Over macht, kennis en herstelondersteunend leiderschap

Vrijwel iedere zorgorganisatie onderschrijft herstelondersteunende zorg. Maar de bijbehorende waarden blijken moeilijk vorm te krijgen. Volgens directeur zorg en kwaliteit en ervaringsdeskundige Daantje Daniels is dit vooral een vraagstuk over macht en kennis. Wie bepaalt wat goede zorg is?

Herstelondersteunende zorg vraagt om meer dan ander gedrag. Het vraagt om een andere manier van kijken naar mensen, kennis en macht. Waar traditionele zorg sterk is georganiseerd vanuit professionele expertise, diagnostiek en verantwoordelijkheid, vraagt herstelondersteuning om gelijkwaardigheid, wederkerigheid en erkenning van ervaringskennis. Daarmee ontstaat een interessante vraag: wie bepaalt eigenlijk wat goede zorg is?
Een ervaring met een student ervaringsdeskundigheid is mij altijd bijgebleven. Zij had met het team op haar werk afgesproken haar herstelverhaal aan het einde van een teamoverleg te delen, zodat collega’s beter gebruik konden maken van haar ervaringskennis. Vlak voordat zij wilde beginnen, stond de teamleider op en vertrok met de mededeling dat zij andere werkzaamheden ging doen. Waarschijnlijk onbedoeld werd daarmee een krachtige boodschap afgegeven: ervaringskennis was kennelijk niet belangrijk genoeg om bij te blijven.

Cliënten worden eerder gezien als ontvangers van deskundigheid dan als mede-kennisdragers

Als herstelondersteunende waarden alleen in beleid staan, maar niet zichtbaar zijn in de manier waarop leidinggevenden handelen, zullen dezelfde machtsverhoudingen zich op de werkvloer blijven herhalen: beslissingen worden voor anderen genomen en cliënten worden eerder gezien als ontvangers van deskundigheid dan als mede-kennisdragers.

Verbazing en hoop

Ook mijn eigen ervaring maakte dit zichtbaar. Ik besloot als manager in de verslavingszorg open te worden over mijn ervaringen met verslaving, trauma en herstel. Hoewel ik dagelijks leiding gaf aan professionals, voelde het delen van mijn ervaringskennis vele malen kwetsbaarder dan welke managementbeslissing ook.

Toen professionals hun ervaringskennis bewust inzetten, kregen zij soms weerstand van collega’s

Tegelijkertijd volgde ik als manager én ervaringsdeskundige zelf een incompany-opleiding Ervaringsdeskundigheid, samen met professionals en (voormalige) cliënten. Achteraf hoorde ik dat sommige collega’s zich nauwelijks konden voorstellen dat een manager ook ervaringskennis kon hebben. Voormalige cliënten vertelden juist dat mijn aanwezigheid hen hoop gaf.

Deze ervaring liet zien hoe sterk onze opvattingen over professionaliteit en deskundigheid zijn verbonden aan rollen. Ook het RAAK!-onderzoek laat zien hoe diep die scheiding is verankerd. Zorgprofessionals met ervaringskennis vertelden dat zij tijdens hun opleiding leerden dat het delen van persoonlijke ervaringen onprofessioneel was. Toen zij hun ervaringskennis later bewust inzetten, voelden zij zich aanvankelijk onzeker en kregen zij soms weerstand van collega’s (Weerman et al., 2019).

Authority bias

Een verklaring ligt in de authority bias: de neiging om meer waarde toe te kennen aan het oordeel van iemand met formele positie of status. Macht en kennis zijn historisch sterk met elkaar verweven. Onderzoek van Milgram (1963) en Zimbardo (Haney et al., 1973) laat zien hoe sterk gezag en sociale rollen gedrag kunnen beïnvloeden.

Herstelondersteunend leiderschap vraagt om epistemische bescheidenheid: het besef dat de eigen kennis begrensd is

Ook als leidinggevende ben ik hier niet vrij van. Mijn positie maakt dat anderen mijn woorden sneller als richtinggevend ervaren. Daardoor krijg ik gemakkelijker bevestiging dan tegenspraak. Kahneman (2011), Keltner (2016) en Argyris (1991) beschrijven mechanismen waardoor mensen hun eigen oordeel kunnen overschatten, minder gevoelig worden voor andere perspectieven of defensieve patronen ontwikkelen.

Daarom vraagt herstelondersteunend leiderschap om epistemische bescheidenheid: het besef dat mijn eigen kennis begrensd is.

Epistemisch onrecht

Miranda Fricker (2007) laat zien dat mensen ook onrecht kan worden aangedaan in hun positie als kennisdrager. In de zorg wordt wetenschappelijke of professionele kennis van oudsher als meer geloofwaardig gezien dan ervaringskennis. Ook taal speelt een rol. Een bestuurder zei ooit tegen mij: ‘Als het erop aankomt kunnen we ons als bestuurders vrijwel overal uitpraten.’ Die uitspraak was voor mij een eyeopener. Zodra degene met de meeste woorden en argumenten zich eruit praat, is er van een echte dialoog geen sprake meer.

Professionals beschikken vaak over vaktaal en diagnostische begrippen, terwijl cliënten soms zoeken naar woorden

Ik zie dat ook in gesprekken tussen cliëntenraden of medezeggenschapsraden en bestuurders. En cliënten komen dit tegen in het contact met hulpverleners. Professionals beschikken vaak over vaktaal en diagnostische begrippen, terwijl cliënten soms zoeken naar woorden voor hun ervaring. Als die ongelijkheid in taal niet wordt (h)erkend, kan taalvaardigheid bepalen wiens perspectief het meeste gewicht krijgt. Dat staat haaks op gelijkwaardigheid, wederkerigheid en samen leren.

Ook in bestuur en toezicht kan dit zichtbaar worden. Tijdens de bespreking van een kwaliteitsrapport vroeg ik als lid van een Raad van Toezicht door op de manier waarop gedwongen zorg werd vormgegeven. Werden interventies achteraf met cliënten geëvalueerd? Werd het netwerk betrokken? De geneesheer-directeur kon deze vragen niet beantwoorden. Na afloop werd ik door medeleden aangesproken omdat ik te detaillistisch zou zijn geweest. Ik werd daar onzeker van, maar vroeg mij ook af: zijn dit werkelijk details? Als herstelondersteunende zorg de norm is, zijn juist deze vragen essentieel. Het gaat niet alleen om hoeveel gedwongen zorg wordt toegepast, maar ook om de ervaring van cliënten en wat de organisatie daarvan leert.

Herstelondersteunend leiderschap

Voor mij ligt hier de kern. Het gaat niet om minder leidinggeven, maar om anders leidinggeven. De leider hoeft niet de persoon te zijn die de meeste kennis heeft. De opdracht is om voorwaarden te creëren waarin verschillende kennisbronnen elkaar kunnen ontmoeten en aanvullen en waarin mensen zich veilig voelen om elkaar tegen te spreken. Dat betekent onder meer:

  • Maak expliciet welke kennis waar aanwezig is;
  • Maak wetenschappelijke, professionele, contextuele en ervaringskennis zichtbaar in besluitvorming, en ook welke perspectieven mogelijk ontbreken;
  • Normaliseer tegenspraak en vraag: 'Wat zie ik over het hoofd?' en 'Wie kijkt hier anders naar?';
  • Creëer psychologische veiligheid, zodat mensen ook afwijkende perspectieven en fouten kunnen bespreken;
  • Betrek verschillende kennisdragers vanaf het begin bij beleid, kwaliteitsverbetering en besluitvorming;
  • Organiseer overleg zo dat niet automatisch de hoogste in rang als eerste spreekt;
  • Evalueer niet alleen de uitkomst, maar ook het proces: wie werd gehoord, wie bleef stil en welke perspectieven ontbraken?

De leider organiseert ruimte waarin verschillende perspectieven elkaar kunnen aanvullen

Psychologische veiligheid, dialoog en leren zijn daarbij voorwaarden voor goede besluitvorming (Edmondson, 2019; Senge, 1990; Wheatley, 2002). Fricker (2007) maakt duidelijk waarom het nodig is bewust te kijken naar wie als kennisdrager wordt erkend.

Voor mij is daarom de belangrijkste vraag voor een herstelondersteunend leider niet: ‘Heb ik de juiste antwoorden?’, maar:  ‘Heb ik een organisatie gecreëerd waarin ook kennis en antwoorden gehoord worden die afwijken van de mijne?’

Het model hieronder vat mijn visie samen. Epistemische bescheidenheid vormt het scharnierpunt: de leider erkent dat geen enkele kennisbron volledig is en organiseert ruimte waarin verschillende perspectieven elkaar kunnen aanvullen. Zo wordt herstelondersteuning niet alleen iets tussen professional en cliënt, maar ook iets van de organisatie zelf.

 

Figuur 1. Model voor herstelondersteunend leiderschap. Ontwikkeld door de auteur.

Daantje Daniels is directeur zorg en kwaliteit bij Jan Arends, senior onderzoeker bij het Lectoraat GGZ en Samenleving van Hogeschool Windesheim, toezichthouder in de zorg, opgeleid als ervaringsdeskundige en lid van de raad van advies van de Vereniging van Ervaringsdeskundigen. Zij schrijft en spreekt over gelijkwaardigheid, herstelgerichte zorg, ervaringsdeskundigheid en leiderschap.

 

Foto: olia danilevich via Pexels.com

Bronnen

Argyris, C. (1991). Teaching smart people how to learn. Harvard Business Review, 69(3), 99-109.

Edmondson, A. C. (2019). The fearless organization: Creating psychological safety in the workplace for learning, innovation, and growth. Wiley.

Fricker, M. (2007). Epistemic injustice: Power and the ethics of knowing. Oxford University Press.

Haney, C., Banks, W. C., & Zimbardo, P. G. (1973). Interpersonal dynamics in a simulated prison. International Journal of Criminology and Penology, 1(1), 69-97.

Kahneman, D. (2011). Thinking, fast and slow. Farrar, Straus and Giroux.

Keltner, D. (2016). The power paradox: How we gain and lose influence. Penguin Press.

Milgram, S. (1963). Behavioral study of obedience. Journal of Abnormal and Social Psychology, 67(4), 371-378. https://doi.org/10.1037/h0040525

Senge, P. M. (1990). The fifth discipline: The art and practice of the learning organization. Doubleday.

Weerman, A., De Jong, K., Karbouniaris, S., Overbeek, F., Van Loon, E., & Van der Lubbe, P. (2019). Professioneel inzetten van ervaringsdeskundigheid. Boom.

Wheatley, M. J. (2002). Turning to one another: Simple conversations to restore hope to the future. Berrett-Koehler.

Wheatley, M. J. (2006). Leadership and the new science: Discovering order in a chaotic world (3rd ed.). Berrett-Koehler.

Dit artikel is 576 keer bekeken.

Reacties 1

  1. Dank aan Daantje Daniels voor dit scherpe en noodzakelijke artikel. Het agenderen van epistemische bescheidenheid en het durven benoemen van machtsmechanismen raakt aan een fundamenteel knelpunt in het publieke en maatschappelijke domein. De constatering dat een systeem zich via formele taal, procedures en positie vrijwel altijd kan verantwoorden, laat zien hoe de kloof tussen beleid en praktijk kan ontstaan en zich vervolgens verder kan verdiepen.

    Toch zie ik in het debat over herstelondersteunend leiderschap nog een onderliggende laag die aandacht verdient. Wanneer we deze dynamiek uitsluitend benaderen als een vraagstuk van leiderschap, cultuur, macht of relaties, bestaat het risico dat we onvoldoende kijken naar wat er daadwerkelijk gebeurt op het moment dat systeemwereld en leefwereld elkaar raken.

    Wie die interactie methodisch ontleedt, ziet dat de patstelling niet noodzakelijk ontstaat uit onwil van de professional of weerstand van de burger, cliënt of patiënt. Vaak ontstaat zij in de wrijvingslaag tussen twee fundamenteel verschillende talen en logica’s.

    De systeemwereld is in belangrijke mate georganiseerd rond risicobeheersing, categorisering, protocollen, verantwoordingskaders en voorspelbaarheid. De leefwereld opereert vanuit context, ervaring, emotie, autonomie en de directe betekenis van wat er op dat moment gebeurt.

    Zolang beide werkelijkheden elkaar kunnen verstaan, hoeft dat verschil geen probleem te zijn. Maar wanneer zij zonder adequate vertaling rechtstreeks op elkaar botsen, kan kortsluiting ontstaan.

    Een defensieve reactie vanuit de leefwereld kan door het systeem bijvoorbeeld worden geïnterpreteerd als onbegrepen gedrag, gebrek aan motivatie of onvoldoende medewerking. Het systeem reageert vervolgens met extra registratie, voorwaarden en controle. De betrokkene ervaart die reactie op zijn beurt als verdere druk of wantrouwen en trekt zich verder terug.

    Zo ontstaat een zichzelf versterkende lus.

    Niet omdat één van beide partijen per definitie gelijk of ongelijk heeft, maar omdat de betekenis van wat er gebeurt onderweg verloren gaat.

    De paradox van herstel binnen een formele machtsstructuur

    Daniels pleit terecht voor kwetsbaarheid, tegenspraak en ruimte voor andere vormen van kennis. Maar daarmee ontstaat een volgende vraag: wat gebeurt er met die kennis zodra zij de organisatie binnenkomt?

    Een ervaringsdeskundige kan aan tafel zitten. Een cliënt kan zijn verhaal vertellen. Een professional kan ruimte geven aan een ander perspectief. Maar wanneer die informatie vervolgens alsnog moet worden verwerkt in bestaande dossiers, formats, beleidskaders en verantwoordingsstructuren, kan een subtiel proces van assimilatie ontstaan.

    De werkelijkheid wordt dan wel gehoord, maar vervolgens opnieuw vertaald naar de taal van het systeem.

    De ruis wordt daarmee niet noodzakelijk opgelost. Soms wordt zij alleen verplaatst.

    Ook een welwillende leidinggevende blijft immers onderdeel van een formele organisatie met verantwoordelijkheden, bevoegdheden en verantwoordingsdruk. Machtsverschillen verdwijnen niet automatisch doordat mensen met goede intenties met elkaar in gesprek gaan.

    Daarom is alleen méér dialoog niet altijd voldoende.

    Van verschillende perspectieven naar werkelijke vertaling

    Hier ligt naar mijn overtuiging een belangrijke ontbrekende schakel: de interface tussen beide werelden.

    Niet als extra belangenbehartiger. Niet als verlengstuk van het systeem. En ook niet als iemand die automatisch de leefwereld gelijk geeft.

    Maar als een onafhankelijke Systeemtolk.

    De Systeemtolk heeft als functie om beide werkelijkheden zodanig te vertalen dat zij elkaar daadwerkelijk kunnen verstaan, terwijl de oorspronkelijke betekenis behouden blijft.

    Dat betekent onder meer:

    1. Decompressie van de leefwereld

    Emotie, frustratie en overbelasting worden niet weggepsychologiseerd, maar teruggebracht tot de onderliggende feiten, behoeften, belangen en omstandigheden. Niet om de emotie uit te schakelen, maar om zichtbaar te maken wat eronder ligt.

    2. Ontmanteling van systeemtaal

    Beleid, procedures en institutioneel jargon worden teruggebracht tot de concrete betekenis ervan voor de persoon die ermee te maken krijgt. Wat vraagt het systeem feitelijk? Waarom? En wat is daarvan noodzakelijk, mogelijk of juist disproportioneel?

    3. Isoleren van de systeemfrictie

    Niet eindeloos zoeken naar wat er ‘mis’ is met de persoon, maar onderzoeken waar de logica van de procedure en de werkelijkheid van de situatie elkaar niet meer raken.

    4. De werkelijkheidstoets

    De Systeemtolk toetst uiteindelijk beide kanten. Ook de leefwereld kan een onjuiste interpretatie hebben; ook de systeemwereld kan formeel correct handelen en toch een uitkomst produceren die in de praktijk niet werkt.

    Daarmee is neutraliteit niet hetzelfde als waardevrijheid.

    Neutraliteit betekent hier: niet automatisch partij kiezen voor de systeemwereld of de leefwereld, maar beide onderwerpen aan dezelfde werkelijkheidstoets.

    Van herstelondersteunend leiderschap naar herstelondersteunende infrastructuur

    Daarmee zou ik het debat nog een stap verder willen brengen.

    Herstelondersteunend leiderschap is waardevol, maar leiderschap alleen kan de structurele eigenschappen van een systeem niet volledig neutraliseren. Als we werkelijk willen dat verschillende kennisvormen elkaar versterken, hebben we niet alleen andere houdingen en ander leiderschap nodig, maar ook een infrastructuur die voorkomt dat de ene werkelijkheid automatisch wordt vertaald naar de taal van de andere.

    De Systeemtolk kan daarin een onafhankelijke tussenlaag vormen.

    Niet om het systeem te vervangen.

    Niet om de professional buitenspel te zetten.

    Niet om de cliënt automatisch gelijk te geven.

    Maar om de vertaalfout zichtbaar te maken voordat die uitgroeit tot een conflict, dossieropbouw, escalatie of nieuwe beleidslaag.

    Daarmee verschuift de centrale vraag van:

    Wie heeft hier gelijk?

    naar:

    Waar zijn onze werkelijkheden elkaar kwijtgeraakt?

    En vervolgens:

    Wat is er nodig om ze weer op elkaar aan te laten sluiten?

    Misschien ligt daar wel de volgende stap in het denken over herstelondersteunend werken.

    Niet alleen macht leren herkennen. Niet alleen ruimte maken voor andere kennis. Maar een structurele voorziening creëren die ervoor zorgt dat verschillende vormen van kennis en werkelijkheid elkaar ook daadwerkelijk kunnen bereiken.

    De echte doorbraak ontstaat dan niet noodzakelijk aan één van beide kanten, maar in de tussenlaag.

    Daar waar taal wordt vertaald, macht zichtbaar wordt gemaakt, aannames kunnen worden gecorrigeerd en de werkelijkheid uiteindelijk bepaalt of een oplossing daadwerkelijk werkt.

    Niet de theorie bepaalt of de oplossing werkt.
    De werkelijkheid bepaalt of de theorie standhoudt.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *