Jarenlang is gewerkt aan een betere overgang van 18-min naar 18-plus. Toch lopen juist jongeren uit residentiële instellingen nog steeds vast tussen verschillende wettelijke stelsels. De aansluiting tussen jeugd- en volwassenzorg is vaak onduidelijk, passende vervolgplekken zijn schaars en ondersteuning sluit niet altijd aan bij hun behoeften. Dat roept de vraag op waarom continuïteit van wonen en begeleiding niet voor alle jongeren gelijk wordt georganiseerd.
Versnipperd, onzeker en onvoldoende
Waar een jongere woont op het moment dat hij of zij 18 wordt, bepaalt in sterke mate welke ondersteuning beschikbaar blijft.
Jongeren in pleeggezinnen mogen, als zij dat wensen, wettelijk tot hun 21ste verjaardag blijven wonen. Voor jongeren in gezinshuizen gelden vergelijkbare bestuurlijke afspraken. Voor jongeren die verblijven in een residentiële instelling is dat anders. Op grond van de Jeugdwet eindigt het verblijf in beginsel bij 18 jaar. Verlenging van jeugdhulp is alleen mogelijk als de benodigde hulp niet vanuit een andere wettelijke regeling kan worden geboden.
In de praktijk betekent dit vaak een overstap naar ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Jongeren moeten opnieuw een indicatie aanvragen, een nieuw systeem betreden en regelmatig ook verhuizen.
Onze ervaring is dat ondersteuning die op papier beschikbaar is, in de praktijk vaak versnipperd, onzeker of onvoldoende passend blijkt. Jongeren hebben behoefte aan begeleiding richting zelfstandigheid, maar passend aanbod ontbreekt regelmatig of kent lange wachtlijsten.
Waarom bepaalt de verblijfsvorm de mate van continuïteit, en niet de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte van de jongere?
Voorzieningen als kamertraining, zelfstandigheidstraining en begeleid wonen zijn bovendien schaars. Vaak ontstaat pas plek wanneer een jongere al uit beeld is geraakt. Ondanks goede intenties en landelijke aandacht raken jongeren daardoor alsnog klem tussen verschillende systemen.
Kwetsbare groep
Onderzoek laat zien dat jongeren in de residentiële jeugdhulp tot de meest kwetsbare groepen behoren kampen gemiddeld met meer en complexere problematiek, beschikken over minder steun uit hun sociale netwerk en ervaren vaker problemen bij het zelfstandig functioneren (Harder et al., 2023).
Tegelijkertijd worden juist zij geconfronteerd met een relatief abrupte beëindiging van verblijf en begeleiding. Daardoor ontstaat een fundamentele vraag: waarom bepaalt de verblijfsvorm de mate van continuïteit, en niet de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte van de jongere?
Vertrouwenspersonen van Jeugdstem signaleren dat onzekerheid over wonen en vervolghulp regelmatig leidt tot zorgen bij jongeren. In 2025 voerden zij ruim 1400 gesprekken over toekomstperspectief en voortzetting van hulpverlening (Jeugdstem, 2026).
Tijdens bezoeken aan residentiële instellingen zien vertrouwenspersonen dat jongeren die vooruitgang boeken in hun behandeltraject, onzeker worden zodra hun 18de verjaardag dichterbij komt. Zij krijgen soms te horen dat zij niet kunnen blijven wonen omdat geen grond bestaat voor verlengde jeugdhulp.
Wanneer passende ondersteuning uitblijft, neemt het risico toe op dakloosheid, terugkeer naar onveilige omgeving en uitval
Daar staat tegenover dat beschikbare voorzieningen binnen de Wmo regelmatig beperkt of onvoldoende passend zijn. Hierdoor ontstaat een paradox. Het behalen van behandeldoelen leidt tot beëindiging van verblijf, terwijl een passend alternatief nog ontbreekt.
Rechtvaardiging ontbreekt
De kern van het probleem is dat jongeren met vergelijkbare ondersteuningsbehoeften niet dezelfde mogelijkheden hebben om wonen en begeleiding voort te zetten. Dat verschil vloeit voort uit de juridische en financiële inrichting van verblijfsvormen, niet uit de behoeften van de jongeren zelf. Voor dat onderscheid ontbreekt volgens ons een overtuigende rechtvaardiging.
De gevolgen kunnen groot zijn. Wanneer passende ondersteuning uitblijft, neemt het risico toe op dakloosheid, terugkeer naar een onveilige omgeving en uitval uit onderwijs, werk of zorg. Dat zijn geen onverwachte neveneffecten, maar bekende risico's voor een groep jongeren die vaak niet beschikt over een stabiel sociaal vangnet.
Waarborgen gemeenten
Gemeenten moeten waarborgen dat jongeren die aangeven dat ze nog ondersteuning nodig hebben, hun residentiële woonplek niet hoeven te verlaten zonder beschikbare en passende vervolgvoorziening.
Wanneer voortzetting van wonen en begeleiding noodzakelijk is voor een verantwoorde overgang naar volwassenheid, moet die continuïteit mogelijk zijn. Dat kan op de bestaande locatie of via een direct beschikbare, gelijkwaardige vervolgvoorziening. Het wettelijke of financiële kader mag daarbij niet leidend zijn.
Uitgangspunt moet zijn dat de ondersteuningsbehoefte van de jongere centraal staat. Pas dan ontstaat een gelijkwaardige overgang naar volwassenheid voor alle jongeren die te maken hebben met jeugdhulp.
Sanne Verwasch is senior juridisch beleidsmedewerker bij Jeugdstem, de organisatie van vertrouwenspersonen in de jeugdhulp.
Foto: Erik McLein via Pexels.com