Verklaar verklarend onderzoek niet de oorlog

Dossier

Probleemoplossende sociale wetenschappen

Met zijn betoog voor probleemoplossende sociale wetenschappen volgt Duncan Watts een dood spoor, reageert Rafael Wittek.

Een dood spoor. Zo zal de controverse over het wel of niet probleemoplossende karakter van de sociale wetenschappen zich ontpoppen. Althans, zolang men zich blijft blindstaren op de tegenstelling tussen ‘relevante’ en ‘niet relevante’ onderzoeksproblemen. Helaas slaat Duncan Watts in dezelfde bres. Zijn pleidooi voor een focus op ‘echte’ problemen mag dan geuit zijn door een van de meest vooraanstaande onderzoekers op het terrein van de toegepaste netwerkanalyse – van het dode spoor zal het ons niet afbrengen.

Laten we het door Watts aangedragen voorbeeld van de gecumuleerde nutteloosheid van honderd jaar organisatieonderzoek als casus gebruiken om deze ferme uitspraak te onderbouwen. Watts raadt zijn hoogste baas, Microsoft-CEO Satya Nadella, met klem af om bij het reorganiseren van het bedrijf te rade te gaan bij de organisatiekundige literatuur. De reden: het zou alleen tot verwarring leiden. Ik zou deze man hetzelfde advies hebben gegeven, maar om een volkomen andere reden.

Relevantiepredikanten trappen in de val

Net als veel relevantiepredikanten voor hem, trapt ook Watts in de val van wat we het design paradox van de sociale wetenschappen kunnen noemen. Deze paradox heeft zijn oorsprong in de moeilijke verhouding tussen twee eigenschappen van onderzoek.

Om te beginnen is er de vraag naar de algemeenheid van een onderzoeksprobleem. Concreet: richt de onderzoeksvraag zich op een specifieke context, zoals bijvoorbeeld de vraag welke nieuwe organisatiestructuur de multinational Microsoft het beste voor de verdoemenis kan redden?

Of is het onderzoek vooral gericht op het ontrafelen van algemene regelmatigheden, zoals in het befaamde artikel van Duncan Watts zelf? Hierin beweert hij bijvoorbeeld dat veel netwerken small worlds zijn: werelden waar relaties niet compleet toevallig zijn, maar ook niet compleet voorspelbaar. Niet alleen blijkt dit daadwerkelijk het geval te zijn, we treffen deze regelmatigheid zelfs in de meest uiteenlopende contexten aan, van het sociale netwerk van filmacteurs tot het neurale netwerk van de worm Caenorhabditis elegans.

De doelstellingen van beide typen onderzoek verschillen dus nogal. Studies van het eerste type zijn geïnteresseerd in algemene regelmatigheden die de context overstijgen. Daarom wemelt het in de netwerkwetenschap van artikelen zoals die van Watts.

Onderzoek van het tweede type wil juist begrijpen welke rol specifieke contexten spelen voor sociale processen. Dit is waarom de managementliteratuur ook barst van de studies over de verandering van specifieke organisaties. Watts vindt echter – terecht – dat geen van beiden nut heeft om het reorganisatieprobleem van zijn baas op te lossen.

Wel degelijk probleemoplossend

De reden hiervoor ligt in de tweede in het debat verwaarloosde dimensie: de mate waarin het onderzoek wordt vormgegeven vanuit een verklaringsgericht dan wel ontwerpgericht onderzoeksprogramma. Het is vermoedelijk geen overdrijving om te beweren dat 90 procent van het onderzoek in de sociale wetenschappen plaats vindt binnen de kaders van een op beschrijving of verklaring gericht onderzoeksprogramma. Het gevolg hiervan: het gros van onderzoeksvragen in de sociale wetenschappen is verklaringsgericht, en de meetlat om te bepalen of het programma wel of niet vooruitgang boekt is zijn empirisch succes, of het nu gaat over algemene of context specifieke problemen.

Dit geldt dus ook voor de organisatiestudies die Microsoft CEO Nadella niet mocht raadplegen, en voor de tienduizenden artikelen die zijn eigen small world publicatie aanhalen. Dit soort onderzoek is dus wel degelijk probleemoplossend, alleen richt het zich niet op het type problemen dat Watts graag opgelost zou willen zien.

Extrapoleren van een beschrijvend onderzoek naar een oplossing - gegarneerde beunhazerij

Welke problemen zijn dat dan? Dit is precies het punt waar Watts, en met hem veel sociale wetenschappers, verstrikt raken in het design paradox. Enerzijds bepleiten ze dat onderzoek zich op het oplossen van praktische problemen zou moeten richten, zoals bijvoorbeeld de reorganisatie van een multinational, anderzijds onderkennen zij het risico dat probleemoplossende wetenschap minder wetenschappelijk wordt’. Dit laatste kan natuurlijk niet des wetenschappers bedoeling zijn.

Zolang er sprake is van een trade off tussen wetenschappelijkheid enerzijds en oplossingsgerichtheid anderzijds, zullen pogingen om de ‘relevantie’ van de sociale wetenschappen te verhogen op een dood spoor blijven. Erger nog, het rechtstreeks extrapoleren van een beschrijvend of verklarend onderzoeksprogramma naar het oplossen van een specifiek maatschappelijk of ‘praktisch’ probleem zal vooral leiden tot nog meer met een wetenschappelijk sausje gegarneerde beunhazerij.

Design research programs staan nog in de kinderschoenen

Een oplossing zal niet in zicht komen zolang men alleen binnen de kaders van beschrijvende of verklarende onderzoeksprogramma’s blijft zoeken. Om tot het type probleemoplossing te komen dat Watts voor ogen staat is een fundamenteel ander soort van onderzoeksprogramma vereist: design research programs in de terminologie van de Nederlandse wetenschapsfilosoof Theo Kuipers (Structures in Science, 2001).

Dit zijn programma’s gericht op het ontwikkelen van producten of processen die voldoen aan van tevoren vastgelegde eigenschappen en toepassingen. Dit leidt tot niet triviale verschillen met ‘gewoon’ onderzoek: de onderzoeksvragen zijn ontwerpgericht en niet verklaringsgericht, de onderzoeksproblemen zijn vaker context specifiek en niet algemeen van aard, en de meetlat voor vooruitgang van het programma is de mate waarin het beoogde eindresultaat is bereikt, en niet hoeveel variantie door een model wordt verklaard.

Anders dan in de technische wetenschapsgebieden staat de ontwikkeling van design research programs in de maatschappijwetenschappen echter nog in de kinderschoenen. Dit komt enerzijds doordat het ontwerp gericht is op het bereiken van uitkomsten voor een collectief met al zijn wederzijdse afhankelijkheden en conflicterende belangen, en niet op een individu of een fysiek object.

Anderzijds vereist de ontwikkeling van een goed ontwerp altijd maatwerk, en dat kan niet zonder zich eerst grondig te verdiepen in de specifieke context. Vandaar dat een Satya Nadella, of welke andere CEO dan ook, inderdaad weinig zal opschieten door in de beschrijvende en verklarende literatuur over organisatieverandering rond te neuzen.

Debat op dood spoor

Zoals vele voorbeelden van volgroeide design research programs in de beta- of medische wetenschappen laten zien, opereren ook zij binnen dezelfde rigoureuze kaders van wetenschappelijk onderzoek als elk goed verklarend onderzoeksprogramma. Ze zijn dus niet ‘minder wetenschappelijk‘. Wel zal het succes van een design research program samenhangen met de mate waarin het voortborduurt op de inzichten van haar beschrijvende of verklarende evenknieën.

Zolang we de bestaande verklarende programma’s en de door hun onderzochte problemen de oorlog verklaren zullen er nooit degelijke design research programs van de grond komen. En het debat over het probleemoplossend vermogen van de sociale wetenschappen zal vrolijk door dwalen op het reeds ingeslagen pad: een dood spoor.

Rafael Wittek is hoogleraar socioloog aan de Rijksuniversiteit Groningen. Van 2006 tot 2014 was hij wetenschappelijk directeur van het Interuniversity Center for Social Science Theory and Methodology (ICS), de onderzoeksschool van de sociologieafdelingen van de universiteiten van Groningen, Utrecht en Nijmegen.

Foto: Uppee Chatterjee (Flickr Creative Commons)