Onder het motto ‘Help ze over de drempel’ was het ministerie van Sociale Zaken eind 2023 op zoek naar ‘oplossingen om ambtenaren te stimuleren om met burgers in gesprek te gaan’. Kort samengevat was de constatering dat ‘contact met burgers helpt om beleid te maken bij wat nodig is’, maar dat ambtenaren nu nog lijden aan ‘vrees’ en ‘onzekerheid’, wat leidt tot ‘terughoudendheid en een gebrek aan initiatief bij het aangaan van gesprekken met burgers’.*
Frustratie
Toen ik dit las, had ik een beetje last van wat de Engelsen mixed emotions noemen. Zo was ik in de eerste plaats blij. Het is immers geen geheim dat er een kloof bestaat tussen beleid en praktijk. Tussen de wereld van beleidsmakers en de mensen die uiteindelijk lijdend voorwerp van dat beleid worden. Daarom valt het alleen maar te prijzen dat de overheid zelf initiatieven neemt om deze kloof te dichten.
Kennelijk durven beleidsambtenaren niet eens meer gewoon in gesprek te gaan met burgers
Daarnaast voelde ik ook begrip. Want heel eerlijk: ik denk niet dat het makkelijk is om beleidsambtenaar te zijn. Wispelturige politici, polarisatie in de polder en boze burgers… ik geef het je te doen om binnen zo’n context overeind te blijven en je werk goed te kunnen doen.
Ondanks dat ik zelf niet zo’n boze burger wil zijn – liever kijk ik naar wat wél kan, wat wél lukt en wat wél goed is – was frustratie het gevoel dat bij mij de overhand kreeg toen ik deze oproep van Sociale Zaken voor het eerst zag. Want als je er van een afstandje naar kijkt, dan is het eigenlijk toch gewoon te triest voor woorden: kennelijk durven beleidsambtenaren niet eens meer gewoon in gesprek te gaan met de burgers voor wie ze beleid aan het maken zijn… HOE DAN? Dat is vooral de vraag die bij mij blijft hangen.
Vooruitkijken en oplossen
Nu ben ik er niet op uit om in dit stuk lekker een potje ambtenaren te gaan bashen. De schuldvraag vind ik namelijk niet zo interessant. Bovendien geloof ik dat we deze situatie met z’n allen hebben gecreëerd en dat het dus (veel) te makkelijk is om ambtenaren als zondebok aan te wijzen. Liever kijk ik vooruit, naar hoe we hieruit gaan komen, naar oplossingen.
Onze ambtenaren als koplopers voor goed werkend sociaal beleid – dat klinkt al een stuk beter
En daarvoor kijk ik wel allereerst naar beleidsambtenaren en hun leidinggevenden – omdat ik ervan overtuigd ben dat zij daarin wel voorop kunnen en moeten lopen. Onze ambtenaren als koplopers voor goed werkend sociaal beleid – dat klinkt al een stuk beter, toch?
Maar los van alle goede intenties vraagt dat volgens mij wel een betere aanpak dan een paar speelse en creatieve ‘pilots’. Als ze op het ministerie van Sociale Zaken écht werk willen maken van contact met burgers om tot beter werkend beleid te komen, zou mijn advies – paradoxaal genoeg – zijn om eerst eens goed zelf in de spiegel te kijken. Ik ben er namelijk van overtuigd dat daar veel input te halen valt om het gesprek met burgers wél ‘gewoon’ te kunnen aangaan.
En als ik dan toch bezig ben, neem ik direct de vrijheid om beleidsambtenaren drie afwegingen mee te geven voor zo’n moment van reflectie.
- Mens, je bent zelf een burger!
Het blijft me verbazen. Iedere keer weer. En mensen die regelmatig in Den Haag rondlopen, zullen het herkennen. Zet een willekeurige groep ambtenaren bij elkaar en opeens popt die ene vraag weer op: Wat wil die burger nou eigenlijk? Een vraag die overigens steevast leidt tot vertwijfeling en klaagzangen over hoe moeilijk die burger dan wel niet is.
Ik kan u vertellen, dames en heren beleidsmakers: dit is misschien wel het begin van het probleem. Er bestaat namelijk niet zoiets als die burger. Onze koningin wist dit bijna twintig jaar geleden al toen ze zei dat ze dé Nederlander niet ontdekt had, omdat we zo ontzettend divers zijn.
Hou op met op zoek te gaan naar die burger
Maar wat me, los van deze constatering, zo enorm verbaast aan deze vraag, is dat ambtenaren op het moment dat ze aan het werk gaan kennelijk vergeten dat ze zelf ook burger zijn, net als hun partners, hun kinderen, hun vrienden en hun buren. En ik vermoed dat dit toch allemaal mensen zijn met wie ze regelmatig in gesprek zijn. Sterker nog: ze zullen zelf toch ook als burger – of nog gekker: gewoon als mens – ook wel een mening hebben over het beleid dat ze aan het maken zijn?
Daarom zou ik zeggen: hou op met op zoek te gaan naar die burger ‒ begin gewoon maar eens met luisteren naar wat de burger in jezelf (en in je omgeving) denkt over het beleid dat je aan het maken bent. Ik beloof je: de eerste stappen naar meer verbinding met boze burgers zijn langs deze route snel gemaakt – en je hoeft er verder niets voor te doen. Je kan er op dit moment mee beginnen.
- De menselijke maat is dichterbij dan je denkt
We hebben onszelf wijsgemaakt dat het professioneel is om ‘met gepaste distantie’ te kijken naar ons werk. Dat geldt in het algemeen – maar niet in de laatste plaats voor beleidsambtenaren. Emotionele betrokkenheid bij de dossiers waar je mee bezig bent, vinden we ongepast of – nog erger – onvolwassen.
Wanneer je je gevoel helemaal uitschakelt, word je een soort robot
Nu kan ik hier een heel genuanceerd betoog over houden, maar laat ik de nuances eens overslaan en direct doorgaan naar een ongenuanceerde conclusie: wanneer je je gevoel helemaal uitschakelt, word je een soort robot – en robots kunnen geen empathisch en dus ook geen goed werkend sociaal beleid maken.
Bij mijn vorige punt zei ik dat het goed zou zijn om jezelf eens af te vragen wat je als burger zelf zou vinden van het beleid dat je aan het maken bent. Mijn tweede punt is om die vraag ook regelmatig aan de orde te stellen in werkoverleggen. En ook hier geldt weer: je kan er gewoon direct mee starten. Geloof me: als je ‘de menselijke maat’ serieus wilt terugbrengen in beleid, begin dan gewoon door met je collega’s niet als neutrale vakspecialist (of robot) naar dat beleid te kijken, maar door het als mens te benaderen.
- Luister vooral naar de mensen die niets zeggen
Van mijn drie afwegingen is dit misschien wel de meest lastige om in de praktijk te brengen. Maar het komt hierop neer: iedereen die De zeven vinkjes van Joris Luyendijk heeft gelezen, weet dat witte, hoogopgeleide mannen uit een welvarend nest de neiging hebben om alle zendtijd in ieder willekeurig gesprek op te maken. De Haagse beleidstorens vormen hierop geen uitzondering. Zeker voor sociaal beleid geldt dat dit nou juist niet de groep is voor wie het beleid bedoeld is.
Juist hun inzichten en ervaringen zijn van onschatbare waarde om tot goed werkend beleid te komen
Maar omdat het gesprek volledig gedomineerd wordt door zes- of zevenvinkers, komen al die beleidsambtenaren met één, twee of drie vinkjes niet aan bod (en geloof me: het zijn er meer dan je op het eerste gezicht zou denken). Terwijl juist hun inzichten en persoonlijke ervaringen van onschatbare waarde zijn om uiteindelijk tot goed werkend beleid te komen.
De uitdaging is dus vooral om ook deze collega’s aan het woord te laten – maar ik realiseer me dat dit van de zevenvinkers vraagt dat ze niet alleen af en toe hun mond houden; ze dienen ook anderen actief uit te nodigen om mee te doen aan de discussie en dan ook nog serieus te luisteren naar wat er gezegd wordt.
De laatste afweging is er dus één die misschien net iets minder makkelijk te implementeren is dan de eerste twee, maar ik kan wel dit beloven: wie serieus werk maakt van deze drie suggesties, zal een stuk minder moeite hebben om als ‘ambtenaar’ met ‘die burgers’ in gesprek te gaan. Sterker nog: in plaats van dat je denkt dat je alle antwoorden al moet hebben, ga je vragen ontdekken die je niet kan beantwoorden zonder dat je met die burgers in gesprek bent gegaan. Zo makkelijk kan het zijn.
Zullen we het voor deze ene keer gewoon eens niet moeilijker maken?
Leo van der Pol is voorzitter en mede-initiatiefnemer van de stichting Spreidstandburgers
Foto: Photorama via Pixabay