangrijk dat informele hulp de prestatie- en combinatiedruk (oorzaken van dalend welbevinden bij jongeren) niet vergroot (De Roos en De Boer 2023). In het onderzoek vindt het SCP een verschil in de ervaren ruimte voor het geven van hulp tussen mensen met een hoog en laag inkomen. Gezondheidsverschillen spelen hierbij een belangrijke rol. Van de mensen met een laag inkomen geeft 46 procent aan gezond genoeg te zijn om een ander te helpen. Voor de mensen met de hoogste inkomens is dit 79 procent. Uit SCP-onderzoek weten we dat rijk en arm in toenemende mate in gescheiden werelden leven. Hiermee ontstaat het risico dat mensen met een lager inkomen minder toegang hebben tot informele hulp.

Formele zorg blijft nodig

Kortom, mantelzorg kan een belangrijke bijdrage leveren aan toekomstbestendige zorg, maar de overheid moet zich niet rijk rekenen. Grote bereidheid om hulp te geven betekent niet dat mensen dit ook kunnen en zullen doen. Voor toekomstbestendige mantelzorg zijn goede randvoorwaarden nodig. Mantelzorg zal formele zorg nooit volledig vervangen, omdat de relatie tussen mantelzorger en hulpbehoevende bepaalt welke hulp de mantelzorger kan en wil geven. Zeker voor mensen die hulp nodig hebben bij persoonlijke verzorging of verpleging blijft formele zorg van cruciaal belang.

Sarah Hardus is senior wetenschappelijk medewerker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).   

 

Foto: JSME Mila via Pexels.com