Ervaringskennis neurodivergentie op sociale media niet per se onbetrouwbaar

Veel studies bestempelen berichten op sociale media over autisme, ADHD en andere neurodivergentie vaak als onbetrouwbaar. De media volgen dat oordeel vrij kritiekloos. Onderzoeker en ervaringsdeskundige Alvin van Asselt bepleit een andere, meer genuanceerde blik.

De media in ons land waarschuwen geregeld voor misleidende informatie over neurodivergentie op sociale media. Zo kopte Kassa dat jongeren op TikTok valse informatie over ADHD krijgen en omschreef Het Reformatorisch Dagblad ADHD-filmpjes als allesbehalve betrouwbaar. Psychologie Magazine ten slotte stelt dat op sociale media veel misinformatie rondgaat over zowel ADHD als autisme.

De media verwijzen in hun berichtgeving meestal naar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Zo werd in een studie 52 procent van de populairste TikTokvideo’s over ADHD als misleidend beoordeeld. Ook onderzoek naar autismecontent leverde forse percentages op: van de onderzochte TikTok-video’s werd 41 procent als onjuist beoordeeld.

Soms terecht

De zorgen over misinformatie zijn deels gegrond. Denk bijvoorbeeld aan de, inmiddels ontkrachte, bewering dat vaccinaties autisme veroorzaken, of aan filmpjes die suggereren dat met drie vragen kan worden vastgesteld of iemand autistisch is.

Ervaringskennis biedt een ander perspectief dan de DSM-criteria en veel traditioneel onderzoek

Critici vrezen dat mensen zich door zulke content op sociale media te snel als neurodivergent herkennen en vaker een beroep doen op de toch al zwaarbelaste geestelijke gezondheidszorg. Zij vergeten gemakshalve echter dat een aanzienlijk deel van de onderzochte content bestaat uit persoonlijke ervaringen van neurodivergente mensen. De laatsten vinden op de sociale media ruimte om hun ervaringen te delen en om gehoord te worden.

Ervaringskennis biedt een ander perspectief dan de DSM-criteria en (veel) traditioneel onderzoek (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders is het handboek van psychiatrische aandoeningen). De DSM beschrijft autisme en ADHD namelijk vooral aan de hand van waarneembare kenmerken en gedrag en traditionele onderzoekers benaderen neurodivergente mensen veelal vanuit een buitenstaandersperspectief.

Alle ervaringen die afwijken, coderen ze als onjuist, misleidend of misinformatie

Ook de inhoud van sociale media wordt door hen beoordeeld aan de hand van diagnostische criteria of bestaande wetenschappelijke kennis. Alle ervaringen die afwijken, coderen ze als onjuist, misleidend of misinformatie. Een grote misvatting want het is juist van groot belang om ervaringskennis serieus te nemen.

Niet per se onjuist

Neem bijvoorbeeld de gesprekken op sociale media over rejection sensitivity dysphoria. De term voor de intense emotionele reacties die mensen na afwijzing of kritiek kunnen ervaren. Verschillende studies beschrijven deze gevoeligheid als terugkerende misleidende informatie op sociale media.

Het laat wel zien dat iets wat nog onvoldoende is onderzocht niet per se onjuist hoeft te zijn

Ook in wetenschappelijke publicaties worden zulke ervaringen niet altijd herkend. Zo schreven Sahi en Eisenberger (2021) dat autistische mensen een gebrek aan bewustzijn […] over hun ervaring van afwijzing hebben, waardoor zij hier ook minder gevoelig voor zouden zijn. Uit recenter onderzoek blijkt echter dat neurodivergente mensen wel degelijk gevoelig kunnen zijn voor afwijzing en zeer intens daarop kunnen reageren.

Overigens bewijst dat niet dat RSD een vast onderdeel is van neurodivergentie. Het laat wel zien dat iets wat nog onvoldoende is onderzocht niet per se onjuist hoeft te zijn. Er zijn meer van zulke voorbeelden.

Zo beschreven autistische mensen al over- en ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels voordat deze in 2013 in de DSM-5 werden opgenomen als diagnostisch kenmerk van autisme. Ook begrippen die binnen neurodivergente gemeenschappen op sociale media veel worden gebruikt, zoals ADHD paralysis, maskeren en autistische burn-out, krijgen inmiddels steeds meer wetenschappelijke belangstelling.

Ervaringskennis uit deze gemeenschappen, en het sociale mediadiscours waarin zij zichtbaar wordt, kan vooruitlopen op wetenschappelijke kennis, deze aanvullen of ter discussie stellen.

Wie bepaalt?

Het zonder nuance als misinformatie bestempelen van ervaringen die neurodivergente mensen op sociale media delen, doet afbreuk aan manier waarop kennis wordt verkregen, georganiseerd en gebruikt. Wetenschappers die menen dat alleen zij kunnen bepalen welke kennis juist of onjuist is, gaan de grenzen van hun eigen kennis te buiten.

Ze beschouwen neurodivergente mensen als een minder geloofwaardige bron van kennis over hun eigen ervaringen. De ironie is echter dat zij, door ervaringskennis bij voorbaat terzijde te schuiven, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis, waar zij abusievelijk een alleenrecht over opeisen, eerder belemmeren dan bevorderen.

Zo combineren we de kracht van beide kennisbronnen

Ik pleit er niet voor dat we bestaande wetenschappelijke kennis geheel moeten loslaten, of alles wat op sociale media wordt gezegd zomaar moeten geloven. Wel is het belangrijk om ervaringskennis die niet overeenkomt met bestaande wetenschappelijke kennis serieus te nemen, in plaats van deze direct als misleidend te bestempelen.

Mijn pleidooi is vooral dat de wetenschapper, samen met de doelgroep, de ervaringen van neurodivergente mensen onderzoekt en de resultaten daarvan genuanceerd naar de media en neurodivergente gemeenschappen communiceert. Oftewel, combineer de kracht van beide kennisbronnen in plaats van ze tegenover elkaar te stellen.

Alvin van Asselt is postdoctoraal onderzoeker, masterpsycholoog en ervaringsdeskundige (autisme) bij GGz Centraal, Emerhese Flevoland.

 

Foto: Siarhei Nester via Pexels.com

Reacties 4

  1. Interessante tekst. Er is nog een andere bron van kennis, die verschilt van de bovengenoemde, namelijk de ervaring van therapeuten die langdurig met autistische mensen werken, bijvoorbeeld rond hun specifieke angsten. In de langdurige psychotherapieën leren de therapeuten van hun patiënten, en omgekeerd. Het is zodoende een diepe ervaring vanuit een tweepersoonspsychologie. Enkel op de eigen ervaring rekenen (als autistisch persoon) kan beperkt zijn en verabsoluterend – waardoor kenmerken gefixeerd kunnen raken die in een therapeutische relatie misschien leefbaarder kunnen worden. Begrippen als “op zichzelf gerichte zintuiglijkheid, “false self” (maskeren), zintuiglijke ontmanteling (“uit elkaar vallen” door overprikkeling), bevriezen van gevoelens enzovoort zijn begrippen die voorkomen uit een psychoanalyse die te weinig gekend is, en geweerd wordt omdat het psychoanalyse heet: het kind wordt met het badwater weggegoten. Dat is jammer, omdat er therapeuten zijn die al van in de jaren vijftig met deze problematiek werkten. Op een studiedag over en met autistische mensen in Gent (van autisme Centraal?) hoorde ik eens een spreker zeggen: ouders, vergeet niet dat wij veel angsten hebben. Misschien vergis ik me, maar het lijk t me dat neurodivergentie als visie volgens mij voorbijgaat aan het feit dat autisme een magneet is – is dit het juiste woord? – voor andere psychische problemen: angsten, depressie bijvoorbeeld (“comorbiditeit”), en ook dat mensen met autisme, of autisten, “traumatiseerbaarder” kunnen zijn door bijvoorbeeld overgevoeligheid voor prikkels (die meestal uitgaan van een menselijke ander) – dus de overgevoeligheid voor de ander. De media hebben doorgaans weinig oor voor deze complexe invalshoek, zoals ze ook weinig oor hebben voor de neurodivergente visie. .

  2. De reflex binnen de gevestigde psychiatrie en wetenschap om ervaringskennis op sociale media weg te zetten als ‘onbetrouwbaar’ of ‘een gevaarlijke hype’, is vaak een defensieve reactie op een falend instituut.

    ​Wanneer mensen massaal naar TikTok of Instagram grijpen voor psycho-educatie en herkenning, is dat geen grillige trend, maar een direct gevolg van lange wachtlijsten, verouderde diagnostische kaders (waarin volwassenen en vrouwen decennialang over het hoofd zijn gezien) en een systeem dat decennialang over mensen sprak in plaats van mét hen. Het artikel pleit er volkomen terecht voor om deze geleefde kennis niet bij voorbaat te diskwalificeren; voor velen fungeert dit informele netwerk als de eerste veilige bedding waar herkenning, taal en zelfacceptatie ontstaan.

    ​Tegelijkertijd vraagt de lofzang op ervaringskennis via digitale platforms om een scherpe, kritische noot die in dit soort beschouwingen nogal eens onderbelicht blijft.

    ​Het algoritme is geen neutrale facilitator van zuivere ervaringskennis. Sociale platforms zijn ontworpen om engagement en clicks te maximaliseren. Dat betekent dat juist de meest herkenbare, hapklare en vaak veralgemeniseerde kenmerken komen bovendrijven („5 signalen dat je ADHD/autisme hebt”). Hierdoor ontstaat het risico dat normale menselijke reacties op chronische overprikkeling, burn-out, hechtingsproblematiek of een ziekmakende prestatiesamenleving klakkeloos worden versmald tot een aangeboren neurodivergent etiket.

    ​Het gevaar van sociale media is niet dat ervaringskennis onbetrouwbaar is, maar dat het versnippert en individualiseert.

    ​Van proces naar statisch label:

    Waar echte ervaringskennis gaat over een dynamische zoektocht naar zingeving en functioneren in de echte wereld, verleidt het online platform tot een statische identiteit waarin het label soms een eindstation wordt in plaats van een startpunt voor groei.
    ​De blinde vlek voor de context: Door neurodivergentie primair via korte online formats te duiden, raakt de contextuele bedding uit beeld. Een mens is geen losstaand brein met een softwarefout, maar functioneert in wisselwerking met zijn werk, gezin en leefomgeving. Online herkenning biedt troost, maar lost de dagelijkse systeemfrictie op de werkvloer of thuis niet op.

    ​De echte winst zit niet in het romantiseren van TikTok-diagnostiek, noch in het elitaire dédain van de academische ivoren toren. De formele zorg moet de nederigheid opbrengen om te zien dat sociale media een leemte vullen die het systeem zelf heeft laten vallen. Maar ervaringsdeskundigen en makers mogen tegelijkertijd kritisch blijven op het medium dat ze gebruiken. Want herkenning is de sleutel, maar het echte werk dus het leren navigeren in een overprikkelende samenleving gebeurt altijd offline, in relatie tot de ander.

  3. Ik ben het helemaal eens met ” Robert Mathijs Buwalda”

    Ik denk daarbij ook dat we nog een blinde vlek hebben voor ‘emotionele mishandeling’ oftewel overbescherming en het niet krijgen van een eigen autonomie en eigen persoonlijkheid kneden. Dat doet net zoveel voor een kind, geen grenzen leren van zichzelf of anderen, afhankelijkheid, op zichzelf gericht ontwikkelen …

    Ook denk ik dat we vaak ‘Hoogsensitief’ missen en verwarren, dat heeft dezelfde uitwerking. Kan ook als kind al gauw angstig zijn vanwege intens voelen en ook overprikkeling veroorzaken, niet tegen drukte kunnen maar wel in een drukke klas moeten zitten, empathisch zijn en uiteindelijk vastlopen in gevoel & denken maar gewoon “persoonlijkheid” is.

  4. Mooi pleidooi. Er moet zeker meer worden samengewerkt met ervaringsdeskundigen – dat kan de wetenschap alleen maar verrijken. Wel is het daarvoor cruciaal dat er meer grip komt op de geschikte ‘division of labor’, oftewel, wie kan iets zinnigs zeggen over wát? Ik heb al vaker betoogd dat in dit soort discussies niet duidelijk is wat er kan worden geschaard onder de vage term ‘ervaringskennis’. Hoe ver reikt zulke kennis? Ik denk dat weinig mensen zullen ontkennen dat de persoon met ervaring de beste kennis heeft over die ervaring – over ‘hoe het is om…’ bijvoorbeeld afwijzing en sociale pijn te ervaren. Maar tot in hoeverre heeft diezelfde persoon ook kennis over waar die ervaring vandaan komt, wat de werking is binnen de rest van de psyche? Met andere woorden: impliceert ervaringskennis dat je ook je ervaringen kunt duiden/verklaren, of louter dat je kennis hebt van die ervaringen? Ik moet bijvoorbeeld denken aan het commentaar van Roos van Grieken op een stuk dat jij, Alvin, eerder schreef in Tijdschrift voor Psychiatrie (zie hier: https://www.tijdschriftvoorpsy...). Ik vind Roos’ insteek erg overtuigend, zowel vanuit wetenschappelijk/theoretisch perspectief als vanuit eigen ervaring.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *